Stichting Uitgeverij Rhemaprint

de brief aan de HebreeŽn
beknopte kanttekeningen door J.E. van den Brink

 
vorige pagina volgende pagina

HebreeŽn 4
vers 1-16


 

hebreeŽn 4:1 


Laten wij daarom op onze hoede zijn, dat niemand van u, terwijl nog een belofte van tot zijn rust in te gaan bestaat, de indruk zou wekken achter te blijven.

Opnieuw is God bezig een volk uit te leiden, maar nu een nieuwtestamentisch, dat het hemelse Kanašn, het Koninkrijk Gods, binnentrekt. Op wonderlijke wijze heeft Hij het losgemaakt uit Egypte, het diensthuis der zonde, en het gebracht in het Kanašn des lichts. Jezus heeft beloofd dat zijn volk daar het heil zal ervaren en de heerlijkheid met Hem delen. Velen denken nu dat hun niets meer kan gebeuren, maar de HebreeŽnschrijver zegt hier duidelijk, dat ook nu nog de mogelijkheid bestaat om achter te blijven, om niet mee verder te trekken, zoals ook het grootste deel van het volk IsraŽl in de woestijn achterbleef. Zo woonde ook een groot gedeelte van het volk in de dagen van David wel in Kanašn, maar de beloofde zegen en de beloofde rust ervoer het niet vanwege zijn ongeloof en ongehoorzaamheid. Het hield God niet in gedachtenis.

Er is een groot gedeelte van de christenheid dat zich wel bekeerd heeft, dat wel uitgetrokken is uit het diensthuis van de zonde, maar niet leeft in de hemelse gewesten. Het hoopt eenmaal in de hemel te komen. Hun burgerschap is dus niet in de hemel, maar hun woonplaats blijft in de zichtbare wereld, uitgebeeld door het verblijf van IsraŽl in de woestijn. Anderen weten zich wel overgezet in de hemelse gewesten, maar ze leven daar in ongehoorzaamheid en in ongeloof. Zij missen de rust van het Koninkrijk Gods met zijn vrede, gerechtigheid en blijdschap.

 

hebreeŽn 4:2 


Want ook ons is het evangelie verkondigd evenals hun, maar het woord der prediking was hun niet van nut, omdat het niet met geloof gepaard ging bij hen, die het hoorden.

IsraŽl dat uit Egypte trok, had beloften. Aan dit volk was een blijde boodschap, dus een evangelie gebracht. Zij zouden komen in een land, overvloeiende van melk en honing. IsraŽl in Kanašn had rijke beloften (lees Deuteronomium 28:1-14). Zij geloofden evenwel niet in de woorden en vielen af van hun Heer, omdat zij hun vertrouwen op de afgoden stelden, wier dienst hun vleselijke begeerten tolereerde. Jezus brengt opnieuw een evangelie, doch met betere beloften, rijker inhoud en hoger doel, maar ook wij zullen in geloof ons moeten blijven richten op Gods beloften voor het nieuwe verbond, opdat het ons niet verga als het oude bondsvolk.

 

hebreeŽn 4:3 


Want wij gaan tot de rust in, wij, die tot geloof gekomen zijn, zoals Hij gesproken heeft: gelijk Ik gezworen heb in mijn toorn: Nooit zullen zij tot mijn rust ingaan, en toch waren zijn werken van de grondlegging der wereld af gereed.

Wij zijn tot geloof gekomen, dat wil zeggen: wij hebben het zoenoffer van Jezus aanvaard en op grond daarvan geloven wij dat onze schuld vergeven is en dat wij rechtvaardigen geworden zijn. Door het geloof hebben wij ook de belofte des Vaders, de doop in de Heilige Geest, ontvangen. Wanneer wij vertrouwen op de leiding van de Heilige Geest en gehoorzamen aan het Woord Gods, het pad der gerechtigheid en de weg der waarheid verder gaan, zullen wij in volkomen rust, van al onze vijanden verlost, Hem dienen en zonder vrees verder trekken.

