Stichting Uitgeverij Rhemaprint

de brief aan de HebreeŽn
beknopte kanttekeningen door J.E. van den Brink

 
vorige pagina volgende pagina

HebreeŽn 9
vers 1-28


 

HebreeŽn 9:1 


Nu had ook wel het eerste verbond bepalingen voor de eredienst en een heiligdom voor deze wereld.

In de vorige hoofdstukken begon Paulus met vergelijkingen te trekken tussen het oude en het nieuwe verbond. Hij was tot de conclusie gekomen dat Jezus de middelaar was van een beter verbond, waarvan de rechtskracht op betere beloften berust (Hebr. 8:6). Het nieuwe verbond is hoger en verhevener en de beloften ervan behoren tot de onzienlijke wereld. De eredienst van het oude verbond was dan ook slechts een schaduw van de hemelse werkelijkheid. In dit hoofdstuk gaat Paulus nu verder met dit onderwerp, door een vergelijking te trekken tussen het aardse heiligdom in het oude verbond en het hemelse van het nieuwe.

Toen Mozes van God de opdracht kreeg een tabernakel of tent te bouwen, werd hem eerst de hemelse werkelijkheid getoond en toen kreeg hij op de berg SinaÔ de opdracht deze onzienlijke realiteit te symboliseren in de tabernakel. Mozes heeft dit getrouw gedaan. Wij begrijpen daarom nu dat de gehele tabernakel met zijn eredienst een uitdrukking is van het verlossings- en heilsplan dat in het nieuwe verbond tot werkelijkheid werd. In het oude verbond was de dienst van God verbonden met allerlei bepalingen, inzettingen en voorschriften, die in gehoorzaamheid moesten onderhouden en uitgevoerd worden door degenen die in God en in zijn woord geloofden.

Door dit allemaal te doen, openbaarden zij hun geloof en hun gehoorzaamheid en deze beide werden de mens in het oude verbond tot gerechtigheid gerekend. Zij waren dan rechtvaardigen naar de wet. Wie zo handelde of deed, had 'leven' op deze aarde, want 'wie dit doet, zal daardoor leven' (Gal. 3:12).

 

HebreeŽn 9:2 


Want er was een tent ingericht, de voorste, waarin de kandelaar en de tafel met de toonbroden stonden; deze werd het heilige genoemd;

Paulus spreekt nu over de inrichting van het heilige en van het heilige der heiligen. Hij laat zien dat alles aan vaste voorschriften verbonden was en voor IsraŽl van betekenis was, maar ook een doel had, als schaduw van het nieuwe verbond. Hij spreekt hier evenwel nog niet over de voorhof, waarin het brandofferaltaar en het koperen wasvat stonden.

Hij begint met de afzonderlijke tent die opgericht was en die twee vertrekken had: het heilige en het heilige der heiligen. Deze beide waren van elkander gescheiden door een voorhang. De priesters kwamen waarschijnlijk door de eerste voorhang in het heilige. 'Het tweede voorhang' was de scheiding tussen het heilige en het heilige der heiligen. Er zijn evenwel ook andere uitleggingen, maar de bijbel spreekt niet van een dubbele voorhang tussen de vertrekken.

De tweede voorhang ging slechts eenmaal per jaar open, wanneer de hogepriester op grote verzoendag driemaal binnenging. De eerste maal met het wierookvat, om de ark met een liefelijke geur te omringen, beeld van de gebeden van het volk. Daarna met het bloed van een var of jonge stier, om eigen dwalingen of zonden in onwetendheid bedreven, te verzoenen (Lev. 16). Tenslotte ging hij met het bloed van een bok naar binnen om de zonden van het volk te verzoenen.

In het heilige, waar ook de priesters toegang hadden, stond de zevenarmige kandelaar, waarvan de lampen altijd brandende moesten zijn. Dit was het beeld van de gelovigen, die leven hadden en licht verspreidden. In Openbaring 1 is de kandelaar beeld van de gemeente, die het licht der wereld is. De olie in de kandelaar is het beeld van de menselijke geest en de Heilige Geest, die tezamen het goddelijke licht en leven op aarde openbaren. Daar stond ook de tafel met toonbroden. Deze waren het beeld van het woord Gods, dat de 12 stammen van het volk IsraŽl voedde en in stand hield. Het waren heilige, ongezuurde broden en iedere sabbat moesten zij door nieuwe vervangen worden. Zo is Gods woord heilig, dus zonder zuurdesem en telkens weer nieuw. Jezus, als het woord Gods, sprak: 'Ik ben het brood des levens'. Zoals Hij slechts ťťn keer zijn bloed behoefde te geven, zo behoefde Hij slechts ťťn maal zijn vlees te geven om de gelovigen eeuwig Ieven te schenken (Joh. 6:48-51).

