Stichting Uitgeverij Rhemaprint

de brief aan de HebreeŽn
beknopte kanttekeningen door J.E. van den Brink

 
vorige pagina volgende pagina

HebreeŽn 13
vers 1-25


 

HebreeŽn 13:1 


Laat de broederlijke liefde blijven.

Na de uiteenzettingen betreffende de verhouding tussen het oude en het nieuwe verbond volgen nu nog enkele vermaningen van de apostel aan zijn joodse broeders. Het eerste waar hij op aandringt is, dat de broederlijke liefde stand moet houden. Deze opmerking herinnert aan de woorden van Jezus: 'Dit is mijn gebod, dat gij elkander liefhebt, gelijk Ik u heb liefgehad' (Joh. 15:12). Het is de wil van God dat de geredde en verloste mensheid een hecht geheel vormt.

Zij die tot het lichaam des Heren behoren, moeten te allen tijde positief ten opzichte van elkander zijn ingesteld, zodat de gemeente een levend geheel vormt. Het gehele lichaam moet een welsluitend geheel vormen, dat bijeen gehouden wordt door de dienst van al zijn geledingen (Ef. 4:16). De oproep tot broederlijke liefde is temeer verklaarbaar, als wij hem zien tegen de achtergrond van de verschillen tussen de joodse en de heidense christenen, maar ook tussen de radicale joodse christenen en hun judaÔserende broeders.

 

HebreeŽn 13:2 


Vergeet de herbergzaamheid niet, want daardoor hebben sommigen, zonder het te weten, engelen geherbergd.

Een uitvloeisel van de onderlinge liefde is, dat men ook in het natuurlijke leven herbergzaam is, altijd bereid om een gelovige onderdak te verschaffen. In de dagen van de eerste christengemeente werd de noodzaak nog geaccentueerd, doordat er voor reizigers weinig accommodatie was om te overnachten, maar ook doordat er veel vervolgingen waren en er dikwijls een schuilplaats moest worden verleend. Zo werd ook Paulus zelf menigmaal gastvrij opgenomen, wanneer hij op reis was om het evangelie te verkondigen, of wanneer men hem zocht te vangen (zie bijv. Rom. 16:3,4; Hand. 16:15 en 21:16).

Als voorbeelden van mensen die zonder het te weten rechtstreeks aan engelen gastvrijheid bewezen hebben, noemt de bijbel Abraham en Lot (Gen. 18 en 19). Wij weten evenwel ook dat engelen dienende geesten zijn, die uitgezonden zijn ten behoeve van degenen die de zaligheid beŽrven. Wanneer men dus een kind van God herbergt, ontvangt men ook zijn engel(en) in huis, wat niet anders dan zegen kan brengen. Wanneer men daarentegen een mens in huis ontvangt, die verbonden is met machten der duisternis, haalt men deze geesten tegelijkertijd binnen. Dit zal zeker moeilijkheden en strijd ten gevolge hebben. Niet voor niets staat in 2 johannes 10, dat men een valse profeet of dwaalleraar niet in zijn huis moet ontvangen. Ook moet men iemand die in zonde leeft en zich een broeder noemt, geen onderdak verschaffen (1 Cor. 5:11).

 

HebreeŽn 13:3 


Denkt aan de gevangenen, alsof gij met hen gevangen waart; aan hen, die mishandeld worden, als mensen, die ook zelf een lichaam hebt.

Hier worden natuurlijk geen gevangenen bedoeld, die vanwege hun misdrijven opgesloten zijn, maar de apostel doelt hier op broeders en zusters, die terwille van hun geloof gekerkerd waren. Zo leefde de gemeente te Jeruzalem met Petrus mee, toen deze door Herodes in hechtenis genomen was. In een voortdurend gebed streed men de gehele nacht door voor hem in de hemelse gewesten. Men wist immers dat het leven van de apostel op het spel stond, daar Jacobus reeds ter dood gebracht was (Hand. 12:1-17).

Ook Paulus zelf rekende tijdens zijn gevangenschap op het medeleven der gemeenten die hij zelf gesticht had. Ook voor mensen die om des geloofs wil mishandeld worden, moet men op de bres staan. Wij denken hierbij niet alleen aan tijden van vervolging, maar ook nu moeten velen lijden verduren en worden soms geslagen vanwege hun overgang naar het volle evangelie. Laten wij aan hen denken en hen ondersteunen in de geestelijke en indien nodig ook in de natuurlijke wereld.

leder weet uit eigen ervaring wel, wat het betekent om verdrukking en pijn in het lichaam te ondergaan. Daarom kunnen wij des te beter medegevoelens opbrengen. Zo wordt ook van Jezus door de schrijver gezegd dat Hij ook kan medevoelen met onze zwakheden, omdat Hij op gelijke wijze als wij verzocht is geweest, en ook mishandelingen heeft ondergaan.

