Stichting Uitgeverij Rhemaprint

de brief aan de HebreeŽn
beknopte kanttekeningen door J.E. van den Brink

 
vorige pagina volgende pagina

HebreeŽn 8
vers 1-13


 

HebreeŽn 8:1-2 


De hoofdzaak van ons onderwerp is, dat wij zulk een hogepriester hebben, die gezeten is ter rechterzijde van de troon der majesteit in de hemelen, de dienst verrichtende in het heiligdom, in de ware tabernakel, die de Here opgericht heeft, en niet een mens.

Paulus heeft allerlei bewijsvoeringen aangehaald om uit Genesis 22 en Psalm 110 aan te tonen, dat Jezus een hoger priester is dan de zonen van Ašron. Hij heeft al deze bijzonderheden meegedeeld om nu zonder verder commentaar direct te zeggen dat Jezus een hogepriester is in de hemelse gewesten. Hij heeft, nadat Hij de verzoening tot stand gebracht heeft, Zich gezet aan de rechterhand Gods en de naam gekregen boven alle naam.

In de eerste plaats staat er 'gezeten'. Dit houdt in dat Hij zijn werk volbracht heeft en nu afwachten kan hoe de volkomenheid onder zijn volk door de Geest tot stand komt. Aan de rechterzijde bevindt zich Gods rechterhand, de Heilige Geest, waarover Jezus de beschikking heeft gekregen en door wie Hij zijn werk voltooit. De troon der majesteit is de heerschappij van God, die Hij aan zijn Zoon heeft overgegeven. 'De heerschappij is op zijn schouder' en 'alles is Mij door de Vader overgegeven'. Al deze dingen zijn werkelijkheden in de onzienlijke wereld.

Een realiteit is ook het hemelse heiligdom of de ware tabernakel, waarin Jezus de dienst verricht. Eenmaal is Jezus met zijn leven (zijn bloed) ingegaan in het hemelse heiligdom om onze zonden te verzoenen. Wat is nu de dienst die Hij daar nog steeds verricht? Een offer behoeft niet meer gebracht te worden, maar telkens, wanneer een kind van God struikelt of zondigt en zijn kwaad belijdt, treedt Jezus op als voorspraak, wijzende op het offer dat Hij eenmaal bracht. Dan wordt de zonde vergeven, want Jezus bracht een eeuwig offer. Dit alles vormt een onderdeel van het plan Gods dat Hij gemaakt heeft, en wel de weg tot herstel.

 

HebreeŽn 8:3 


Want iedere hogepriester treedt op om gaven en offers te brengen, en om die reden was het noodzakelijk, dat ook deze iets had om te offeren.

Reeds onder het oude verbond was het zo dat, om tot rechtvaardiging te komen, er offers gebracht moesten worden, want zonder bloedstorting was er geen vergeving. Paulus draait nu werkelijkheid en schaduw om. Hij zegt niet dat de aardse hogepriester iets moest brengen om het offer van Jezus af te schaduwen, maar Hij concludeert uit de schaduw dat Jezus ook iets moest offeren. De HebreeŽn begrepen immers de schaduw, want die kenden zij van kindsaf, en uit de schaduw wisten zij de werkelijkheid aangaande hun Heer. Wij beoordelen de schaduw naar de werkelijkheid die Jezus bracht.

 

HebreeŽn 8:4-5 


Indien Hij nu op aarde was, dan zou Hij niet eens priester wezen, daar er hier reeds zijn om volgens de wet de gaven te offeren. Dezen verrichten slechts dienst bij een afbeelding en schaduw van het hemelse, blijkens de godsspraak, die Mozes ontving, toen Hij de tabernakel zou gereedmaken. Zie toe, zegt Hij immers, dat gij alles maakt naar het voorbeeld, dat u getoond werd op de berg.

