Stichting Uitgeverij Rhemaprint

de brief aan de HebreeŽn
beknopte kanttekeningen door J.E. van den Brink

 
vorige pagina volgende pagina

HebreeŽn 10
vers 1-39


 

HebreeŽn 10:1 


Want daar de wet slechts een schaduw heeft der toekomstige goederen, niet de gestalte dier dingen zelf, is zij nimmer in staat ieder jaar met dezelfde offeranden, die onafgebroken gebracht worden, degenen, die toetreden, te volmaken.

Door de wet werd de mens die toetrad, die naar Jeruzalem reisde en deelnam aan de ceremoniŽn en offerdiensten, de gerechtigheid toegerekend. Hij was dan een rechtvaardige naar de wet. Wezenlijk was er dan in de onzichtbare wereld niets gebeurd. De zonden werden bedekt voor het heilig oog des Heren en niet weggenomen (Ps. 32:2).

De wet gaf slechts een schaduw of een ruwe omtrek van wat God bedoelde. Omdat de zonden niet wezenlijk weggenomen en verzoend waren, moesten de offers regelmatig herhaald worden, zelfs die voor de zonden in onwetendheid bedreven. Het offer op de grote verzoendag keerde daarom ook ieder jaar terug. Het gevolg was dat het volk van het oude verbond nooit verder kon komen dan de rechtvaardiging en nimmer tot de volmaaktheid kon gebracht worden. De toekomstige goederen, of letterlijk 'komende goede dingen' konden in het leven van de gelovige niet worden gerealiseerd, zoals in het nieuwe verbond: de bevrijding, de doop in de Geest, het herstel of de genezing van de totale mens en het opwassen tot de mannelijke rijpheid.

 

HebreeŽn 10:2 


Immers, zou anders het offeren daarvan niet opgehouden zijn, doordat degenen, die de dienst verrichten, na eenmaal gereinigd te zijn, generlei besef van zonden meer hadden?

Wanneer het oudtestamentische dierenoffer werkelijk de zonden had weggenomen, zodat dus de offeraar geen besef van kwaad meer had, had hij ook niet meer behoeven te offeren, want dan zou hij immers eens en voor altijd rein zijn geweest. Degenen die de dienst verrichtten, waren dezelfden als degenen die toetraden (vers 1).

 

HebreeŽn 10:3 


Doch door die offeranden werden ieder jaar de zonden in gedachtenis gebracht;

Het offer op de grote verzoendag nam de zonden dus niet weg en daarom werden zij telkens weer in herinnering gebracht. Op die dag ging men zichzelf onderzoeken en probeerde de gelovige zich te herinneren of hij niet tekort geschoten was of verkeerd gedaan had. Door het zoenoffer wist de gelovige dan dat deze zonden bedekt waren.

 

HebreeŽn 10:4-8 


want het is onmogelijk, dat het bloed van stieren of bokken zonden zou wegnemen. Daarom zegt Hij bij zijn komst in de wereld: Slachtoffer en offergave hebt Gij niet gewild, maar Gij hebt Mij een lichaam bereid; in brandoffers en zondoffers hebt Gij geen welbehagen gehad. Toen zeide Ik: zie, hier ben Ik (in de boekrol staat van Mij geschreven) om uw wil, o God, te doen. In de aanhef zegt Hij: Slachtoffers en offergaven, brandoffers en zondoffers, hebt Gij niet gewild, noch daarin een welbehagen gehad, hoewel zij naar de wet gebracht worden.

Het leven van stieren en bokken was slechts verbonden met het tijdelijke, aardse leven. Het had dus geen waarde als wettig betaalmiddel of als zoenmiddel in de geestelijke wereld. Het bloed of het leven van een volkomen mens was dit wel. Daarom kon David zijn grote Zoon Jezus in de mond leggen: 'In offerande en offeren hebt Gij geen welbehagen, maar Gij hebt Mij een lichaam toebereid' (Ps. 40:7 septuaginta). Hoewel de Heer aan IsraŽl de offers voorgeschreven had, was David bezig met het werkelijke plan van God en hij wist, dat deze offers hierin niet pasten, maar bestemd waren voor een natuurlijk zaad van Abraham in een minder verbond. 'Het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond', schreef Johannes.