Toch zullen er vele christenen zijn, die de rust Gods niet ingaan en het einddoel des geloofs nimmer zullen bereiken. God heeft van eeuwigheid zijn plan gemaakt en Hij werkt volgens een gemaakt bestek. Hij gaat alleen verder met degenen die zich houden aan zijn woord en zich voegen naar zijn plan. Hij is eenmaal verder gegaan met Noach, 'een man onder zijn tijdgenoten, die rechtvaardig was en wandelde met God'. Hij ging verder met Jozua en Kaleb, omdat zij volkomen trouw bleven aan de Heer (Joz. 14:8,9) en met de strijdvaardige jeugd. De Heer ging verder met David, een man naar Gods hart, en met diens nageslacht, toen de tien stammen afvielen.

In het nieuwe verbond begon God met Jezus. Daarna met de discipelen en met de eerste gemeente, 'die bleef volharden bij het onderwijs der apostelen' (Hand. 2:42). Maar in deze tekst moet Paulus de HebreeŽn al waarschuwen, dat het gevaar voor ongeloof en ongehoorzaamheid voor de deur lag voor degenen die Gods methode en manier van handelen niet kennen. Zo staat in Psalm 95:10 en 11: 'Het is een volk, dwalende van hart, en zij kennen mijn wegen niet. Daarom heb Ik gezworen in mijn toorn: tot mijn rustplaats komen zij niet!' Dwalen betekent: het geloof in Gods Woord loslaten en zich door omstandigheden of leugens laten misleiden.

 

hebreeŽn 4:4-5 


Want Hij heeft ergens van de zevende dag aldus gesproken: En God rustte op de zevende dag van al zijn werken; en hier wederom: Nooit zullen zij tot mijn rust ingaan.

In zes dagen of zes scheppingstijdperken heeft God alles gemaakt. In de eerste periode formeerde God de levenloze schepping en in de tweede periode de levende. In deze levende schepping legde Hij de mogelijkheid van ontwikkeling, groei en ontplooiing, zodat ze eenmaal aan zijn plan kon beantwoorden. Zo heeft Hij de mens gemaakt en in hem de mogelijkheid gelegd zich gaaf en wetmatig te ontplooien en te zijner tijd zich te ontwikkelen tot een geestelijk mens, passend en geschikt voor de gemeenschap met God.

'God rustte' betekent dat Hij afwachtte, zoals een landman die het koren heeft gezaaid, uitziet naar een goede oogst. God rustte van al zijn scheppingswerken, dus komt er niets nieuws meer bij, maar met hetgeen Hij geschapen heeft, zal Hij zijn ganse doel bereiken. Doch slechts met degenen die in Hem geloven en Hem gehoorzamen. De ongelovigen en ongehoorzamen zijn onopvoedbaar en brengen geen vrucht voort en God geeft hen prijs.

 

hebreeŽn 4:6-7 


Aangezien nog te wachten is, dat sommigen tot die rust zullen ingaan, en zij, die het evangelie eerst ontvangen hebben, niet ingegaan zijn wegens hun ongehoorzaamheid, stelt Hij wederom een dag vast, heden, als Hij door David na zo lange tijd spreekt, zoals boven gezegd werd: Heden, indien gij zijn stem hoort, verhardt uw harten niet.

Het volk IsraŽl dat uit Egypte trok, had rijke beloften ontvangen, maar door ongeloof en verharding van het hart is het overgrote deel niet in het beloofde land gekomen. Velen zijn wel ingegaan en zij hebben geleefd en gewerkt, maar hebben zij de rust, de vrede en de overvloed van Kanašn wel ontvangen? Wanneer dit waar was, had David zo lange tijd na de intocht het volk niet behoeven te waarschuwen: verhardt uw harten niet!

Dit is hetgeen ook het volk Gods in het nieuwe verbond nog te wachten staat. Sommigen zullen zich aan zijn woord houden en tot zijn rust ingaan en anderen, die ook het evangelie aangenomen hebben, zullen afvallen wegens hun ongehoorzaamheid. Maar God laat nog een waarschuwing horen. Zoals Hij ten tijde van David sprak: 'Heden, verhardt uw harten niet', zo zegt de Heilige Geest ook nu tot degenen die Gods woord gehoord hebben en Gods plan kennen: 'Verhardt uw harten niet', dit wil zeggen: laat niet toe dat de boze het zaad van het woord Gods wegpikt en laat geen machten toe die verleugenen en die van het plan Gods afvoeren. Jezus sprak: 'Komt tot Mij allen die vermoeid en belast zijt (blijft in mijn woord) en Ik zal u rust geven'.