Als Jezus op de aarde gebleven was, zou Hij geen toegang hebben, noch tot het heilige, noch tot het heilige der heiligen. Daar mochten alleen de priesters of de hogepriesters komen, die door de wet aangesteld waren. Duidelijk wordt gezegd dat de zichtbare dienst in de tempel slechts een schaduw was van de hemelse dingen. Mozes kende de werkelijkheid, want deze was hem op de berg SinaÔ getoond. Daarom had Mozes geen bedekking op het gelaat, zoals het volk, dat bij de schaduw bleef staan en geen inzicht had in de hemelse gewesten en in de realiteit van het plan Gods (Ex. 25:40 en 2 Cor. 3:12).

De maranathaleer predikt dat er nog eens een tempel op aarde door de joden gebouwd zal worden. Indien dit zo is, zou er opnieuw een schaduwdienst zijn en zou Jezus geen toegang hebben tot zijn eigen tempel. Maar de Heer heeft een priesterschap tot in eeuwigheid, dat dus niet meer op een ander overgaat.

 

HebreeŽn 8:6 


Nu echter heeft Hij een zoveel verhevener dienst verkregen, als Hij de middelaar is van een beter verbond, waarvan de rechtskracht op betere beloften berust.

De priesters deden hun verzoenend werk en hun bemiddelende taak hier op aarde bij een afbeelding of maquette van de hemelse werkelijkheid, maar Jezus verricht zijn bemiddelend werk in het hemelse heiligdom zelf. De eersten deden dit op grond van het oude verbond, maar Jezus doet dit op grond van een nieuw verbond, dat beter en heerlijker is, omdat het een beter en eeuwig fundament heeft in zijn bloed en betere perspectieven biedt, omdat er hogere en heerlijker beloften aan verbonden zijn. Het oude verbond gaf als hoogste perspectief de rechtvaardigheid, maar het nieuwe belooft de heerlijkheid, het Gode even gelijk zijn in de gelijkvormigheid van Christus. Het bloed van Jezus is dus de grond of de rechtskracht voor het nieuwe verbond.

 

HebreeŽn 8:7-8 


Want indien dat eerste onberispelijk ware geweest, zou er geen plaats gezocht zijn voor een tweede. Want Hij berispt hen, als Hij zegt: Zie, er komen dagen, spreekt de Here, dat Ik voor het huis Israels en het huis Juda een nieuw verbond tot stand zal brengen,

Het eerste verbond was wel goed en de wet was heilig, maar het oude verbond was ontoereikend om het doel Gods met de mens te realiseren. Al heeft iemand met goed gevolg de lagere school doorlopen, dan is Hij nog niet in staat eindexamen Atheneum te doen. Het eerste verbond schoot dus tekort en door de ongehoorzaamheid en de gebondenheid van het volk IsraŽl kwam het helemaal niet tot zijn recht. 'Doch IsraŽl, hoewel het een wet ter gerechtigheid najaagde, is aan de wet (door gebondenheid en ongehoorzaamheid) niet toegekomen' (Rom. 9:31).

Daarom heeft God een nieuw verbond gemaakt, waardoor zijn plan wel ten volle gerealiseerd kan worden. Jeremia had er in hoofdstuk 31:31-34 al over geprofeteerd dat er een nieuw verbond zou komen. In het gedeelte dat aan deze tekst in Jeremia voorafgaat, lezen wij over de afwijkingen van het volk. Als het herstel van IsraŽl aanvangt, begint er ook een nieuw verbond.

Paulus citeert weer de septuaginta. Vandaar enige afwijkingen met ons oude testament. Het nieuwe verbond sloot God met het huis IsraŽls en het huis van Juda. Wij kunnen hier dus lezen: met de heidenen en met de joden, evenals in Romeinen 9:24. Nu wordt het verschil getypeerd tussen het oude en het nieuwe verbond. In het oude nam God het volk als een onwillig kind bij de hand en leidde het uit Egypte en legde het wetten en verordeningen op. Het volk was ongehoorzaam, hardnekkig en steeds murmurerend. Er is toen een dag gekomen dat God wel zijn doel met het volk bereikt had, namelijk om de Messias voort te brengen, maar waar Hij het verder als speciaal volk heeft losgelaten. Slechts de individuen worden voortaan gered, evenals bij de heidenen.