 

HebreeŽn 13:4 


Het huwelijk zij in ere bij allen en het bed onbezoedeld, want hoereerders en echtbrekers zal God oordelen.

Jezus heeft het monogame huwelijk weer in ere hersteld en echtbreuk verboden (Marc. 10:1-12). Ook de apostel hechtte grote waarde aan het huwelijk als beeld van de band tussen Christus en de gemeente (Ef. 5:31-33). Wanneer iemand gemeenschap heeft met een andere partner dan eigen man of vrouw, noemt de bijbel dit een bezoedeling of verontreiniging van het (echtelijke) bed. Daar deze dingen in het verborgen plaats hebben, moet zulk een echtbreker of hoereerder niet menen vrijuit te kunnen gaan. Het alziende oog des Heren kent zijn weg en Hij oordeelt in gerechtigheid.

Onder een echtbreker verstaan wij iemand die met een persoon buiten zijn huwelijk gemeenschap heeft. Een hoereerder is iemand die gemeenschap heeft met allerlei soort (publieke) vrouwen en mannen, dus een ontuchtig persoon. Deze zonde van de echtbreuk mag in de gemeente niet voorkomen, want het deel van zulke wettelozen is in de poel, die brandt van vuur en zwavel (Openb. 21:8).

 

HebreeŽn 13:5-6 


Laat uw wijze van doen onbaatzuchtig zijn, weest tevreden met wat gij hebt. Want Hij heeft gezegd: Ik zal u geenszins begeven, Ik zal u geenszins verlaten. Daarom kunnen wij met vertrouwen zeggen: De Here is mij een helper, ik zal niet vrezen; wat zou een mens mij doen?

Vers 5 handelt over de gezindheid of de wijze van leven van de christen ten opzichte van de goederen van deze wereld. Laat hij zich bij zijn handelen slechts leiden door de gedachte voordeel te behalen ten koste van anderen, of zoekt hij ook het goede voor zijn naaste? Dan is zijn doen onbaatzuchtig.

De Heer heeft beloofd dat Hij wat het natuurlijke betreft, voorzien zal in alle nooddruft, dus dat wij ons daarvoor geen zorgen behoeven te maken. Wanneer wij evenwel leven voor de begeerte der ogen, dus grootsheid des levens, of voor de vergankelijke rijkdommen, weten wij dat dit niet uit de Vader is. Wij moeten tevreden zijn met wat Hij ons schenkt (zie 1 Tim. 6:6-10). Zoals Mozes zijn opvolger Jozua bemoedigde met de woorden: 'De Heer zal u niet begeven of verlaten' (Deut. 3 1:6), een vertroosting die God Zelf herhaalt voor de poorten van Jericho (Joz. 1:5), zo bemoedigt ook de apostel de gelovigen met dezelfde woorden.

Wanneer wij in het woord des Heren blijven, behoeven wij in geen ding bezorgd te zijn, want Hij blijft met ons. Wanneer wij zo leven in het vertrouwen op de Heer, weten wij een machtig helper te hebben, zodat wij onbevreesd mogen zijn. Schrik aanjagen en bedreigen zijn wapenen van de boze en vrees is de reactie, die hij opwekt en waardoor hij de mens tracht te intimideren en te onderwerpen. Wanneer wij zeker weten dat de Heer met ons is, ja zelfs in ons woont, behoeven wij niet bang te zijn dat een mens, ook al is hij met een macht verbonden, ons enig kwaad kan doen.

 

HebreeŽn 13:7 


Houdt uw voorgangers in gedachtenis, die het woord Gods tot u hebben gesproken; let op het einde van hun wandel en volgt hun geloof na.