 

hebreeŽn 4:8-9 


Want indien Jozua hen in de rust gebracht had, zou Hij niet meer over een andere, latere dag gesproken hebben. Er blijft dus een sabbatsrust voor het volk van God.

De rust in Kanašn, waarin Jozua het volk bracht en waar ieder in vrede kon leven onder zijn wijnstok en vijgenboom, was slechts een schaduw van de rust, waarin Jezus het volk Gods leidt. Dit is de sabbatsrust van Gods volk, dat zij geen vertrouwen en geen verwachting hebben in hun eigen werken, maar wat hun rechtvaardiging betreft, geloven in Jezus, en wat de ontplooiing en groei van hun leven betreft, vertrouwen op de kracht van de Heilige Geest waarin Jezus hen gedoopt heeft. God kon rusten, omdat Hij wist dat het leven tot ontwikkeling zou komen, en wij mogen rusten, omdat Gods Geest in ons het leven geeft.

 

hebreeŽn 4:10 


Want wie tot zijn rust is ingegaan, is ook zelf tot rust gekomen van zijn werken, evenals God van de zijne.

De sabbatsrust voor het joodse volk betekende voor hen in de natuurlijke wereld een ontspanning na het volbrengen van een zesdaagse arbeid. De sabbatsrust voor het geestelijke IsraŽl betekent de ontspanning nadat Jezus de verzoening der zonden tot stand gebracht had. Een ieder die in het volbrachte werk van Jezus gelooft, ontvangt vrede met God en gaat in tot Zijn rust. Wie het offer van Christus aanvaard heeft en daardoor tot rust gekomen is, behoeft zich geen inspanningen meer te getroosten om zich met God te verzoenen. Offers en ceremonieŽn zijn in het nieuwe verbond nutteloos, omdat God het volbrachte werk van Jezus aanvaardde. Hij rust daarin en heeft dit gehonoreerd, door aan zijn Zoon alle macht in hemel en op aarde toe te delen. De Vader heeft aan zijn Zoon macht gegeven over alle vlees, om aan al wat Hem gegeven is, eeuwig leven te schenken (Joh. 17:2).

 

hebreeŽn 4:11 


Laten wij er dus ernst mede maken om tot die rust in te gaan, opdat niemand ten val kome door dit voorbeeld van ongehoorzaamheid te volgen.

Wie tot Gods rust wil ingaan, moet geloven in zijn woorden en gehoorzaam zijn aan zijn opdrachten, of zoals Jezus het uitdrukte: in Hem blijven, dat is in zijn woorden blijven (Joh. 15:7). De rust is de zekerheid in iedere omstandigheid, dat hetgeen de Heer gesproken heeft, waar is en dat de beloften die Hij gegeven heeft, zeker gerealiseerd zullen worden. Wij zullen telkens getest worden of wij volharden, hoe ook de situatie moge zijn en wat voor aanvallen wij ook te verduren hebben. Wie aarzelt, twijfelt, in paniek geraakt, of overmeesterd wordt door leugenmachten of door zondemachten, komt ten val. Hij bereikt het doel niet. Het ongeloof en de opstandigheid van IsraŽl zijn voor ons opgetekend tot lering en 'ter waarschuwing voor ons, over wie het einde der eeuwen gekomen is' (1 Cor. 10: 11).

 

hebreeŽn 4:12-13 


Want het woord Gods is levend en krachtig en scherper dan enig tweesnijdend zwaard en het dringt door, zo diep, dat het vaneenscheidt ziel en geest, gewrichten en merg, en het schift overleggingen en gedachten des harten; en geen schepsel is voor Hem verborgen, want alle dingen liggen open en ontbloot voor de ogen van Hem, voor wie wij rekenschap hebben af te leggen.

Het is Gods bedoeling, aan de mens het eeuwige leven te schenken, en zijn woord is daarop gericht. Het wordt vergeleken met een zaad dat groeit en zich ontwikkelt in het hart van degene die gelooft. Het woord heeft ook kracht om te scheppen en te herscheppen. Door het woord van God zijn de hemel en de aarde gemaakt. Er staat ook: 'Hij zond zijn woord en genas hen', dat is de herschepping (Ps. 107:20). Wie het woord van God door het geloof in zich opneemt, laat de eeuwige gedachten van God met de mens, in zich toe. Dit woord doet wat God behaagt en volbrengt datgene waartoe Hij het zendt (Jes. 55:11).