 

HebreeŽn 9:3-4 


en achter het tweede voorhangsel was een tent, genaamd het heilige der heiligen, met een gouden reukofferaltaar en de ark des verbonds, rondom met goud overtrokken, waarin zich bevonden een gouden kruik met het manna, de staf van Ašron, die gebloeid had, en de tafelen des verbonds;

Tegen het tweede voorhangsel stond het reukofferaltaar, dat door Paulus hier al tot het heilige der heiligen gerekend wordt. Hierop werd iedere dag reukwerk geofferd dat bereid was volgens een vast en heilig recept (Num. 16). Het is het beeld van de gebeden, de lofzangen en de aanbidding van het volk Gods. De geur ervan verspreidde zich ook in het heilige der heiligen en wanneer het met oprecht hart gebracht werd, was het een liefelijke reuk voor de Heer. In het heilige der heiligen troonde op deze wijze de Heer op de lofzangen en op de aanbidding van zijn volk. Ook in het Nieuwe Testament lezen wij over het reukofferaltaar en het reukwerk in het hemelse heiligdom (Openb. 5:8 en 8:3-5).

In het heilige der heiligen stond ook de ark des verbonds, beeld van de troon van God. Vanuit deze verborgenheid regeerde de Heer zijn volk. Daar waren de twee stenen tafelen, waarop Gods vinger de wet geschreven had. Daarin of daarnaast lag de staf van Ašron die gebloeid had, ten teken dat Ašron door God tot hogepriester was verordineerd. Vanuit het heilige der heiligen klonk Gods woord tot het volk, dat hun leven voedde, zoals het manna hun lichamen.

 

HebreeŽn 9:5 


daarboven waren de cherubs der heerlijkheid, die het verzoendeksel overschaduwen; hierover kunnen wij nu niet in bijzonderheden treden.

Op de ark lag het verzoendeksel, waarboven de cherubs der heerlijkheid hun vleugels uitbreidden. Hun gezichten waren gericht naar het verzoendeksel, omdat zij begerig waren in te blikken in het mysterie van verzoening en herstel. De engelen zagen wel het bloed dat gesprenkeld werd op het verzoendeksel, maar zij konden noch de werkelijkheid van dit symbool verstaan, noch de konsekwenties ervan voor het volk van God ten volle begrijpen. Het herstel van de mens vanuit de macht van satan tot het zitten op de troon kon door hen niet begrepen worden, voordat het realiteit zou worden in het nieuwe verbond. Zij kennen immers wat henzelf betreft, geen genade of verzoening of herstel. Het goud in het heiligdom wees op zuiverheid en heerlijkheid.

 

HebreeŽn 9:6-8 


Dit was dan aldus ingericht, en de priesters kwamen bij het vervullen van hun diensten voortdurend in de voorste tent, maar in de tweede alleen de hogepriester, eenmaal in het jaar, niet zonder bloed, dat hij offerde voor zichzelf en voor de zonden door het volk in onwetendheid bedreven. Daarmede gaf de Heilige Geest te kennen, dat de weg naar het heiligdom nog niet openlag, zolang de eerste tent nog bestond.

Wij komen nu tot een kenmerkend verschil tussen de aardse tabernakel en de hemelse in het nieuwe verbond. De aardse tent had een voorhangsel dat het heilige der heiligen, waar God woonde, scheidde van het heilige, waar de priesters hun werk verrichtten. Tijdens het oude verbond was er ook een scheiding in de onzienlijke wereld tussen de hemel, die van de Here was en de aarde, die God aan de mensenkinderen gegeven had (Ps. 115:16). Dit gold ook voor de gelovigen van het oude verbond, omdat het Koninkrijk der hemelen nog een verborgenheid was.