 

HebreeŽn 8:9-10 


niet zoals het verbond, dat Ik met hun vaderen maakte ten dage, dat Ik hen bij de hand nam om hen uit het land Egypte te leiden, want zij hebben zich niet gehouden aan mijn verbond en Ik heb Mij niet meer om hen bekommerd, spreekt de Here. Want dit is het verbond, waarmede Ik Mij verbinden zal aan het huis IsraŽls na die dagen, spreekt de Here: Ik zal mijn wetten in hun verstand leggen, en Ik zal die in hun harten schrijven, en Ik zal hun tot een God zijn en zij zullen Mij tot een volk zijn.

Bij de vorige tekst schreven we dat IsraŽl door God als een onwillig en weerspannig kind door middel van de wet bij de hand genomen werd. Het volk bleef evenwel ongehoorzaam en zich verzetten. Daarom liet God de hand van het kind los en het werd een volk dat ronddoolde als schapen zonder herder, dus gemakkelijk een prooi van het wild gedierte, de demonen. Onze Heer sprak in MattheŁs 21:43: 'Daarom, Ik zeg u, dat het Koninkrijk Gods van u zal weggenomen worden en het zal gegeven worden aan een volk, dat de vruchten daarvan opbrengt'. Nu wordt hier gesproken over een nieuw verbond.

Een verbond heeft altijd minstens twee deelnemers. In het oude verbond waren de partnersGod en het volk IsraŽl. God is getrouw geweest, zowel in de bevestiging van zijn beloften alsook in de straffen die voorzegd waren, zoals blijkt bij de wegvoering naar Babel. Maar de geschiedenis van het volk IsraŽl bewijst dat het voortdurend ontrouw was. Daarom stelde God een tijd vast, waarin het oude verbond zou verdwijnen. Dan waren 'die dagen' voorbij. Hij maakte toen een ander verbond, opnieuw met het huis IsraŽls, maar slechts met dat deel, dat Jezus zou aannemen. Dit restant vormde de ware olijfboom, waaruit de onvruchtbare takken weggekapt waren en waarop de takken van de wilde olijfboom der heidenen zouden geŽnt worden (Rom. 11: 19,24).

Het nieuwe verbond zou anders functioneren dan het oude. In het oude had God een wet gegeven, die het leven van buitenaf regelde en een wet die de reiniging van schuld tot stand moest brengen. In het nieuwe verbond schenkt de Heer een wet die van binnenuit, vanuit de innerlijke mens aan het leven richting geeft. God sloot dit verbond op grond van het verzoenend bloed van Jezus: 'Dit is het verbond in mijn bloed!' Door dit bloed werd eens en voor altijd de schuld vergeven van het ganse menselijke geslacht. De ceremoniŽle wetten vervielen dus geheel.

Hoe brengt de Heer het tot stand dat zijn wetten voortaan van binnenuit zouden gekend en onderhouden worden? Dit geschiedt door de Heilige Geest, welke zij ontvangen zouden, die tot geloof in Jezus kwamen (Joh. 7:39). Wanneer de Heilige Geest in de mens woont, zal deze Gods wetten in het verstand leggen. Dit wordt dus verlicht en het is dan geschikt om de gedachten Gods te 'verstaan' (verstand) of te begrijpen. Gods Geest verbindt Zich met de menselijke ziel en geest op zodanige wijze, dat Gods gedachten overgebracht worden op de innerlijke mens. In zijn binnenste of in zijn hart accordeert de mens dus met Gods wil en Hij verblijdt zich erin.

Wanneer er staat: 'Ik zal hun tot een God zijn', betekent dit: 'Ik zal hen inspireren door mijn Geest' (zie Ex. 4:16). 'En zij zullen Mij tot een volk zijn', betekent: 'Zij zullen gehoorzaam en gewillig zijn om te doen wat Ik zeg'. Zo gaat de gelovige van binnenuit leven naar Gods wil, naar zijn wetten en naar zijn bedoeling. Hij is immers naar zijn inwendige mens met God verbonden: Hij is met zijn Schepper eensgeestes.

 

HebreeŽn 8:11 


En niet langer zullen zij een ieder zijn medeburger, en een ieder zijn broeder leren, zeggende: Ken de Here, want allen zullen zij Mij kennen, van de kleinste tot de grootste onder hen.