Jezus was het toebereide lichaam, in verband met het vlekkeloze offer dat gebracht moest worden. God Zelf had Zich een brandoffer voorzien, dat Hij 'overleverde' aan de machten der duisternis. Toen Jezus zijn werk hier op aarde gedaan had en getoond had, dat Hij werkelijk in alles gehoorzaam geweest was en onbeschadigd als overwinnaar stond, werd de Schrift aan Hem vervuld: 'Zie, Ik kom, in de boekrol staat over Mij geschreven: Ik heb lust om uw wil te doen, mijn God, uw wet is in mijn binnenste' (Ps. 40:8,9). Geest, ziel en lichaam van onze Heer functioneerden alle naar de wetten Gods. Hij was de volmaakte mens. Hij beleed: 'Alles wat Gij Mij te doen gegeven hebt, heb ik gedaan' (Joh. 17:4). Toen de Vader Hem riep om de lijdensbeker te drinken en het eeuwige offer te brengen, was zijn antwoord opnieuw: 'Uw wil geschiede'.

 

HebreeŽn 10:9-10 


Doch daarna heeft Hij gezegd: Zie, hier ben Ik om uw wil te doen. Hij heft het eerste op, om het tweede te laten gelden. Krachtens die wil zijn wij eens voor altijd geheiligd door het offer van het lichaam van Jezus Christus.

Met de woorden 'Uw wil geschiede' begon het eerste verbond te verouderen en het nieuwe verbond in zijn bloed kwam ervoor in de plaats. Zo was het Gods wil. Op deze wijze kwam het betere verbond op de plaats van het eerste. Het was Gods wil een volmaakte Zoon ten offer te brengen om de zonden van de gehele mensheid van alle tijden en van alle plaatsen weg te nemen en daardoor scheiding te maken tussen licht en duisternis in de mensenwereld. Wie dit offer aanvaarden, zijn wezenlijk schuldeloos of geheiligd.

 

HebreeŽn 10:11-14 


Voorts staat elke priester dagelijks in zijn dienst om telkens dezelfde offers te brengen, die nimmer de zonden kunnen wegnemen; deze echter is, na een offer voor de zonden te hebben gebracht, voor altijd gezeten aan de rechterhand van God, voorts afwachtende, totdat zijn vijanden gemaakt worden tot een voetbank voor zijn voeten. Want door een offerande heeft Hij voor altijd hen volmaakt, die geheiligd worden.

Nog ťťn keer benadrukt de apostel het mindere van het herhaalde aardse offer tegenover de grootheid van het eenmalige offer van Christus. Deze beklemtoning is te begrijpen, indien wij eraan denken dat in de tijd van de schrijver hierdoor het gehele godsdienstige leven van de jood ondersteboven gekeerd werd. Het was voor hem een heel nieuwe leer, die geheel in strijd was met de inzichten die hij van huis meegekregen had en die voor hem het stempel droegen van Gods werkelijke wil, weg en wet. Paulus wijst erop dat de priester telkens weer offers moest brengen, maar dat wij zeker kunnen zijn over Gods welbehagen in het offer van Christus. Wij weten dat God Hem uit de doden opgewekt heeft, als bewijs dat de verzoening tot stand gekomen was en Hem bovendien gezet had aan zijn rechterhand, dit wil zeggen als plaatsvervangende heerser over al de werken zijner handen.

Jezus gaat in de hemel ook verder, Gods wil te doen en diens plan te volvoeren. De eerste taak die Hij op de troon als heerser heeft, is het bouwen van zijn gemeente. Degenen die Hem aangenomen hebben en die geheiligd zijn, gaat Hij tot de volkomenheid brengen door de Heilige Geest, die Hij schenkt en die in hen woont. Zijn volgelingen worden eerst zelf van hun vijanden verlost en voeren dan een strijd in de hemelse gewesten, om de vijanden van God en van de mensen onder de voeten van Jezus te brengen.

Door ťťn offerande zijn de gelovigen niet alleen gerechtvaardigd, maar Hij heeft hun ook de mogelijkheid gegeven de weg des levens te gaan tot aan de volmaaktheid toe. Hij gaat hen ook gebruiken om anderen te verlossen en om dezen te helpen ook het doel te bereiken. Let wel dat Jezus niet Zelf de vijanden onder zijn voeten legt, maar dat Hij afwacht tot zijn volgelingen zijn opdracht uitvoeren: 'Zie Ik heb u macht gegeven om op slangen en schorpioenen te treden en tegen de gehele legermacht van de vijand; en niets zal u enig kwaad doen' (Luc. 10:19). Paulus schreef in Romeinen 16:20: 'De God nu des vredes zal weldra de satan onder uw voeten vertreden'.