Zelfs de priesters die afgezonderd waren voor de dienst in het heiligdom, waren niet zo rein dat zij het heilige der heiligen mochten binnengaan. Zij waren geen volmaakt rechtvaardigen. Toen Jezus de zondeschuld der gehele wereld weggenomen had, en hen die in Hem geloofden volkomen gerechtvaardigd had, werd de weg geopend naar de troon van God. In de bedťling der schaduwen werd bij het sterven van Jezus de voorhang van boven naar beneden gescheurd. Dit betekende dat vanuit de onzienlijke wereld, uit de hoge, de scheiding werd weggenomen. leder kind van God mag met vrijmoedigheid het Koninkrijk Gods binnengaan.

Er is sprake van de Heilige Geest die in het oude verbond bij het oprichten van de tabernakel iets te kennen gaf. Daaruit concluderen wij dat Mozes, bij de bouw, door de Heilige Geest geÔnspireerd werd. Wanneer een IsraŽliet een zonde gedaan had, waarvan hij zich bewust was, moest hij naar de voorschriften der wet handelen om hiervoor vergeving te ontvangen. Maar soms deed hij zonde in onwetendheid, waarvoor hij natuurlijk geen offer bracht. Toch bleef er schuld achter op zo'n onbewuste overtreding. Op de grote verzoendag werd eenmaal per jaar deze schuld weggenomen door het bloed der verzoening, dat de hogepriester, als type van Jezus, op het verzoendeksel sprenkelde. Om als een rechtvaardige binnen te gaan, moest de hogepriester eerst voor zichzelf voor de zonden in onwetendheid bedreven, een offer brengen.

 

HebreeŽn 9:9-10 


Dit was een zinnebeeld voor de tegenwoordige tijd, in zoverre gaven en offers gebracht werden, die niet bij machte waren hem, die God daarmede dient, voor zijn besef te volmaken, daar zij met hun spijzen en dranken en onderscheiden wassingen slechts bepalingen voor het vlees zijn, opgelegd tot de tijd van het herstel.

De wet bepaalde de IsraŽlieten alleen bij zonde in de zichtbare wereld. Alleen voor deze kon hij verzoening doen en vergeving ontvangen. De heiligings- en reinigingswetten worden dan ook bepalingen voor het vlees genoemd, dit wil zeggen voor de uitwendige mens. De innerlijke mens werd niet gereinigd en ook niet verlost. Ondanks de offers, wassingen en reinigingen, bleven de FarizeeŽn en schriftgeleerden van binnen onrein en werden zij vergeleken met wit gepleisterde graven.

Al werd de wet nog zo consciŽntieus gehouden, zij kon het volmaakte niet brengen. Innerlijk, voor zijn besef, of voor zijn geweten, was de oudtestamentische gelovige zich hiervan bewust. Het volmaakte is immers, na het ontvangen van een volkomen rechtvaardigheid, het opgroeien naar de volle wasdom. De wetten en inzettingen waren goed en nuttig in het oude verbond, maar toen het nieuwe verbond kwam en van kracht werd, brak de tijd van het herstel aan, van de vernieuwing van binnenuit, door de kracht van de Heilige Geest.

 

HebreeŽn 9:11-12 


Maar Christus, opgetreden als hogepriester der goederen, die gekomen zijn, is door de grotere en meer volmaakte tabernakel, niet met handen gemaakt, dat is, niet van deze schepping, en dat niet met het bloed van bokken en kalveren, maar met zijn eigen bloed eens voor altijd binnengegaan in het heiligdom, waardoor Hij een eeuwige verlossing verwierf.

De aardse hogepriester bracht een tijdelijke en een gedeeltelijke verzoening en rechtvaardiging tot stand. Dit waren de goederen die aan de gelovigen in het oude verbond ten deel vielen. Maar Christus ging het Koninkrijk Gods binnen met zijn eigen bloed, dat is met zijn onzichtbaar leven. Hiermee betaalde Hij de schuld van het ganse menselijke geslacht, hetzij de bewuste, hetzij de onbewuste schuld. De volmaakte tabernakel is het Koninkrijk Gods, waar wij binnengaan als priester, ons reukwerk, in gebeden en lofprijzingen, brengen en waaruit wij ons licht laten schijnen als een kandelaar en waar wij ons voeden met het brood des levens (toonbroden). Dit Koninkrijk behoort niet tot deze schepping, maar is van eeuwigheid.