Paulus vermaant dat men acht moet geven op de voorgangers of leidende broeders. Men mag niet onverschillig tegenover hen staan, want zij waken over de zielen en moeten hiervan rekenschap afleggen bij God. Zij zijn het ook die het woord Gods brengen, dus het evangelie prediken en de gemeente de weg en het doel Gods voor ogen houden. Ook daarvoor zijn zij aan God verantwoording schuldig. Om voorganger, leraar of opziener te zijn is een voortreffelijke taak, maar deze geeft veel verantwoordelijkheid en vereist ontplooiing der geestelijke gaven of begaafdheden, terwijl Gods oordeel over hen strenger is. De oudsten die goede leiding geven, moet men dubbel eerbewijs schenken en niet gemakkelijk een aanklacht tegen hen aanvaarden (1 Tim. 5:17,19).

Toch is er wel een toetssteen, waarop men iedere leiding gevende broeder kan onderzoeken. Men behoort acht te slaan op wat in handel en wandel bij hem, naar buiten treedt als realisatie van zijn geloof. Houdt hij zich aan de weg der waarheid en blijft hij in het spoor der gerechtigheid, terwijl hij het einddoel des geloofs voor ogen houdt, dan kan men rustig zijn onderwijzing en leiding aanvaarden, dus geloven wat hij zegt. Dit bewijst dat hij goede leiding geeft.

Sommigen denken bij het woord 'einde' aan het sterven, of aan de marteldood. Het woord dat hier gebruikt wordt betekent letterlijk: wat zijn basis verlaat, dus wat naar buiten treedt. Het heeft geen enkele zin om op het sterven van zijn leiders te wachten om te zien, hoe men zijn houding jegens hen bepalen moet en te beoordelen of zij goede leiding geven. Wanneer woord en wandel van de voorgangers met het evangelie van Jezus Christus overeenstemmen, kan men zich rustig aan hen toevertrouwen en hen in het geloof navolgen. Paulus sprak: 'Wordt mijn navolgers, gelijk ook ik Christus navolg' (1 Cor. 11:1).

Het woord voorganger wijst hier op: leiden, voorgaan, een weg wijzen. Men kan hier dus niet uit concluderen zoals sommigen dit doen, dat een gemeente meer dan ťťn 'voorganger' moet hebben, want ook de oudsten behoren tot de 'leiders' der gemeente.

 

HebreeŽn 13:8 


Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde en tot in eeuwigheid.

Jezus Christus is en blijft de grote leider of voorganger. Hij verandert niet. Zoals wij Hem uit de evangeliŽn leren kennen, zo openbaart Hij Zich nu nog. Zijn woord was waarheid en blijft onveranderd van kracht. Wij volgen Hem na, wanneer wij zijn woorden bewaren en zijn daden als voorbeeld nemen. Zo wandelen wij in zijn voetsporen. Wij moeten de voorgangers navolgen, indien zij evenals Paulus dit de Heer doen. Het ware evangelie brengt de gelovigen na de vergeving der zonden tot bevrijding, verlossing en genezing.

Het leert hen te wandelen in de voetstappen van de Heer tot aan de voleinding der eeuwen. De plaats van opperste voorganger en leider behoudt de Heer tot in eeuwigheid. Hij blijft het hoofd van de gemeente die Hem volgt waar Hij ook henen gaat. Hij blijft het Lam dat voor eeuwig de grondslag voor het herstel gelegd heeft. Hij blijft ook altijd het gouden meetsnoer, waarmee iedere gelovige zijn maat van volwassenheid vergelijken kan.

 

HebreeŽn 13:9 


Laat u niet medeslepen door allerlei vreemde leringen; want het is goed, dat het hart zijn vastheid vindt in genade en niet in spijzen: wie het hierin zochten, hebben er geen baat bij gevonden.

Vreemde leringen zijn dogma's die de gelovigen langs een andere weg voeren en een ander doel beogen. Zij richten de aandacht op allerlei zaken die met het herstel van de totale mens en het doel Gods met hem, namelijk de volmaaktheid, niets uit te staan hebben. God heeft de mens genade geschonken, maar ook rijkdom van genade en daaraan mag hij zich vasthouden en zich daarin verblijden. Zo geeft de apostel als voorbeeld de dwaling, dat men spijswetten moet onderhouden. Men maakt zich dan druk over reine of onreine spijzen, over gezuurd of ongezuurd brood in de Paastijd, of bij het avondmaal. Ook het zich onthouden van voedsel in bepaalde vastentijd valt hieronder, maar dit alles heeft geen nut om verder te komen op de hoge weg. Zo vestigt men in onze dagen bijvoorbeeld de aandacht op het natuurlijke IsraŽl, maar of dit volk in het Midden-Oosten wint of verliest, brengt ůns niet dichter bij het doel van God met de gemeente. Het leidt onze aandacht er alleen maar van af.