Het woord is ook scherp als een zwaard, want het scheidt goed en kwaad vaneen, licht en duisternis. Het beÔnvloedt niet alleen het uitwendige leven, maar het dringt door in het innerlijke leven van de mens. Het werkt ontdekkend in het zielenleven. Het denken en het gevoelsleven die misbruikt en beschadigd zijn door de machten der duisternis, worden door het woord vernieuwd en het verkeerde en het zondige worden weggedaan. De wil richt zich op God. Ook de geest wordt door het woord van God losgemaakt van de leugenmachten en zo wordt de inwendige mens gezuiverd en vernieuwd. Het geloofsleven wordt op de waarheid van God gericht en door de kennis van goed en van kwaad, die het woord van God bijbrengt, worden de zinnen geoefend.

Niet alleen wordt in de onzienlijke, innerlijke mens het goede gescheiden van het kwade, maar ook het lichaam ondervindt de heilzame werking van het woord van God, dat zelfs genezing brengt in de verborgenste delen van het lichaam, in gewrichten en merg. Wanneer het levende en krachtige woord van God in de mens functioneert, is hij in staat de overleggingen en de gedachten die in hem opkomen, te schiften en te sorteren. Wanneer een gedachte in hem opkomt, kan hij onmiddellijk door het woord controleren of de ingeving door God of door de boze geÔnspireerd werd. Gods Geest geeft dan de kracht om het goede te behouden en het kwade te verwerpen en af te stoten.

Er is een foutieve uitleg die zegt dat de geest van de ziel gescheiden wordt, de gewrichten van het merg en de overleggingen van de gedachten. Een ieder kan begrijpen dat het Gods bedoeling niet is de mens op deze wijze door zijn woord te ontleden en te beschadigen. Gods woord brengt wel een scheiding aan, maar alleen tussen goed en kwaad, en wel in ieder deel van het mensenleven. In de ganse schepping gebeurt niets dat voor Gods oog verborgen blijft. Hij weet wat in de mens is en welke geest aanwezig is. Men kan de gemeenschap met boze geesten wel camoufleren voor de mensen, maar niet voor God. Hij vraagt niet alleen rekenschap van wat wij gedaan en gesproken hebben, dus wat naar buiten is getreden, maar ook wat wij in ons gedachteleven hebben toegelaten.

 

hebreeŽn 4:14 


Daar wij nu een grote hogepriester hebben, die de hemelen is doorgegaan, Jezus, de Zoon van God, laten wij aan die belijdenis vasthouden.

Zoals de hogepriester inging in het heilige der heiligen om verzoening te doen voor de zonde van het volk, zo is Jezus als de grote hogepriester ingegaan in het hemelse heiligdom om verzoening te doen voor de zonde van de gehele wereld. Dit woord moeten we vasthouden, want dit is de grond van onze rechtvaardigmaking. Wij moeten dit in alle omstandigheden vasthouden. Van Jezus staan hier twee dingen: dat hij de Zoon van God is, want Hij was uit God geboren en had geen enkel contact opgenomen met de machten der duisternis. Hij was een vlekkeloos lam. Verder wordt gezegd dat Hij de hemelen is doorgegaan. Ten eerste was Hij tijdens zijn leven op aarde reeds in het Koninkrijk der hemelen. Er staat in Johannes 3:13 (Statenvert.): 'De Zoon des mensen die in de hemel is'. Daar nam Hij deel aan de strijd tussen God en satan. Daar overwon Hij.

Toen Hij de schuld der wereld op Zich nam, kwam Hij in het rechtsgebied en onder de macht van satan. Hij daalde af in het dodenrijk en als een vervloekte kwam Hij in de diepste delen van de afgrond. Hij leerde daar de diepte van satan kennen. Hij zegt dan ook later: 'Ik heb de sleutels van dood en dodenrijk'. Uit ervaring heeft Hij het klimaat en de gedachten van de afgrond leren kennen. Maar de dood kon Hem niet houden en bij zijn doortocht naar het licht, passeerde Hij Abrahams schoot. Als overwinnaar verloste Hij toen de rechtvaardigen van het oude verbond uit het dodenrijk. Toen voer Hij op naar de hemel en in het Koninkrijk Gods nam Hij de plaats in, die voor Hem als overwinnaar en als mens Gods bestemd was, namelijk de troon van de Vader. Vermaand wordt, deze belijdenis voortdurend vast te houden tegenover de aanklager, namelijk dat wij zulk een grote hogepriester hebben die onze schuld betaalde met zijn eigen bloed en die ons voorging naar het doel.