Het lam dat in deze tabernakel zijn leven gaf, was van eeuwigheid in Gods gedachten geweest. Het was immers geslacht vanaf de grondlegging der wereld. Jezus zelf was schuldeloos en volmaakt, want de Vader had Hem geheiligd en in de wereld gezonden als de eersteling van een nieuwe schepping. Het leven van deze kostbare eersteling was voldoende om de schuld van de mensheid van alle tijden en van alle plaatsen te voldoen. Er is sprake van een eeuwige verlossing of vrijkoping, die dus niet meer herhaald behoeft te worden, of waaraan iets moet worden bijgevoegd. Tot zijn rechtvaardiging behoeft de nieuwtestamentische belijder niets anders op te brengen dan geloof. In 1 Johannes 2:2 wordt gezegd, dat Christus een verzoening is voor de zonde der gehele wereld, dat is van de ganse kosmos, zoals er letterlijk staat.

 

HebreeŽn 9:13-14 


Want als reeds het bloed van bokken en stieren en de besprenging met de as der vaars hen, die verontreinigd zijn, heiligt, zodat zij naar het vlees gereinigd worden, hoeveel te meer zal het bloed van Christus, die door de eeuwige Geest Zichzelf als een smetteloos offer aan God gebracht heeft, ons bewustzijn reinigen van dode werken, om de levende God te dienen?

Het bloed van bokken en stieren, dagelijks geofferd op het brandofferaltaar en ook eenmaal per jaar gebracht als offer op de grote verzoendag, gaf een reiniging van de uitwendige zonden. Wie in het geloof zulk een offer bracht, was rein naar het vlees, en rechtvaardig naar de wet. Over de besprenging met de as der vaars lezen we in Numeri 19. Een jonge koe werd verbrand en haar as, die buiten de legerplaats bewaard was, werd vermengd met levend of stromend water. Zo ontstond het reinigingswater, waardoor iemand gereinigd werd die een dode aangeraakt had. Hiermede werd ook de tent gereinigd en alle voorwerpen in de tent waar de dode gelegen had. Er was dan door het geloof kracht in het bloed en kracht in het reinigingswater, want men moest aanvaarden dat men vrij en rein was, omdat God dit gezegd had.

In het nieuwe verbond is de gelovige, van de zonde en van de schuld gereinigd, door het bloed van een veel hoger offer, dat van een volmaakt mens die geen zonde gekend of gedaan had. Deze werd niet geofferd, maar gaf Zichzelf over. Zijn offer was niet alleen voldoende voor de openlijke, maar ook voor de 'verborgen' zonde die in de gedachtewereld begaan was.

Waarom was Jezus een smetteloos offer? Ten eerste omdat de Vader Hem tot zijn volwassenheid geheiligd had en ten tweede, omdat de Heilige Geest waarmee Hij gedoopt was, Hem bewaard had. Aan het einde van zijn leven kon Hij zeggen: 'Ik heb U verheerlijkt op de aarde door het werk te voleindigen, dat Gij Mij te doen gegeven hebt, en nu, verheerlijk Gij Mij, Vader, bij Uzelf met de heerlijkheid, die Ik bij U had eer de wereld was (Joh. 17:4,5).Jezus had recht op de heerlijkheid van de Zoon van God, omdat Hij Zich in alles als een volmaakt en volwassen geestelijk mens geopenbaard had: 'Ik heb uw naam (dat is het wezen van God) aan de mensen geopenbaard' (Joh. 17:6).

De eeuwige Geest doelt dus op de Vader Zelf, die van eeuwigheid is (de Eeuwige), als ook op de Heilige Geest die van Hem uitgaat en die onlosmakelijk met Hem verbonden is. Deze Geest had Hem bewaard voor iedere vorm van zonde of wetteloosheid of aantasting. Jezus was niet misvormd of ziek. Denk ook aan de verzoeking in de woestijn, waar Hij smetteloos doorheen kwam. Door de Geest geleid, wijdde Jezus Zich toe aan de Vader. Nadat Hij zijn werk op aarde voltooid had, leidde deze Geest Hem tenslotte, om Zich als offer voor de gehele mensheid beschikbaar te stellen: 'Vader, uw wil geschiede!' Dit offer was zo waardevol, dat niet alleen een uitwendige reiniging tot stand kwam, maar ook ons bewustzijn gereinigd werd, dit wil zeggen dat onze innerlijke mens erdoor gezuiverd werd van alle besef van kwaad (Hebr. 10:22).

