Stichting Uitgeverij Rhemaprint

de brief aan de HebreeŽn
beknopte kanttekeningen door J.E. van den Brink

 
vorige pagina volgende pagina

HebreeŽn 5
vers 1-14


 

HebreeŽn 5:1 


Want elke hogepriester, die uit de mensen genomen wordt, treedt voor de mensen op bij God, om gaven en offers te brengen voor de zonden.

De apostel gaat eerst terug naar de bedťling der schaduwen, die in zijn tijd nog in Jeruzalem functioneerde, maar die in wezen al had afgedaan. De hogepriester in het oude verbond was een gewoon mens, van gelijke beweging als zij voor wie hij het zoenoffer brengen moest. De priesters brachten de gewone brand- en slachtoffers voor het volk, maar eenmaal per jaar ging de hogepriester met het bloed van een volkomen lam het heilige der heiligen binnen om verzoening te doen voor de zonde van het volk, die het in onwetendheid bedreven had.

 

HebreeŽn 5:2-5 


Hij kan tegemoetkomend zijn jegens de onwetenden en dwalenden, daar hij ook zelf met zwakheid omvangen is, die hem verplicht evenzeer als voor het volk, voor zichzelf offers voor de zonden te brengen. En niemand matigt zichzelf die waardigheid aan, doch men wordt ertoe geroepen door God, zoals immers ook Aaron. Zo heeft ook Christus Zichzelf niet de eer toegekend hogepriester te worden, maar Hij, die tot Hem sprak: Mijn Zoon zijt Gij; Ik heb U heden verwekt;

Deze hogepriester was zelf ook een zondaar. Hij was zelf ook menigmaal zwak geweest en bezweken voor verleidingen en verdrukkingen. Dit stemde hem mild ten opzichte van de overtredingen van anderen. Het offer dat hij bracht, deed hij ook ten behoeve van zichzelf. Hij was een medezondaar. Niet iedere IsraŽliet, zelfs niet iedere leviet of priester kon voor zichzelf en voor anderen verzoening doen, maar de man die dit deed, moest door God hiervoor speciaal geroepen zijn. De eerste die God hiervoor verkoos, was Ašron, en later telkens een uit diens nageslacht.

Opvallend is dat Jezus niet tot het hogepriesterlijk geslacht behoorde en zelfs niet uit Levi stamde. Een speciale roeping van God had Hem aangewezen tot hogepriester in de hemelse gewesten. Jezus heeft Zichzelf niet uitgekozen, maar het was de wil des Vaders. Als lam dat ten brandoffer diende en als hogepriester die in het hemelse heiligdom inging, zei Hij: 'Uw wil geschiede!'

God sprak tot Hem: 'Mijn Zoon zijt Gij; Ik heb U heden verwekt'. 'Heden' is evenals in hoofdstuk 4:7 het: 'heden der genade'. Nu heeft God zijn Zoon in de wereld gebracht. De volheid des tijds, het einde van de oude bedťling, is het heden der genade en de aanvang van een nieuwe tijd, het aanbreken van het nieuwe verbond. Voordat dit verbond in werking kon treden, moest eerst alle schuld verzoend zijn.

 

HebreeŽn 5:6 


zoals Hij ook op een andere plaats spreekt: Gij zijt priester in eeuwigheid naar de ordening van Melchizťdek.

In Psalm 110 wordt al geprofeteerd dat deze hogepriester niet zal zijn naar de ordening van Ašron, dus volgens natuurlijke afstamming, maar naar de ordening van Melchizťdek, dus rechtstreeks door God geroepen als koning en hogepriester. Een schaduw van dit priesterschap had Melchizťdek, de koning van Salem. Deze wordt in hoofdstuk 7 nader besproken.

 

HebreeŽn 5:7-8 


Tijdens zijn dagen in het vlees heeft Hij gebeden en smekingen onder sterk geroep en tranen geofferd aan Hem, die Hem uit de dood kon redden, en Hij is verhoord uit zijn angst, en zo heeft Hij, hoewel Hij de Zoon was, de gehoorzaamheid geleerd uit hetgeen Hij heeft geleden,

Tijdens zijn omwandeling op aarde heeft Jezus het dikwijls moeilijk gehad onder de verdrukkingen, maar Hij wist de weg tot ontkoming. Hij zocht deze, door in te gaan in de hemelse gewesten. Ook Hij heeft altijd hulp gevonden te bestemder tijd. Het was voor Hem niet altijd gemakkelijk en Hij voerde een intense geestelijke strijd en aan het einde van zijn leven, inzonderheid in Gethsťmane, toen Hij de schuldenlast der wereld op Zich nam, werd zijn strijd zeer zwaar. In zijn contact met de Vader, dus in zijn gebeden, begon Hij te smeken of Deze de drinkbeker aan Hem wilde laten voorbijgaan.

Er kwam een grote angst voor de dood, in wiens klimaat Hij naar de inwendige mens zou gaan verkeren. Deze doodssfeer was volkomen in strijd met heel zijn menselijk wezen. Zijn zielenleven kwam in opstand en dit openbaarde zich zelfs in zijn lichaam, waarlangs het zweet ter grootte van druppelen bloed, neersijpelde. Hij wist dat nooit een mens als overwinnaar voorgoed uit het dodenrijk was teruggekeerd, maar Hij wist ook dat de Vader Hem kon redden door de kracht van de Heilige Geest die in Hem woonde. In dit vertrouwen kon Hij rustig gaan en tenslotte zijn geest overgeven aan de hoede van de Heilige Geest, dus 'in handen van zijn Vader'.