 

HebreeŽn 13:10-12 


Wij hebben een altaar, waarvan zij, die de dienst voor de tabernakel verrichten, niet mogen eten. Want van de dieren, waarvan het bloed als zondoffer door de hogepriester in het heiligdom werd gebracht, werd het lichaam buiten de legerplaats verbrand. Daarom heeft ook Jezus, ten einde zijn volk door zijn eigen bloed te heiligen, buiten de poort geleden.

Jezus Christus heeft met zijn bloed het nieuwe verbond ingewijd. Van dit offer mogen wij eten, dit wil zeggen dat wij er profijt van hebben. In Johannes 6:53-56 staat: 'Ik zeg u, tenzij gij het vlees van de Zoon des mensen eet en zijn bloed drinkt, hebt gij geen leven in uzelf. Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, heeft eeuwig leven en Ik zal hem opwekken ten jongsten dage. Want mijn vlees is ware spijs en mijn bloed is ware drank'.

Deze spijs en deze drank geven ons dus eeuwig leven. Wanneer er joden waren die hun offers nog in de tempel brachten en deelnamen aan de ceremoniŽn en riten van het oude verbond, bleven zij uitgesloten van de zegeningen van het nieuwe verbond. Dit is wel een van de scherpste uitspraken uit de bijbel die aantoont, dat wij niet in twee verbonden tegelijk kunnen leven. Wie in het oude verbond blijft, heeft geen deel aan het nieuwe. Of men zoekt verzoening in de tempel of tabernakel, of men zoekt verzoening buiten het aardse heiligdom bij Jezus Christus.

In de dienst der schaduwen kon men van deze waarheid ůůk een afbeelding vinden. Van gewone offers mocht het vlees in de tempel door de priesters gegeten worden, maar van de dieren, waarop de zonden van het gehele volk op grote verzoendag gelegd waren, mocht het vlees niet gegeten worden. Als door het bloed de verzoening tot stand gebracht was, werd het vlees buiten de legerplaats (waar het volk dus zijn tenten in de woestijn opgeslagen had, verspreid om de tabernakel) verbrand. Het werd dus buiten de tabernakel en buiten de tentenkring prijsgegeven aan het vuur. Het offer van Jezus werd geheel buiten de poort gebracht. Zelfs zijn bloed kwam niet in de tempel. Zijn lichaam werd buiten de poort prijsgegeven aan de machten der duisternis. Moest oud-IsraŽl, om de tijdelijke en gedeeltelijke verzoening te ontvangen, nog in de tempel zijn, wij kunnen buiten deze heilige plaats onze totale en eeuwige verzoening ontvangen.

 

HebreeŽn 13:13-14 


Laten wij derhalve tot Hem uitgaan buiten de legerplaats en zijn smaad dragen. Want wij hebben hier geen blijvende stad, maar wij zoeken de toekomstige.

Daarom kan de jood geheel buiten de tempeldienst, wanneer hij zijn verzoening vindt in Jezus Christus die buiten de legerplaats geleden heeft. Hij is daar als een gesmade en vervloekte gestorven, maar in zijn bloed hebben wij met de joden aan wie de apostel schrijft, vergeving ontvangen. Wij hebben deel aan zijn smaad, zoals wij ook deel krijgen aan de heerlijkheid van zijn opstanding. Paulus predikte 'een gekruisigde Christus, voor joden een aanstoot, voor heidenen een dwaasheid, maar voor hen, die geroepen zijn (en die dus tot Hem uitgaan buiten de legerplaats), joden zowel als Grieken, prediken wij Christus, de kracht Gods en de wijsheid Gods' (1 Cor. 1:23,24).

Wij willen bij Hem gerekend worden die op aarde gesmaad werd en veracht was, in het bijzonder door de joden. Wij zoeken ons heil bij iemand die op aarde uitgestoten werd, maar die tevens een levende en verse weg baande door de hemelse gewesten. Wij zoeken niet iets dat op aarde aanzien, eer en grootheid heeft, maar wij zoeken het Jeruzalem dat boven is en de tempel Gods in de hemelse gewesten. Deze stad en tempel blijven ook in de toekomst, terwijl al het aardse voorbijgaat.