Dode werken zijn daden die verricht worden in gemeenschap met boze geesten en zij laten een schuldenlast achter, die naar de dood voert. Zelfs de werken der wet worden in het nieuwe verbond dode werken, doordat ze geen enkel nut meer hebben tot reiniging. Eerst wanneer wij door het zoenoffer van Christus volkomen gerechtvaardigd zijn, worden wij bekwaam, in gemeenschap met God te treden en Hem te dienen.

 

HebreeŽn 9:15 


En daarom is Hij de middelaar van een nieuw verbond, opdat, nu Hij de dood had ondergaan, om te bevrijden van de overtredingen onder het eerste verbond, de geroepenen de belofte der eeuwige erfenis ontvangen zouden.

Door zijn gehoorzaam brengen van offers, rekende God in het oude verbond de gelovige de zonde niet meer toe. Er is sprake van toegerekende rechtvaardigheid. Men kan bijvoorbeeld een huis gekocht en nog niet betaald hebben, of het bezitten met een grote hypotheek. Men beschouwt het huis dan wel als zijn eigendom, maar reŽel is dit nog niet. Dit wordt pas zo, als alles betaald is.

Er werd in het oude verbond uitgezien naar het ware offer, dat geen toegerekende rechtvaardigen heeft, maar volkomen of werkelijke rechtvaardigen. Het offer van Jezus maakte ook de schaduwachtige rechtvaardiging tot werkelijkheid. Vandaar dat vele ontslapen heiligen uit het oude verbond, overgeplaatst werden uit het dodenrijk naar het Paradijs Gods bij de opstanding van Jezus.

Jezus is middelaar, omdat Hij bemiddelt tussen een heilig God en een zondig volk. Mozes was middelaar van het oude verbond, maar Jezus middelaar van een nieuw verbond, op betere beloften gegrond. Het oude verbond had alleen de belofte van een toegerekende rechtvaardigheid, het nieuwe verbond had een betere belofte, namelijk de werkelijke rechtvaardiging en bovendien nog een eeuwige erfenis. Deze bestaat uit: doop in de Heilige Geest, waardoor wij de goddelijke natuur deelachtig worden, verlossing uit de macht van boze geesten, de genezing van de totale mens, het opwassen tot het zoonschap en het zitten op de troon van God. 'Wie overwint, zal deze dingen beŽrven' (Openb. 21:7).

De geroepenen zijn zij die 'deelgenoten zijn der hemelse roeping' (Hebr. 3:1). Gods woord roept ons om het offer van Jezus aan te nemen en dan kinderen en zonen Gods te worden, dus geestelijke mensen die bekwaam zijn in de hemelse gewesten hun plaats in te nemen.

 

HebreeŽn 9:16-17 


Want waar een testament is, moet noodzakelijk van de dood van de erflater melding gemaakt worden; een testament toch wordt alleen van kracht, indien er iemand gestorven is, daar het nog geen gevolg heeft, zolang de erflater leeft.

De (eeuwige) erfenis wordt door de erfgenamen in ontvangst genomen, wanneer de erflater gestorven is. Jezus kon de erfenis in bezit nemen krachtens zijn leven, want Hij hoefde het Gode gelijk zijn niet tot een roof te achten. Hij vraagt ook: 'Verheerlijk Mij nu met de heerlijkheid die Ik bij U had, eer de wereld was' (Joh. 17:5). Dit kon Hij bidden tijdens zijn leven op aarde. Maar Gods belofte was dat in Abrahams zaad alle geslachten der aarde zouden gezegend worden. Gods belofte, zijn verbond of zijn testament was dus bestemd voor vele erfgenamen.

Vele zonen zouden tot heerlijkheid gebracht worden (Hebr. 2: 10), maar het was noodzakelijk dat eerst het vleesgeworden Woord Gods, de Middelaar tussen God en de mensen, het offer van zijn leven bracht om de gelovigen de mogelijkheid te verschaffen de erfenis in bezit te nemen. Zolang Jezus op aarde leefde, werd zelfs het onderpand, de Heilige Geest, niet uitgestort, maar nadat Hij gestorven en opgestaan was, kreeg het testament of verbond rechtskracht of gevolg.