 

HebreeŽn 10:15-17 


En ook de Heilige Geest geeft ons daarvan getuigenis, want nadat Hij gezegd had: Dit is het verbond, waarmede Ik Mij aan hen verbinden zal na die dagen, zegt de Here: Ik zal mijn wetten in hun harten leggen, en die ook in hun verstand schrijven, en hun zonden en ongerechtigheden zal Ik niet meer gedenken.

Nogmaals betuigt de HebreeŽnschrijver dat met het sterven van Jezus een nieuw verbond in werking is getreden en het oude verbond met zijn schuld- en zoenoffers en ceremoniŽn heeft afgedaan. In Handelingen 19:8-10 kunnen we lezen op welk verzet de prediking van het evangelie van Jezus Christus stuitte. De joden bleven kwaadspreken van 'de weg', dat is het pad dat van de rechtvaardigheid naar de volmaaktheid voert. Reeds het begin van deze weg, de rechtvaardigmaking door het geloof, was voor vele joden een aanstoot. De apostel haalt dan ook telkens het Oude Testament aan, waarin door de profeten die door de Heilige Geest geleid werden, reeds over een nieuw verbond en een verandering van wet, gesproken was. Deze wet zou niet meer van buitenaf functioneren, niet meer aangeleerd worden, maar zou van binnenuit door de Heilige Geest werken.

Wanneer IsraŽl uit Babel zou terugkeren naar eigen land (zie Jer. 31:33,34), zou in de volheid des tijds dit verbond in het bloed van Jezus, gesloten worden, want het verzoenend bloed van Jezus is oorzaak dat God de zonde en ongerechtigheid niet meer gedenkt. Met degenen die door dit bloed gerechtvaardigd zijn, sluit God een nieuw verbond met nieuwe beloften.

De eerste belofte des Vaders is de doop in de Heilige Geest. Deze Geest kent voor de mens naar lichaam, ziel en geest, de wetten Gods. Deze Geest handhaaft in de wedergeboren mens die gehoorzamen wil, de wetten Gods in hem. Het hart is beeld van de inwendige mens waar Gods Geest in woont. Door de Heilige Geest wordt het verstand verlicht, zodat deze wetten ook begrepen worden. Men kan dan verstaan wat Gods bedoeling met de mens is.

 

HebreeŽn 10:18 


Waar dan voor deze dingen vergeving bestaat, is er geen zondoffer meer nodig.

Opnieuw benadrukt de apostel dat wanneer voor schuld en zonde rechtstreeks vergeving is, de mens geen bijdrage meer tot rechtvaardiging door middel van offers behoeft te geven. Geloof alleen is voldoende. De vergeving van de zonde bestaat, dit wil zeggen is verworven en zij is reeds aanwezig. Men behoeft haar door geloof slechts te aanvaarden en kan dan te allen tijd belijden dat men een rechtvaardige is.

 

HebreeŽn 10:19-22 


Daar wij dan, broeders, volle vrijmoedigheid bezitten om in te gaan in het heiligdom door het bloed van Jezus, langs de nieuwe en levende weg, die Hij ons ingewijd heeft, door het voorhangsel, dat is, zijn vlees, en wij een grote priester over het huis Gods hebben, laten wij toetreden met een waarachtig hart, in volle verzekerdheid des geloofs, met een hart, dat door besprenging gezuiverd is van besef van kwaad, en met een lichaam, dat gewassen is met zuiver water.

In het Oude Testament was de mens voor zijn besef nooit volkomen van zonden gereinigd. Hij mocht daarom niet in het heilige der heiligen binnenkomen. Dit beeldde uit dat het Koninkrijk Gods, het ware heilige der heiligen, nog voor hem afgesloten was. Zijn innerlijke mens was nog niet overgeplaatst in het Koninkrijk van de Zoon van Gods liefde. Hij kon nog niet op de hoge weg wandelen. In het nieuwe verbond heeft het kind van God als een rechtvaardige volle vrijmoedigheid om het Koninkrijk Gods binnen te gaan.