 

HebreeŽn 13:15 


Laten wij dan door Hem Gode voortdurend een lofoffer brengen, namelijk de vrucht onzer lippen, die zijn naam belijden.

'DŠn door Hem' wijst terug op het deel hebben aan het lijden en sterven van Jezus, waarover in de vorige verzen gesproken was en waardoor wij de schulddelging ontvingen. De apostel wekt nu op dat wij als tegenprestatie God een lofoffer zullen brengen met onze mond. Na de schuldvergeving zijn wij immers overgezet in het Koninkrijk Gods, waar vrede en blijdschap is. Onze voortdurende dank hiervoor wordt vergeleken met het lofoffer bij de joodse godsdienst (Lev. 7:12). Het 'voortdurend' lofoffer wijst erop dat deze gezindheid en positieve belijdenis er onder alle, dus ook onder moeilijke, omstandigheden moet zijn. Zo'n offer is Gode welbehaaglijk, want er staat: 'Wie lof offert, eert Mij', en baant de weg, dat Ik hem Gods heil doe zien' (Ps. 50:23).

De duivel wil dat Gods kinderen negatief gaan belijden: hun zondigheid, hun ellende, de moeilijkheden en de onbekwaamheid tot het goede. Het is de wil van de Heer evenwel dat wij te allen tijde in het geloof positief staan en zo ook spreken. De uitdrukking 'de vrucht der lippen' is ontleend aan Hosea 14:3 en wel naar de Griekse vertaling. Daar wordt evenwel gesproken over het doen van schuldbelijdenis, als offer, dus een typisch verschil tussen het Oude en het Nieuwe Testament, want onze zonden zijn verzoend en wij offeren lof en dank. Onze lippen belijden de naam van Jezus als schuldvergever, verlosser, doper met de Geest en leidsman ten leven.

 

HebreeŽn 13:16 


En vergeet de weldadigheid en de mededeelzaamheid niet, want in zulke offers heeft God een welgevallen.

Sprak vers 15 over onze instelling in de hemelse gewesten, dit vers spreekt over onze houding op aarde tegenover onze broeders en zusters en onze medemensen. Brachten wij aan God geestelijke offers, in de natuurlijke wereld zullen wij ons opofferingen moeten getroosten van tijd, geld, bezit en van krachten. Tegenover onze naaste hebben wij aan woorden alleen niet genoeg. Deze moeten vergezeld worden van daadwerkelijke hulp. 'Stel, dat een broeder of zuster gebrek heeft aan kleding en dagelijks voedsel, en iemand uwer zegt tot hen: Gaat heen in vrede, houdt u warm en eet goed, zonder hen echter van het nodige voor het lichaam te voorzien, wat baat dit?' (Jac. 2:15,16).

Voor ons is het niet meer nodig om met offers in natura voor Gods aangezicht in de tempel te verschijnen, maar ten opzichte van onze naaste moeten wij mededeelzaam zijn en hem weldadigheid bewijzen. Ook zullen wij onze offers moeten brengen ten bate van de natuurlijke behoeften van de gemeente. Het werk moet immers voortgang kunnen vinden. Daarom is onze vaste bijdrage Gode welbehaaglijk.

 

HebreeŽn 13:17 


Gehoorzaamt uw voorgangers en onderwerpt u aan hen, want zij zijn het, die waken over uw zielen, daar zij rekenschap zullen moeten afleggen. Laten zij het met vreugde kunnen doen en niet al zuchtende, want dat zou u geen nut doen.

Voorgangers zijn zij die in de gemeente leiding geven (zie vers 7). Zij doen dit in de naam des Heren, dus naar diens wil en naar zijn aanwijzingen. De gemeenteleden zijn aan deze voorgangers erkenning en gehoorzaamheid verschuldigd. Zij zijn verantwoordelijk voor de opvoeding der gemeenteleden. Zoals een ongehoorzaam kind onopvoedbaar is in de natuurlijke wereld, zo is een ongehoorzaam gemeentelid onopvoedbaar in de geestelijke wereld.

De leden moeten niet alleen horen wat van Godswege door de voorgangers tot hen gezegd wordt, maar zij moeten er ook naar handelen. Vanzelfsprekend legt dit aan de voorgaande broeders grote verantwoordelijkheid op. Dezen mogen de gemeente niet misleiden, dus geestelijk op een verkeerde weg brengen. Zij mogen ook niet ondoordacht praten, maar moeten zich bewust stellen onder de leiding van de Geest die in hen woont. Er is veel kennis en goddelijke wijsheid nodig om een gemeente te leiden en zů te waken, dat de zielen niet op een of andere wijze door de machten der duisternis verleid of beschadigd worden.