 

HebreeŽn 9:18-21 


Daarom is ook het eerste verbond niet zonder bloed ingewijd. Want nadat door Mozes elk gebod volgens de wet aan al het volk was medegedeeld, nam hij het bloed der kalveren en der bokken met water, scharlaken wol en hysop en besprengde het boek zelf en al het volk, zeggende: Dit is het bloed van het verbond, dat God u heeft voorgeschreven. En ook de tabernakel en al het gereedschap voor de eredienst besprengde hij evenzo met bloed.

Als beeld van het sterven van de erflater moest voor de inwijding van het oude verbond een dier geslacht worden en zijn bloed gebruikt worden ter inwijding. We lezen hiervan in Exodus 24:4-8: nadat Mozes de inhoud van de wet ter kennis van het volk gebracht had, werd het volken alles wat verder nog afgezonderd, geheiligd en gereinigd moest worden, besprengd met bloed. Zo wordt in het nieuwe verbond eerst het evangelie verkondigd en worden ook allen die door het geloof deel hebben aan het bloed van Jezus Christus, afgezonderd, gereinigd en geheiligd.

 

HebreeŽn 9:22 


En nagenoeg alles wordt volgens de wet met bloed gereinigd, en zonder bloedstorting geschiedt er geen vergeving.

Hoewel van een Oud Testament sprake is, kan toch opgemerkt worden dat bij het in werking treden ervan de testamentmaker toen nog niet overleden was. Wel vloeide er bloed, maar dit was voor de reiniging der zonden. Slechts een enkele maal werd water gebruikt bij kleine verontreinigingen (Lev. 15:5). 'Het bloed bewerkt verzoening door middel van de ziel', staat er in Leviticus 17:11. Op deze wijze werd in het oude verbond de noodzakelijkheid en het gewicht van het offer voorgesteld. Zo profeteerde, leerde en evangeliseerde de wet in schaduwen van Christus, die de verzoening van de zonde der gehele mensheid met zijn bloed teweegbracht. Jezus schikte Zich niet als priester en offer naar het oude verbond, maar de oudtestamentische offers werden gebracht als type en onder het gezichtspunt van het nieuwe verbond.

 

HebreeŽn 9:23 


Noodzakelijk moesten dus hiermede de afbeeldingen van de hemelse dingen gereinigd worden, maar de hemelse dingen zelf met betere offeranden dan deze.

De schrijver had al opgemerkt dat de aardse tabernakel een afbeelding was van de hemelse werkelijkheid. De aardse tent, de priesters, de levieten en het volk, werden gereinigd door het bloed van dieroffers op hen te sprengen. In het bloed der dieren was hun leven, maar dit was alleen aan de aarde gebonden. Hun bloed kon dus alleen dienen om de dingen van de aarde te reinigen. Om de

hemelse reiniging tot stand te brengen, moest er een leven geofferd worden, dat niet alleen aan de aarde gebonden was, maar dat zich ook kon verheffen naar de hemelse gewesten en daar functioneren. Daarom moest een mens zijn leven geven, een schuldeloze, want wanneer hij zelf zonde had, kon hij niet ingaan in het hemelse heiligdom. Met de zuivering van de hemelse dingen, wordt de reiniging van de inwendige mens bedoeld, dus het wegnemen van de schuld in de onzienlijke wereld. Een betere offerande is een hogere offerande, die een andere dimensie heeft.

 

HebreeŽn 9:24 


Want Christus is niet binnengegaan in een heiligdom met handen gemaakt, een afbeelding van het ware, maar in de hemel zelf, om thans, ons ten goede, voor het aangezicht Gods te verschijnen;

Christus was hier op aarde geen hogepriester. Het was Hem ook niet geoorloofd in het aardse heilige der heiligen binnen te gaan. Maar Hij is wel de geestelijke wereld binnengegaan als een heilige hogepriester in het Koninkrijk Gods, dat afgebeeld werd door het heilige der heiligen. Het aangezicht van God werd door de ark verzinnebeeld. Hiervoor verscheen de hogepriester eenmaal per jaar met het bloed van een dier. Christus ging in het hemelse heiligdom binnen met het leven van het lam Gods, dat als een offer gebracht was, want zijn bloed waarin zijn leven zich bevond, was uitgestort op de aarde.

 

HebreeŽn 9:25-26 


ook niet om Zichzelf dikwijls te offeren, gelijk de hogepriester jaarlijks met ander bloed dan het zijne in het heiligdom gaat, want dan had Hij dikwijls moeten lijden sinds de grondlegging der wereld; maar thans is Hij eenmaal, bij de voleinding der eeuwen, verschenen om door zijn offer de zonde weg te doen.