Vroeger was het zo dat de wet voortdurend geleerd en onderwezen moest worden. Anders vergat men Gods geboden. Daarom moesten de priesters voortdurend bezig zijn met het onderricht in de wet. In het nieuwe verbond is er geen sprake meer van wetsverkondiging, geboden of regels, maar alleen van evangelieprediking. Wij verkondigen geen wetten, geboden of inzettingen, maar schuldvergeving door het bloed van Jezus Christus, verlossing en bevrijding, de doop met de Heilige Geest, een groeien en zich ontwikkelen van binnenuit door de kracht en volgens de levenswetten van de Geest, om zo de volmaaktheid te bereiken.

De priesters waren de medeburgers en de broeders die onderwijzen moesten hoe men de Heer zou leren kennen en eren. Zij die door de waarheid en de wet des Geestes vrijgemaakt zijn, zullen door de Heilige Geest God innerlijk kennen, hetzij zij pas beginnen te groeien of al naar de volwassenheid toegaan, dus hetzij zij kleinen of groten zijn.

Wanneer iemand pas op de weg is, een kind van God geworden, bevrijd en verlost en gedoopt is met Gods Geest, heeft Hij al veel ervaren van Gods genade, goedertierenheid en barmhartigheid, al moet Hij dan nog beginnen met groeien. Van de volwassenen zegt de apostel: 'Ik heb u geschreven, vaders, want gij kent Hem die van den beginne is' (1 Joh. 2:14). Ook staat er: 'Als het volmaakte komt, zal ik ten volle kennen, zoals ikzelf gekend ben' (1 Cor. 13:10-12).

 

HebreeŽn 8:12-13 


Want Ik zal genadig zijn over hun ongerechtigheden, en hun zonden zal Ik niet meer gedenken. Als Hij spreekt van een nieuw verbond, heeft Hij daarmede het eerste voor verouderd verklaard. En wat veroudert en verjaart, is niet ver van verdwijning.

Waarom kon de ceremoniŽle wet wegvallen? Waarom kan God ieder die in Christus Jezus gelooft, aannemen als zijn kind en dopen met zijn Geest? Omdat in Christus de genade Gods geworden of gekomen is, dat wil zeggen: realiteit geworden is (Joh. 1: 17). Bij het sluiten van het nieuwe verbond heeft God, door het offer van Jezus, een streep gehaald door de schuld van de gehele mensheid. Hij denkt er niet meer aan. De zonde maakte een scheiding tussen God en de mens, maar nu kan ieder die de verzoening door Jezus aanvaardt, vrijmoedig toetreden tot het nieuwe verbond en daarvan partner worden en zo terugkeren tot en in de gemeenschap komen met God.

Dit nieuwe verbond geeft dus veel grotere mogelijkheden en grotere perspectieven dan het oude. Het heeft ook veel rijkere beloften. Het is dus geen wonder, dat wanneer God dit verbond heeft ingewijd, Hij het oude laat vervallen. Dat heeft zijn tijd gehad en zijn betekenis verloren. Het doel dat God wilde bereiken, de rechtvaardigheid van de mens, is nu op een andere wijze tot stand gebracht. Hierdoor werd het oude verbond met zijn inzettingen en geboden, overbodig. De wet is verouderd, omdat haar tijd voorbij is en het nieuwe ervoor in de plaats is gekomen. Het oude verbond is verjaard, hetgeen zeggen wil dat het zijn kracht verloren heeft door ouderdom en dus op instorten staat. Vandaar de conclusie: het oude verbond is niet ver van verdwijning.

Helaas, Paulus heeft een zware strijd gehad tegen de mensen, die naast het nieuwe verbond de inzettingen en geboden van het oude willen handhaven. Hetzelfde vinden wij in onze tijd, waar ook nog vele christenen op oudtestamentische wijze zich instellen, denk maar eens aan de IsraŽl-leer, het vieren van de zondag op de manier van het sabbatsgebod, het voorlezen van de wet, enzovoort.

 
vorige pagina terug volgende pagina