De leiders zijn rekenschap van hun spreken en handelen ten opzichte van de gemeente aan hun Heer verschuldigd. Het is voor hen een heerlijke ervaring eenmaal te horen, dat zij hun werk als trouwe dienstknechten 'wťl' gedaan hebben. Een volgzame en geestelijk goed ontwikkelde gemeente geeft de leiders vreugde en blijdschap, maar ongehoorzame en dwarsliggende broeders en zusters veroorzaken moeiten en zuchten. De laatste categorie heeft ook zelf geen nut of baat bij het evangelie. Paulus waarschuwt in Romeinen 16:17 dat men mensen, die onenigheden en verleidingen veroorzaken, moet mijden.

 

HebreeŽn 13:18-19 


Bidt voor ons, want wij vertrouwen, dat wij een goed geweten hebben, daar wij in alle opzichten de rechte weg willen gaan. Met des te meer nadruk vermaan ik u dit te doen, opdat ik u te eerder teruggegeven moge worden.

Paulus is ook een leidende broeder en hij weet hoe zwaar deze taak is, vooral omdat de zorg van zovele gemeenten op hem drukt, terwijl hij door velen tegengewerkt en belasterd wordt. Daarom vraagt hij: 'Bidt voor ons' die rondreizen met het evangelie van het Koninkrijk der hemelen. Hij wil dat ze in de hemelse gewesten met hem strijden, opdat het evangelie zijn werk kan doen. Hij is van zichzelf en van zijn helpers overtuigd, dat ze de goede koers houden. Dit willen ze en daar hun geweten hen niet beschuldigt, zijn ze overtuigd dat ze recht staan tegenover God en de mensen. Anders zouden immers hun geest en Gods Geest wel een waarschuwing laten horen en hen van kwaad overtuigen, zoals Jezus ook eenmaal sprak: 'Wie overtuigt Mij van zonde?'

De leer van Paulus die het heil aan de heidenen bracht zonder enige Joodse zuurdesem, was een struikelblok voor vele joods-christelijke gemeenten. Paulus is overtuigd dat hun medeleven en hun gebed ertoe zal bijdragen hem beter te verstaan en zijn arbeid te erkennen als van God opgedragen. Hij heeft deze brief dan ook geschreven om duidelijk uiteen te zetten waarom de bediening der schaduwen verdwenen was. Van hun begrip en gebed verwacht hij veel toenadering in hun gezindheid ten opzichte van zijn werk en van zijn persoon.

 

HebreeŽn 13:20-21 


De God nu des vredes, die onze Here Jezus, de grote herder der schapen door het bloed van een eeuwig verbond heeft teruggebracht uit de doden, bevestige u in alle goed, om zijn wil te doen, terwijl Hij aan ons doe, wat in zijn ogen welbehagelijk is door Jezus Christus. Hem zij de heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen.

'De God nu des vredes' is de Vader in de hemel die met en voor de mens vrede gemaakt heeft door Jezus Christus, want Hij heeft onze Here Jezus teruggebracht uit het dodenrijk door zijn Heilige Geest (Rom. 8:11). Jezus wordt duidelijk geÔdentificeerd met de uitdrukking: 'De grote herder der schapen door het bloed van een eeuwig verbond'. Hij heeft immers door zijn bloed of door zijn lijden de schapen verworven 'Gode ten eigendom' en de Vader heeft Hem daarom gemaakt tot een leider of herder. Hij heeft Hem de naam gegeven boven alle naam (Filip. 2:9,10). Hij zal vele zonen tot heerlijkheid leiden (Hebr. 2:10) en hen als de goede herder leiden in grazige weiden en 'hen voeren naar waterbronnen des levens' (Openb. 7:17).

