Stichting Uitgeverij Rhemaprint

de brief aan de HebreeŽn
beknopte kanttekeningen door J.E. van den Brink

 
vorige pagina volgende pagina

HebreeŽn 3
vers 1-19


 

HebreeŽn 3:1 


Daarom, heilige broeders, deelgenoten der hemelse roeping, richt uw oog op de apostel en hogepriester onzer belijdenis, Jezus,

De hoofdzin is: 'Daarom richt uw oog op Jezus,' want Hij heeft onze zondeschuld weggenomen, heeft ons verlost van de machten der duisternis, geeft de kracht, door de Heilige Geest te schenken, en doet ons hopen op de heerlijkheid. Paulus spreekt tot heilige broeders. Broeder wil zeggen: kind van de hemelse Vader en heilige broeder is hij, die heil, heling of herstel, ervaren heeft. Deze heilige broeders hebben een roeping in de onzichtbare wereld om met God te verkeren en de boze te bestrijden, alsmede mede-arbeider van God te zijn, evenals Paulus was. Wanneer ze op iets anders gaan zien dan op Jezus, zullen ze hun roeping niet kunnen vervullen. Jezus wordt hier nauwkeurig geÔdentificeerd. Hij is de apostel, dit wil zeggen: de gezondene des Vaders en de hogepriester die zij belijden om heilig en volmaakt te worden.

 

HebreeŽn 3:2 


die getrouw is jegens Hem, die Hem heeft aangesteld, evenals ook Mozes getrouw was in geheel zijn huis.

Van Jezus getuigt de apostel dat Hij getrouw is jegens de Vader die Hem aangesteld heeft tot het bouwen van een tempel Gods in de Geest. Reeds op aarde heeft Hij getrouw de gedachten van God doorgegeven en de verkregen opdrachten vervuld. Hij zal ook verder getrouw de taak uitvoeren die de Vader Hem heeft gegeven. De Openbaring noemt Hem de getrouwe Getuige. Een getuige spreekt over iets wat hij gezien heeft en wat hij weet. Dit deed Jezus van de Vader en van de dingen aangaande het Koninkrijk der hemelen. Mozes had ook opdracht een huis te bouwen: een volk Gods op deze aarde te verzamelen en te leiden, en verder een aardse tabernakel te bouwen als een woonplaats voor de heiligheid en heerlijkheid des Heren.

 

HebreeŽn 3:3 


Want Hij is zoveel groter heerlijkheid dan Mozes waardig gekeurd, als de bouwmeester hoger eer geniet dan het huis.

De vergelijking zoals deze in onze vertaling staat, past niet in het verband en gaat ook mank. De bedoeling van de vergelijking is, dat Jezus zoveel meer eer toekomt dan Mozes, als zijn huis meer eer heeft dan het huis dat Mozes bouwde. Jezus is immers een leider van een volk in de hemelse gewesten en de bouwmeester van een tempel Gods in de geest, terwijl Mozes de leider was van een natuurlijk volk hier op aarde en de bouwmeester van een aardse tabernakel. Het hemelse is hoger en blijvend, het aardse is lager en tijdelijk. Ik lees dus het vers zo: 'Want deze ene is meer heerlijkheid dan Mozes waardig gekeurd, naar verhouding het huis dat hij bouwt meer eer heeft'.

 

HebreeŽn 3:4-5 


Want elk huis wordt door iemand gebouwd, maar de bouwmeester van alles is God. Nu was Mozes wel getrouw in geheel zijn huis als dienaar om te getuigen van hetgeen gesproken zou worden, maar Christus als Zoon over zijn huis.

Elk huis wordt door iemand gebouwd. Mozes bouwde een huis en Jezus bouwt een huis. Maar de opperbouwmeester, de ontwerper van alles is God. Beide huizen waren in zijn gemaakt bestek

opgenomen. Toch was er een groot verschil: wat Mozes bouwde, was slechts een schaduw, een getuigenis, een maquette van wat later komen zou. Door de wetten en de ceremoniŽn die Mozes aan het volk IsraŽl gaf en waardoor hij hen afscheidde van alle andere volken, kunnen we leren over de plannen die God in de onzienlijke wereld had, en die Jezus moest uitwerken. Mozes bouwde als dienstknecht, maar Jezus als zoon en erfgenaam. De dienaar of knecht Mozes bleef niet eeuwig in zijn huis, maar de Zoon blijft er eeuwig (Joh. 8:35). Mozes leefde en bouwde onder een volk van dienstknechten, maar Jezus leeft en bouwt onder een volk van zonen (Gal. 4:1-7).