De hoofdzin luidt: 'Daar wij dan, broeders, volle vrijmoedigheid bezitten om in te gaan in het heiligdom... laten wij toetreden met een waarachtig hart'. Wat geeft ons recht om toe te treden? Het antwoord is: het bloed van Jezus dat ons tot rechtvaardigen maakt. Door zijn schulddelging heeft Hij de poort geopend die toegang geeft tot een nieuwe weg in de hemelse gewesten. Het is ook een levende weg, doordat deze voert naar het eeuwige leven en slechts 'levenden' hem kunnen bewandelen: geen onreine zal die betreden, maar hij zal alleen voor hen, verlosten en vrijgekochten des Heren, zijn (Jes. 35:8-10).

De weg naar het heiligdom is het eerst betreden door Jezus Christus, die als hogepriester met zijn eigen bloed binnenging (Hebr. 9:25). De schuld en zonde maakten scheiding tussen de mens en God die het hemelse heiligdom bewoont. Jezus droeg als lam Gods, levende in zijn vlees, deze schuld; dit wil zeggen de schuld der wereld nam Hij op Zich als zijn schuld en Hij betaalde met zijn leven. Zijn lichaam stierf en zijn innerlijke mens ging naar het dodenrijk.

Toen het voorhangsel, of het schuldig vlees, weggenomen was, lag de toegang naar het heiligdom open voor een ieder die gelooft. Een beeld hiervan is het scheuren van het voorhangsel in de tempel, toen Jezus stierf. Er staat dat Christus de weg naar het heiligdom opengelegd heeft door het voorhangsel der schuld weg te nemen. Dit betekent: Hij heeft zijn, met de zonde der gehele wereld beladen vlees, afgelegd (zie Col. 1:21,22). Het huis Gods of de tempel Gods, bestaat uit allen die geloven. Dit heiligdom heeft een grote priester. Deze blijft middelaar tussen de mens en God. Hij is groter dan een priester van het oude verbond, omdat het volk over wie Hij gesteld is, hoger is (vergelijk hoofdstuk 3:2-4).

Toetreden wil zeggen: deelnemen aan of binnengaan, zoals oud IsraŽl de tempel binnenging om deel te verkrijgen aan de offeranden (zie vers 1). Een waarachtig hart is een oprecht hart, dat geen bijbedoelingen heeft en geen voorwaarden stelt, maar alleen begeert in gemeenschap met God te leven. Om vrijmoedig binnen te gaan, moet men vast geloven gerechtvaardigd te zijn door het bloed van Jezus. Geloven is zeker weten en een aanvaarden van de dingen die je niet ziet. Iemand die binnengaat in het hemelse heiligdom, moet zeker ervan zijn dat hij een rechtvaardige is en een kind van God. Hij moet er zeker van zijn dat zijn inwendige mens, zijn hart, gezuiverd is van iedere vorm van schuld en begeerte naar het kwade. Hij weet zich besprengd door het bloed van Jezus. Dit betekent dat hij zeker weet deel te hebben aan de verzoening die op Golgotha tot stand gekomen is.

'En met een lichaam dat gewassen is met zuiver water'. Zuiver water is het beeld van het woord van God. Indien de innerlijke mens gerechtvaardigd is door het bloed, dan belooft Gods Woord ook een reiniging of een herstel van de uitwendige mens, van het instrumentarium dat God gebruiken wil. Ons zichtbaar lichaam, maar ook ons verstand, gevoel, begeerte en wil worden gereinigd door het woord van God (vergelijk Ez. 36:24,25 en Num. 8:5-7, en ook Num. 19).

 

HebreeŽn 10:23 


Laten wij de belijdenis van hetgeen wij hopen onwankelbaar vasthouden, want Hij, die beloofd heeft, is getrouw.