Wij denken dus achter het woord 'verbond' een komma, zodat 'het bloed van een eeuwig verbond' betrekking heeft op 'de grote herder der schapen' en niet op 'teruggebracht'. De Canisiusvertaling heeft: 'De God van vrede, die Jezus onze Heer, van de doden heeft opgewekt, de grote herder der schapen door het bloed van een eeuwig verbond'. Ook andere vertalingen geven soortgelijk inzicht. De hoofdzin is dus: 'De God des vredes bevestige u om zijn wil te doen'. God heeft eerst vrede gemaakt, toen Jezus teruggebracht uit de doden, daarna Hem als opperherder aangesteld en nu spreekt de apostel de wens uit, dat deze God hen zal toerusten door de Heilige Geest tot alle goed werk, zodat zij naar zijn wil kunnen wandelen. Zo schept Hij in ons allen wat in zijn ogen welbehaaglijk is door Jezus Christus, dat betekent: op deze wijze wordt in ons allen het beeld van Jezus Christus openbaar. In vers 21 moeten wij 'u' en 'ons' dus niet als tegenstellingen zien.

De Statenvertaling luidt: 'Die volmake u in alle goed werk, opdat gij zijn wil moogt doen, werkende in u, hetgeen voor Hem welbehaaglijk is, door Jezus Christus'.

Ten slotte eindigt de apostel, nu hij aan het einde van zijn brief is gekomen, met de lofprijzing: 'Hem zij de heerlijkheid in alle eeuwigheid'. De eer en de roem van het ganse herscheppingswerk komen toe aan de God des vredes tot in de eeuwen der eeuwen.

'Amen' wijst op de zekerheid van het stellig gebeuren dezer dingen.

 

HebreeŽn 13:22 


Ik vermaan u, broeders, houdt mij dit woord van vermaning ten goede, want ik schrijf u maar kort.

Paulus heeft deze brief aan zijn joodse broeders geschreven en zij klinkt misschien voor velen van hen als een terechtwijzing, omdat zij nog teveel aan het oude vasthielden. Hij verzoekt hun nu vriendelijk om datgene wat hij geschreven heeft, gewillig ter harte te nemen. Er was nog veel meer te schrijven en te verduidelijken, maar het bestek van zijn brief liet dit niet toe. Hij schreef maar kort ten opzichte van het belangrijke onderwerp dat hij behandelde. Wij merken nog op dat Paulus in deze hele brief aan de HebreeŽn nergens spreekt over een te verwachten herstel van IsraŽl, met zijn stad, tempel en offeranden en ceremoniŽn. Evenmin doet Jacobus dit in zijn brief aan 'de twaalf stammen in de verstrooiing'.

 

HebreeŽn 13:23-25 


Weet, dat onze broeder Timoteus in vrijheid gesteld is; als hij spoedig komt, zal ik met hem u bezoeken. Groet al uw voorgangers en al de heiligen. De broeders uit ItaliŽ laten u groeten. De genade zij met u allen.

Het is mogelijk dat TimůtheŁs een tijd lang gevangen gezeten heeft, maar wij lezen hier verder nergens van. Waarschijnlijker betekent deze uitdrukking dat de apostel TimůtheŁs de vrijheid gaf hen te bezoeken, zoals hij dit ook deed bij de CorinthiŽrs (1 Cor. 4:17). Indien TimůtheŁs spoedig op reis zou gaan, zou de apostel zelf meekomen. TimůtheŁs was een jonge man die Paulus op zijn reizen vergezelde en door deze dikwijls met een bepaalde opdracht werd uitgezonden. Alleen in de brieven van Paulus komt zijn naam voor. Een reden temeer om, met de kerk van de oudheid, aan te nemen, dat Paulus de schrijver van deze brief was. Zo noemde hij in zijn andere brieven TimůtheŁs ook altijd 'broeder' (2 Cor. 1:1, Col. 1:1 en 1 Thess. 3:2).

De uitdrukking: 'De broeders uit ItaliŽ laten u groeten' wekt de gedachte dat de schrijver in ItaliŽ vertoefde. De woorden 'uit ltaliŽ' wijzen dan op de positie van de lezers buiten dit land. Evenals in zijn andere brieven eindigt de apostel, met de geestelijke leiders en de toegewijde heiligen te groeten. Hij wenst dat de genade en de zegeningen van God al zijn lezers ten deel zouden vallen. De genade, de menigerlei genade of de rijkdom van genade omvat het hele pakket van Gods gunstbewijzen. Wanneer al de bewijzen van zijn gunst met ons zijn, kunnen wij daarvan overvloedig leven, zoals ook de Heer tot Paulus sprak, dat zijn genade voor de apostel genoeg was, dit wil zeggen ruim voldoende om te leven in de geestelijke wereld en om stand te houden in de natuurlijke.

 
vorige pagina terug width=32 height=32></a>
		<a href=volgende pagina