 

HebreeŽn 3:6 


Zijn huis zijn wij, indien wij de vrijmoedigheid en de hoop, waarin wij roemen, tot het einde onverwrikt vasthouden.

Wij zijn de levende stenen waarmee Jezus het geestelijke huis bouwt. Ook wij zullen in het huis blijven, indien wij vasthouden aan hetgeen ons in genade geschonken is. Wanneer wij blijven in het geloof, behoeven wij onze vrijmoedigheid niet te verliezen, ook niet in verdrukking en in benauwdheid. Ook de hoop op de heerlijkheid (Col. 1:27) moeten wij onverwrikt vasthouden, omdat Christus in ons woont door zijn Geest. De verdrukker en aanklager wil ons juist onze vrijmoedigheid en onze hoop ontfutselen.

 

HebreeŽn 3:7-9 


Daarom, gelijk de Heilige Geest zegt: Heden, indien gij zijn stem hoort, verhardt uw harten niet, zoals bij de verbittering, ten dage van de verzoeking in de woestijn, waar uw vaders Mij verzochten door Mij op de proef te stellen, hoewel zij mijn werken zagen, veertig jaren lang;

In deze brief merken we de logische opbouw en volgorde op. Het woordje 'daarom' en 'want' komen we geregeld tegen. Het een volgt uit het andere. Het is mogelijk de goddelijke waarheden op een rijtje te leggen. 'Daarom' in vers 7 wijst terug op het heerlijke huis, dat de Heer aan het bouwen is, maar ook op vers 3 in hoofdstuk 2: 'Hoe zullen wij dan ontkomen, indien wij geen ernst maken om de genade en het heil te aanvaarden, die de Heer ons aanbiedt'. Wij moeten dit alles in het geloof aanvaarden, het vasthouden en ernaar leven. Wanneer we dit niet doen, hebben wij, hoewel de beloften aan ons geschonken werden, er toch geen deel aan en er geen profijt van. Als waarschuwing brengt de apostel de geschiedenis van het volk IsraŽl in herinnering. In 1 CorinthiŽrs 10:11 staat: 'Dit is hun overkomen tot een voorbeeld voor ons en het is opgetekend ter waarschuwing voor ons, over wie het einde der eeuwen gekomen is'.

De schrijver haalt dan de woorden aan, die de Heilige Geest de psalmist inspireerde aangaande deze dingen in Psalm 95:7-11. Hier waarschuwt God het volk IsraŽl ook reeds om zich niet te verharden, maar in geloof de beloften des Heren aan te grijpen. In de woestijn hadden zij de belofte, dat God hen brengen zou in het land Kanašn, het land der ruste, dat zij beŽrven zouden. Maar bij Massa en Meriba, toen de beproeving kwam en er geen water was, lieten zij de twijfel toe in het hart, door te zeggen: 'Wij en onze kinderen zullen in de woestijn omkomen'. Zo provoceerden zij de Heer met de woorden: 'Is Hij in ons midden of niet?' (Ex. 17:7). Wanneer het dus tegenliep, twijfelden zij aan de aanwezigheid van God. Wel een bekend verschijnsel onder vele christenen. Ze zijn dan alles kwijt. Ze hadden geen geloof en vertrouwen.

In Psalm 95 roept de psalmist op, de Heer te lofprijzen, te aanbidden en te vertrouwen dat Hij zijn volk leidt. En 'wie lof offert, eert Mij, en baant de weg dat Ik hem Gods heil doe zien' (Ps. 50:23). God kan zijn volk alleen leiden, voeren en opvoeden, als het in Hem gelooft en Hem gehoorzaam is.

Nu haalt de apostel dit ook aan voor hen die Jezus hebben aangenomen. Dezen hebben ook rijke beloften ontvangen, maar die betreffen het hemelse Kanašn, een land der ruste, en de hemelse erfenis. De volgelingen van Jezus zijn deelgenoten van een hemelse roeping. Maar de Heer kan dit alleen in hen waarmaken en voor hen realiseren, wanneer zij de stem die ze gehoord hebben, geloven en gehoorzamen.