In vers 22 wordt gezegd hoe wij ons in de onzienlijke wereld moeten opstellen: laten wij toetreden, vast gelovende in de schuldvergeving door het bloed van Jezus Christus, zodat wij dus rechtvaardigen zijn, gezuiverd van ieder schuldbesef. In de natuurlijke wereld stellen wij ons op als gereinigden door het woord van God en vasthoudende aan zijn beloften. Deze spreken van een rijkdom van genade, want God belooft de Heilige Geest die ons verlossen en genezen zal, en door wiens kracht wij zullen opgroeien tot de mannelijke rijpheid. In 2 CorinthiŽrs 7:1 staat: 'Daar wij nu deze beloften bezitten (dat God onder ons zal wonen en Hij ons tot Vader en wij Hem tot zonen zullen zijn), laten wij ons reinigen van alle bezoedeling des vlezes en des geestes, en zo onze heiligheid volmaken in de vreze Gods'.

De hoop op de vervulling van Gods beloften in ons leven en in dat van de gemeente moeten wij onwankelbaar vasthouden. Wij hopen erop en deze verwachting moeten wij ook in de wereld belijden, niet omdat wij het allemaal al bezitten, maar omdat God het beloofd heeft en Hij getrouw is aan zijn woord en het ook doen zal (vergelijk 1 Thessalonicenzen 5:23,24). De gelovigen moeten dus steeds positief de woorden Gods belijden en zich nimmer negatief uitlaten, alsof God zijn woord niet zou waarmaken. Een belangrijke zaak! Zeg nimmer: 'Het kan niet en het wordt toch niets', want daarmee spreek je je wantrouwen uit tegen God. Het woord onwankelbaar wijst erop dat men de belofte juist in een moeilijke situatie moet vasthouden en zich niet tot twijfel laten verleiden.

 

HebreeŽn 10:24 


En laten wij op elkander acht geven om elkaar aan te vuren tot liefde en goede werken.

Wanneer wij zien dat iemand gaat wankelen, moeten wij hem niet veroordelen of prijsgeven, maar zijn geloof en zijn hoop proberen aan te blazen, zodat het weer opvlamt. Wij leggen dus niet moedeloos de handen in de schoot, maar blijven positief gericht ten opzichte van God en de naaste. Dit is het betoon van de ware liefde. Wij zullen het goede blijven zoeken voor de broeders en zusters en voor alle medemensen (2 Petr. 1:7,8).

 

HebreeŽn 10:25 


Wij moeten onze eigen bijeenkomst niet verzuimen, zoals sommigen dat gewoon zijn, maar elkander aansporen, en dat des te meer, naarmate gij de dag ziet naderen.

Iedere gelovige is ingevoegd in het lichaam van Christus dat onzichtbaar is. Maar het is ook noodzakelijk om hier op aarde een hechte gemeenschap met broeders en zusters te vormen, ten einde in deze wereld een weerspiegeling te geven van het lichaam des Heren in de onzienlijke wereld. Niemand moet denken los van broeders en zusters hier op aarde een levend deel te kunnen vormen van het lichaam des Heren in de hemelse gewesten. De Heilige Geest of de levensgeest van het lichaam des Heren functioneert in alle levende cellen die met elkander verbonden zijn en die in onderlinge harmonie samenwerken. Wanneer er geen onderlinge band is en wanneer men niet tezamen komt, kan men ook geen zorg voor elkander dragen en geen onderlinge liefde bewijzen.

Ook in de begintijd schenen er reeds broeders en zusters te zijn, die zich afzijdig hielden van de bijeenkomsten der gemeente, of die niet trouw waren in het bezoeken van de samenkomsten. De apostel veroordeelt dit individualisme. De christen bereikt nooit allťťn het doel, want iedere gave die zich in hem ontplooien moet, ontvangt hij ten behoeve van de opbouw der gemeente. Hoe meer de Dag des Heren nadert, hoe groter de verdrukking zal worden en hoe nauwer de gemeenteleden zich bij elkander zullen moeten aansluiten ten einde het voorgestelde doel der onberispelijkheid te bereiken. Eťn korenaar op het veld zal de druk van de storm en van de regen niet kunnen weerstaan, maar de vele aren op de volle akker steunen elkander en worden niet gemakkelijk geknakt.

 

HebreeŽn 10:26-27 


Want indien wij opzettelijk zondigen, nadat wij tot erkentenis der waarheid gekomen zijn, blijft er geen offer voor de zonden meer over, maar een vreselijk uitzicht op het oordeel en de felheid van een vuur, dat de wederspannigen zal verteren.