 

hebreeŽn 4:15 


Want wij hebben geen hogepriester, die niet kan medevoelen met onze zwakheden, maar een, die in alle dingen op gelijke wijze als wij is verzocht geweest, doch zonder te zondigen.

Jezus zegt van Zichzelf dat hij door de Vader geheiligd en in de wereld gezonden was (Joh. 10:36). Zijn Vader in de hemel heeft Hem zowel in de zienlijke als in de onzienlijke wereld op volmaakte wijze beschermd. In de zienlijke bijvoorbeeld, door Hem te beveiligen tegen het geweld van de duivel, toen deze Hem wilde vermoorden door middel van Herodes. Ongetwijfeld heeft satan meerdere malen in de jeugd van Jezus een aanslag op Hem gepleegd, maar de Vader beschermde Hem door zijn engelen. Als Hij om deze bijstand bad, kreeg Hij ze. Ook in de onzienlijke wereld werd Hij verzocht, maar Hij is nooit op de verleiding van de boze ingegaan. Hij groeide op en 'nam toe in wijsheid en grootte en genade bij God en de mensen' (Luc. 2:52).

Hij was gehoorzaam aan zijn ouders, ook een bewijs dat hij niet gebonden was. Nadat Hij met de Heilige Geest gedoopt was, wist Hij alle verleidingen te weerstaan met Gods woord en met de kracht die in Hem was. De verzoeking in de woestijn is hiervan een voorbeeld. Denk ook aan de verzoeking van satan door middel van Petrus, die Hem het lijden wilde besparen en aan de verzoeking door Johannes en Jacobus, die Hem tot geweld wilden aanzetten, zodat Hij vuur uit de hemel zou moeten laten dalen, toen de Samaritanen weigerden Hem onderdak te verschaffen. Ook bedreigde de boze zijn lichaam. Soms nam men stenen op om Hem te doden, wilde men Hem van de steilte werpen, of beraamde men plannen om Hem te doden. Dan was Hij hieraan gestorven, maar niet naar de Schriften, aan het kruis.

Jezus weet dus welk een kracht van verleiding, pressie en geweld vanuit het rijk der duisternis op de mens uitgeoefend kan worden. Als hogepriester, dit wil zeggen als degene die tussen God en de mens getreden is om de schuld van de mens te verzoenen, heeft Hij in zijn lijdensstrijd de gehele legermacht van de vijand moeten weerstaan. Wanneer wij nu aangevallen worden, kan Hij met ons meevoelen en weet Hij ook hoeveel kracht er nodig is, om de boze te overwinnen en buiten zich te houden. Hijzelf is nooit onder de verleiding en onder de druk van de vijand bezweken. Daarom was Hij zonder zonde en had geen enkele schuld in de onzienlijke wereld. Onze schuld ontstaat, wanneer wij bezwijken en wťl zondigen.

Door zijn Heilige Geest geeft Hij de kracht om de boze te weerstaan, zodat wij tegen de pressie en de verleidingen bestand zijn.

 

hebreeŽn 4:16 


Laten wij daarom met vrijmoedigheid toegaan tot de troon der genade, opdat wij barmhartigheid ontvangen en genade vinden om hulp te verkrijgen te gelegener tijd.

Uit deze wetenschap putten wij de vrijmoedigheid om tot God te naderen, wanneer wij hulp nodig hebben. Wanneer wij de kracht en de bescherming van de Heer verwachten, zal Deze ook de genadegaven overvloedig in ons uitstorten, want Hij heeft de heerschappij in de hemel en op de aarde. Hij is genadig en barmhartig en helpt ons op de juiste tijd. Het enige wat wij moeten doen, is, het geloof op Hem vestigen, niet vrezen en de moed niet verliezen. Hij geeft ons met de beproeving ook de uitkomst of de kracht om stand te houden en om te overwinnen.

 
vorige pagina terug volgende pagina