Een hogepriester moest ieder jaar opnieuw verzoening doen en hij kon dit ook, omdat hij niet zijn eigen leven gaf. Christus gaf zijn ganse leven op eenmaal en dit was voldoende om al de zondeschuld van het gehele menselijke geslacht weg te nemen, van hen die geleefd hadden, van hen die toen leefden en van hen die nog geboren zouden worden. Zijn bloed, dus zijn eigen leven, kon de Heer maar ťťn keer geven, maar de Vader heeft getuigd dat dit voldoende was, door Hem uit de doden op te wekken. 'Hij is opgewekt tot onze rechtvaardiging' (Rom. 4:25).

Jezus was een mens die eenmaal leefde en slechts eenmaal zijn leven kon geven. 'Het is immers de mens gesteld om ťťnmaal te sterven' (vers 27). Was er meerdere malen een offer nodig geweest om de schuld weg te nemen, dan had God weer opnieuw een mens in de wereld moeten brengen en Zelf moeten heiligen. God had van eeuwigheid en vanaf de grondlegging der wereld het lam Gods gereed. Zijn plan was in een aantal tijdperken verdeeld: de tijdperken van voorbereiding waren voorbij en in 'de volheid des tijds', bij de voleinding der eeuwen (eonen), werd Jezus geboren en bracht Hij zijn offer. Het woord zonde komt in de bijbel in verschillende betekenissen voor. Hier is sprake van zonde als zondeschuld, 'de schat des toorns' die achterblijft na de zondedaad.

 

HebreeŽn 9:27-28 


En zoals het de mensen beschikt is, eenmaal te sterven en daarna het oordeel, zo zal ook Christus, nadat Hij Zich eenmaal geofferd heeft om veler zonden op Zich te nemen, ten tweeden male zonder zonde aanschouwd worden door hen, die Hem tot hun heil verwachten.

Het oordeel Gods over Jezus was, dat Deze het werk dat Hij voor God moest doen, op volmaakte wijze volvoerd had. Daarom heeft God Hem opgewekt in heerlijkheid en Hem een plaats gegeven op zijn troon. Oordeel of crisis is een scheiding tussen het goede en het kwade. Bij Jezus viel het oordeel dus volkomen positief uit. Daarom werd Hij losgemaakt uit het dodenrijk, omdat de dood alleen zůndaars vasthoudt: de bezoldiging der zonde is de dood.

De reiniging van onze zonden maakt ons ook vrij van de veroordeling. 'Wie zal beschuldiging inbrengen tegen uitverkorenen Gods?' Zo is er geen veroordeling meer voor degenen die in Christus Jezus zijn' (Rom. 8:1,33). Wij zijn immers met Christus ťťnmaal gestorven en ons leven is in Christus verborgen in God. Degene die in Christus blijft, zal naar de inwendige mens dus niet meer sterven. Wel zal hij zijn aardse lichaam moeten afleggen, maar naar zijn inwendige mens en overdekt met het kleed der gerechtigheid, leeft hij voort. Het oordeel begint voor de gelovige (voor het huis Gods) reeds op aarde. Daar is de scheiding van de machten der duisternis en daar is genezing en herstel. Het oordeel is na de dood, maar wij zijn reeds gestorven, waarvan wij in de doop getuigenis hebben afgelegd.

Christus heeft ťťnmaal de zonde op Zich genomen en is ervoor gestorven en Hij heeft voldoening gegeven voor de schuldenlast. De zonde van de wereld is dus verzoend. Door zijn opstanding is Christus van deze last bevrijd. Hij heeft deze gedragen, maar draagt hem nu niet meer. Daarom zien wij Hem nu reeds aan de rechterhand des Vaders met eer en heerlijkheid gekroond en verwachten wij van Hem, dat Hij ook ons als zonen tot heerlijkheid zal leiden; wij verwachten van Hem nu alleen heil of heling. Zij die Hem niet kennen en dus geen heil van Hem verwachten, aanschouwen Hem ook niet. Wij verwachten nu heil: verlossing, bevrijding en genezing. Wij weten dat Hij de macht ontvangen heeft ons dat heil te schenken.

 
vorige pagina terug volgende pagina