Wanneer ons het evangelie verkondigd is en wij het als waarheid erkend en aanvaard hebben, dus de genade Gods gesmaakt hebben in de schuldvergeving, en wij deze realiteit toch weer gaan verloochenen en opzettelijk contact opnemen met de boze en zo tot zonde komen, zijn wij van de genade vervallen. Wij verliezen dan het kindschap (vergelijk hoofdstuk 6:6). Men kan dan geen offer meer brengen om het weer goed te maken, zoals in het oude verbond. Wanneer men op deze weg volhardt en wederspannig blijft, heeft men niets anders te verwachten dan een veroordeling. Men wordt hoe langer hoe meer een prooi van de machten der duisternis. Dezen zullen zich in al hun felheid in zo'n afvallige openbaren en door hem heen in de wereld. Hij gaat dan, evenals judas, tot de felle vijanden van het christendom behoren.

In 2 Petrus 2:20-22 vinden wij een beschrijving van zulke teruggevallenen, met de woorden: 'Want indien zij, aan de bezoedelingen der wereld ontvloden door de erkentenis van de Here en Heiland Jezus Christus, toch weer erin verstrikt raken en erdoor overmeesterd worden, dan is hun laatste toestand erger dan de eerste. Het zou immers beter voor hen geweest zijn, geen kennis verkregen te hebben van de weg der gerechtigheid, dan met die kennis zich af te keren van het heilige gebod, dat hun overgeleverd is. Hun is overkomen, wat een waar spreekwoord zegt: Een hond, die teruggekeerd is naar zijn uitbraaksel, of 'een gewassen zeug naar de modderpoel'.

 

HebreeŽn 10:28-29 


Indien iemand de wet van Mozes terzijde heeft gesteld, wordt hij zonder mededogen gedood op het getuigenis van twee of drie personen. Hoeveel zwaarder straf, meent gij, zal hij verdienen, die de Zoon van God met voeten heeft getreden, het bloed des verbonds, waardoor hij geheiligd was, onrein geacht en de Geest der genade gesmaad heeft?

Onder de wet werd de zonde met 'opgeheven hand', de opzettelijke zonde, met de dood gestraft (Lev. 24:13-16; Deut. 17:2-7; 18:20; 19:15; 22:25 en Num. 35:30). Dit geschiedde op het getuigenis van twee of drie personen, zonder mededogen en zonder aanziens des persoons. Het oude verbond had een godsdienst in de zichtbare wereld en daarom volgde de doodstraf op de bewuste zonde. Het nieuwe verbond functioneert in de onzichtbare wereld. Hier kan men niet door het ondergaan van aardse straffen boeten. Hier veroorzaakt ieder vergrijp tegen de wetten Gods een scheiding tussen God en de mens.

Opnieuw wordt dan een voorhang of scheidsmuur opgericht. Automatisch komt zo iemand weer in de duisternis en onder de beÔnvloeding van de boze machten, waaraan hij eerst ontkomen was. Iemand die opzettelijk zondigt, hoewel hij beter weet, doet zijn rechtvaardigheid teniet. Hij veracht dus het bloed van Christus dat hem, toen hij geloofde, vrij kocht en afzonderde van de boze. Hij legt dan ook een smaad op de Heilige Geest die bij machte was hem voor iedere zonde te bewaren. Deze Geest had hem ook willen onderwijzen aangaande goed en kwaad, maar hij schuift deze genade en gave opzettelijk terzijde.

 

HebreeŽn 10:30-31 


Want wij weten, wie gezegd heeft: Mij komt de wraak toe, Ik zal het vergelden! En wederom: De Here zal zijn volk oordelen. Vreselijk is het, te vallen in de handen van de levende God!

Zij vergaderen zich een schat des toorns en de Heer zal daarover vergelding doen (zie Deut. 32:34,35). God geeft dus deze afvalligen prijs aan de boze geesten. De Heer zal een scheiding maken in zijn volk, tussen degenen die Hem oprecht volgen en misschien door verleiding of pressie in zonde vallen, waarvoor dan vergeving is, en tussen hen die willens en wetens zondigen, die het kwaad opzoeken en die geen berouw erover hebben. De Heer gaat dus zijn volk schiften! Omdat zij geen berouw hebben, keren zij niet terug tot de Heer. De apostel merkt nog op, dat het vreselijk is, door de Heilige Geest veroordeeld te worden, dus wanneer de hand van God (de Heilige Geest) Zich van iemand afkeert die eenmaal in zijn licht gewandeld heeft. Ananias en Saffira zondigden samen opzettelijk. Petrus sprak dat zij de Heilige Geest bedrogen hadden. Gods Geest veroordeelde hen en de doodsmachten sloegen toe (Hand. 5:1-11).