Hij is verhoord, want God heeft Hem opgewekt en door de kracht van de Heilige Geest is Hij opgestaan. Maar in deze diepe weg heeft Hij, behalve dat Hij de zonde verzoende, ook Zelf iets geleerd, namelijk in Gods plan te vertrouwen en op diens kracht te steunen en gehoorzaam te blijven in de allermoeilijkste situatie en Zich niet te laten verleiden tot negatieve gedachten en belijdenissen.

 

HebreeŽn 5:9-10 


en toen Hij het einde had bereikt, is Hij voor allen, die Hem gehoorzamen, een oorzaak van eeuwig heil geworden, door God aangesproken als hogepriester naar de ordening van Melchizťdek.

Op deze wijze werd Hij niet alleen een oorzaak van redding en schuldvergeving, maar ook een voorbeeld hoe wij voor eeuwig behouden kunnen worden, door te blijven gehoorzamen en te blijven geloven in het plan Gods en kracht te putten uit de Heilige Geest. Door deze daad verdiende Hij de titel 'hogepriester voor eeuwig', en wel een hogepriester in de hemelse gewesten, die rechtstreeks door God geroepen was en deze roeping en verkiezing had vastgemaakt (2 Petr. 1:10).

 

HebreeŽn 5:11 


Hierover hebben wij veel te zeggen, maar het is moeilijk uit te leggen, omdat gij traag zijt geworden in het horen.

'Hierover', dus over de hemelse gewesten, over de geestelijke werkelijkheid, waarvan God afbeeldingen of schaduwen op aarde gegeven had, zou Paulus nog veel kunnen vertellen, want als schriftgeleerde had hij grote kennis van het Oude Testament en als discipel van het Koninkrijk der hemelen had hij een duidelijke visie, zodat het voor hem mogelijk was achter de schaduw de werkelijkheid te zien. Hij zou de HebreeŽn dienaangaande heel wat kunnen vertellen, maar het was zeer moeilijk voor hem deze kennis bij te brengen, want ze waren traag geworden in het horen. Paulus doet deze joden hetzelfde verwijt als Jezus aan de EmmaŁsgangers. Ook die werden onverstandigen en tragen van hart genoemd. De HebreeŽn waren hardleers en hadden niet het vermogen om zijn onderwijzing met geestelijke oren op te nemen.

 

HebreeŽn 5:12 


Want hoewel gij, naar de tijd gerekend, leraars behoordet te zijn, hebt gij weer nodig, dat men u de eerste beginselen van de uitspraken Gods leert, en gij hebt nog melk nodig en geen vaste spijs.

Toch is het niet zo dat het alles nieuw voor hen was, want ze hadden de boodschap en visie al zo lang gehoord, zodat ze eigenlijk zelf wel onderricht hadden moeten kunnen geven. Ze hadden al leraars kunnen zijn, maar van alles wat hun gezegd was, hadden ze zo weinig opgestoken dat de apostel eigenlijk weer van voren aan beginnen moest om hun het evangelie te verkondigen. Met de volle raad Gods kon hij bij hen nog niet terecht. Zij waren nog steeds als kleine kinderen, die met melk gevoed moeten worden en het hogere en het meerdere nog niet kunnen verdragen. Ze konden de vaste spijzen nog niet verwerken.

 

HebreeŽn 5:13-14 


Want ieder, die nog van melk leeft, heeft geen weet van de rechte prediking: hij is nog een zuigeling. Maar de vaste spijs is voor de volwassenen, die door het gebruik hun zinnen geoefend hebben in het onderscheiden van goed en kwaad.

Ieder die bij de eerste beginselen blijft staan, bij het fundament of een gedeelte ervan, is als een zuigeling en dus nog niet bekwaam om een ander iets te onderwijzen. Merk op dat tegenwoordig zoveel predikers, evangelisten en zendelingen uitgaan, die helemaal niet, of nog niet geheel gefundeerd zijn.

De vaste spijs zijn de machtige beloften die God geeft aan hen, die in de geestelijke strijd overwinnen en die volwassenen zijn, dit wil zeggen die volkomen zijn toegerust en in wie de Heilige Geest zijn gaven tot ontplooiing heeft gebracht. Denk eens welke beloften de apostel Johannes neerschrijft voor de zeven gemeenten, wier leden overwinnen. Deze volwassenen zijn in de strijd geoefend en sterk geworden en zij weten goed en kwaad te onderscheiden.

Wanneer er staat: 'Ze hebben door het gebruik hun zinnen geoefend', is dit een beeld. Zoals wij ons in de natuurlijke wereld oriŽnteren door middel van onze zintuigen om het goede van het kwade te onderscheiden, zo oefent de inwendige mens zich erin om te onderscheiden wat uit het rijk des lichts en wat uit het rijk der duisternis komt.

 
vorige pagina terug volgende pagina