 

HebreeŽn 10:32-33 


Herinnert u de dagen van weleer, toen gij, na verlicht te zijn, zo menigmaal lijden doorworsteld hebt, hetzij zelf een schouwspel van smaad en verdrukking, hetzij deelnemende aan het lot van hen, die in zulk een toestand verkeerden.

Nadat de apostel eerst ernstig tegen afval gewaarschuwd heeft en tegen de verwerping van de boodschap des heils, herinnert hij hen aan de dagen toen zij pas tot bekering gekomen waren. Toen hadden zij de waarheid aanvaard en waren gereinigd door het bloed van Jezus en verlicht door de Heilige Geest die in hen was komen wonen. Zij hadden het in die tijd niet zo gemakkelijk gehad, maar hun hart was blij geweest. Zij werden door de mensen gesmaad, misschien wel uit de synagoge geworpen, werden door de boze verdrukt, soms rechtstreeks, soms door mensen heen, maar zij hadden dit alles blijmoedig verdragen. Jezus had immers gezegd: 'Zalig zijt gij, wanneer u de mensen haten en wanneer zij u uitstoten, en smaden en uw naam als slecht verwerpen ter wille van de Zoon des mensen. Verblijdt u te dien dage en springt op van vreugde, want, zie, uw loon is groot in de hemel; immers op dezelfde wijze hebben hun vaderen met de profeten gehandeld' (Luc. 6:22,23).

Let erop dat er wel sprake is van smaad en verdrukking, maar ziekte wordt niet genoemd. Men moet niet tegen lijden opzien, 'want dit is genade, indien iemand, omdat hij met God rekening houdt, leed verdraagt, dat hij ten onrechte lijdt. Want mag dŠt roem heten, als gij slagen moet verduren, omdat gij kwaad doet? Maar als gij goed doet en dan lijden moet verduren, dŠt is genade bij God' (1 Petr. 2:19,20).

Wij behoeven onder dit lijden niet te bezwijken en ons leven behoeft er niet door aangetast te worden, want God is met ons en Christus bewaart ons door de kracht van de Geest die in ons woont en zijn heilige engelen zijn om ons. Van de HebreeŽn wordt gezegd dat zij deelnamen aan het lot van hen die verdrukt en gesmaad werden. Het is in het lichaam van Christus zo, dat wanneer ťťn lid lijdt, allen mee lijden. Niet om zo iemand te beklagen, maar om hem te ondersteunen en om voor elkander zorg te dragen (1 Cor. 12:25,26), opdat geen broeder of zuster door de druk van de vijand onder zal gaan.

 

HebreeŽn 10:34 


Want gij hebt met de gevangenen mede geleden en de roof van uw bezit blijmoedig aanvaard, want gij wist, dat gijzelf een beter en blijvend bezit hebt.

Er waren dikwijls vervolgingen geweest en menigmaal waren broeders en zusters in de gevangenis terecht gekomen, maar de anderen stonden er voor op de bres (Hand 23,12:12 en zie ook Hebr. 13:3). Paulus had zelfs 'weleer' of vroeger meegedaan om gevangenen te maken onder de gelovigen (Hand. 9:2,21 en 22:5). Zelfs wanneer hun bezit ontnomen werd, hadden zij hun blijmoedigheid niet verloren, want in hun hart hadden ze overlegd dat hun geestelijke schat die zij zich verzamelden in de hemelse gewesten, hun niet ontroofd kon worden. Het was een beter en blijvend bezit. Ook hadden zij overlegd dat het lijden van deze tegenwoordige tijd niet opweegt tegen de heerlijkheid die over hen zou geopenbaard worden (Rom. 8:18).

Ons bezit in deze tegenwoordige wereld is slechts tijdelijk en vergankelijk. We moeten ons daaraan niet al te zeer hechten of daarin de perfectie of de volmaaktheid zoeken. Dit is voor vele mensen een groot struikelblok geworden. De zorgvuldigheden van dit leven maken hen geestelijk onbruikbaar.

 

HebreeŽn 10:35 


Geeft dan uw vrijmoedigheid niet prijs, die een ruime vergelding heeft te wachten.

'Weleer' gingen zij vrijmoedig tot de troon der genade of ontvingen hulp ter bekwamer tijd, zodat zij bestand waren tegen de vurige pijlen van de boze. Paulus zegt: 'Geeft deze vrijmoedigheid niet prijs'. Blijft wandelen in het Koninkrijk van God voor zijn aangezicht, want zodoende zal de gelovige een schat in de hemel verzamelen, waar mot noch roest bij kan komen.

 

HebreeŽn 10:36 


Want gij hebt volharding nodig, om, de wil van God doende, te verkrijgen hetgeen beloofd is.

Nog hadden zij alle beloften van God, de gehele erfenis, niet in bezit genomen. Ze waren nog niet tot volle ontplooiing en tot mannelijke rijpheid gekomen (hoofdstuk 5:12). Daarom vermaant Paulus hen om volhardend voort te jagen op de weg van God, om Christus voor ogen te houden en de beloften in het geloof te blijven vasthouden, ten einde de hemelse erfenis die beloofd is, te ontvangen. Geen woord dat de Heer gesproken heeft, zal ledig tot Hem wederkeren en iedere belofte die wij vasthouden, zal gerealiseerd worden, 'want die het beloofd heeft, is getrouw, Hij zal het ook doen!' (1 Thess. 5:24). De wil van God doen, betekent: leven als een rechtvaardige door de kracht van de Heilige Geest. Dit is, met de volharding in het geloof, de voorwaarde om de belofte te beŽrven.

 

HebreeŽn 10:37-39 


Want nog een korte, korte tijd, en Hij, die komt, zal er zijn en niet op Zich laten wachten, en mijn rechtvaardige zal uit geloof leven; maar als hij nalatig wordt, dan heeft mijn ziel in hem geen welbehagen. Doch wij hebben niets van doen met nalatigheid, die ten verderve leidt, doch met geloof, dat de ziel behoudt.

Paulus citeert hier vrij Habakuk 2:3 en 4. Deze profeet had een woord des Heren gehad van een strafgericht over de ChaldeeŽn. Paulus past deze woorden toe op de belofte, die God aan de volgelingen van Jezus gegeven heeft. De tekst uit Habakuk zouden we dus als volgt kunnen lezen: 'Want wel wachten de beloften nog tot een bestemde tijd, maar deze spoedt zich zonder falen heen naar de realisering van het doel. Als de vervulling vertoeft, verbeidt haar (wacht erop), want komen zal ze (de vervulling) gewis, uitblijven zal ze niet'. Zoals het verdrukte volk van Jeruzalem het strafgericht over de ChaldeeŽn zeker kon verwachten, zo kan de gelovige met volharding uitzien naar het verkrijgen van de beloften Gods en naar de ondergang van de verdrukkende boze geesten.

Wanneer Paulus het vierde vers uit Habakuk citeert, verwisselt hij twee gedachten. Hij zegt eerst: 'De rechtvaardige zal uit geloof leven', dit wil zeggen door het geloof de belofte aanvaarden en vast houden om het beloofde te verkrijgen. Daarna spreekt hij over degenen die opgeblazen zijn of die niet recht zijn in hun zielenleven. Habakuk constateert alleen dat dit strafgericht zal komen, omdat de ChaldeeŽn niet recht wandelden bij het uitvoeren van Gods bevelen. Paulus zegt dat de belofte niet verkregen zal worden, wanneer iemand niet in oprechtheid wandelt en niet in het geloof blijft staan. Dan heeft God geen welbehagen in hem, evenmin als Hij tevreden was over de opgeblazen ChaldeeŽn.

'Nalatig worden', wordt ook vertaald door: terugdeinzen of vreesachtig worden, dus wanneer verdrukkingen en vervolgingen komen, zijn moreel verliezen en het geloof in de beloften loslaten. Men blijft dan niet op de goede weg wandelen, maar dwaalt heen op een pad dat naar het verderf leidt. De apostel zegt: 'Wij willen in het geloof volharden, zodat onze ziel behouden wordt en wij het einddoel des geloofs bereiken. Onze ziel wordt behouden, ook al ondergaan wij verdrukkingen naar het vlees'.

 
vorige pagina terug volgende pagina