De deelgenoten der hemelse roeping mogen geen twijfelingen in hun hart toelaten, ook al worden de omstandigheden moeilijk, want daardoor komen de machten der duisternis binnen en wordt hun hart verhard. Zij zullen de Heer dan niet langer volgen in gehoorzaamheid. Jezus herinnerde zijn discipelen in MattheŁs 13:15 aan de woorden van de profeet Jesaja. Deze sprak over een vetlaag op het hart. Een verhard hart en een hart door een vetlaag omgeven, zijn ongeschikt om de beloften vast te houden.

De HebreeŽnschrijver wijzigt uit Psalm 95 de woorden Meriba in verbittering en Massa in verzoeking. Massa betekent letterlijk beproeving of verzoeking en Meriba twist. Door hun verharding en ongehoorzaamheid stelden de IsraŽlieten God op de proef, of Hij zijn beloften aan Abrahams zaad niet teniet zou doen en dit gehele volk verderven, maar de Heer zou dit nimmer doen, want zelfs toen Hij voorstelde het volk IsraŽl uit te roeien, wilde Hij uit Mozes, een zoon van Abraham, een nieuw volk doen geboren worden (Num. 14:12). Zo had God bij de zondvloed niet het gehele menselijke geslacht doen omkomen, maar uit Noach en diens gezin de mensheid opnieuw opgebouwd.

God heeft de tijd! Op deze wijze heeft God ook in Jezus een geheel nieuw mensengeslacht geformeerd, terwijl Hij toen het natuurlijke zaad van Abraham zijn aparte positie afnam en het bij de andere volken voegde. Toch had het volk IsraŽl veertig jaar lang in de woestijn door machtige tekenen en wonderen de kracht en de heerlijkheid des Heren gezien, waarmee God getuigde dat het werkelijk zijn bedoeling was om de beloften aan zijn volk waar te maken. Zo heeft God aan de beloften van het nieuwe verbond getuigenis gegeven door tekenen en wonderen en velerlei krachten en door de Heilige Geest toe te delen naar zijn wil (2:4), als een onderpand van de hemelse erfenis.

 

HebreeŽn 3:10 


daarom heb Ik een afkeer gekregen van dit geslacht en Ik heb gezegd: Altijd dwalen zij met hun hart, en zij hebben mijn wegen niet gekend,

Alleen door geloof en vertrouwen kan men de Heer behagen, maar door verbittering, twijfel en negativisme, krijgt God een afkeer, dat wil zeggen: keert Hij zich af, omdat Hij met zulke verharde en ongehoorzame mensen niets bereiken kan. God zegt: 'Altijd dwalen zij met hun hart': zij houden Gods Woord niet vast, maar ze geloven de leugen. Deze mensen kenden het plan Gods niet en als zij het kenden, hielden zij het niet voor ogen met volharding. De weg Gods gaat dikwijls door moeilijke omstandigheden heen, maar voert altijd naar het doel. Zij kenden Gods wegen of zijn methoden niet, die de beproevingen en moeilijkheden toelaten om het volk sterk te maken in de geestelijke strijd.

 

HebreeŽn 3:11 


zodat Ik gezworen heb in mijn toorn: Nooit zullen zij tot mijn rust ingaan!

Gods toorn is zijn afkeer, waardoor de mens losgelaten en overgegeven wordt aan de opdringende machten der duisternis (zie Rom. 1, waar gesproken wordt over: God gaf ze over!). Dit ongehoorzame, verharde volk zou het beloofde Kanašn niet beŽrven. Zo is het ook in het nieuwe verbond. Wanneer wij het doel Gods niet voor ogen houden, zullen wij de hemelse erfenis niet in bezit kunnen nemen.

Voor IsraŽl was Kanašn het land der rust. Daar zou, verlost van de vijanden, een ieder onder zijn vijgenboom en wijnstok kunnen leven. Voor IsraŽl dat in Kanašn binnenkwam, was beloofd, dat wanneer zij aan God vasthielden, zij in deze rust zouden blijven. De Heer zou hen dan bewaren, beveiligen en zegenen. Ook het volk van God van het nieuwe verbond in de hemelse gewesten, mag rusten en zich verblijden in de beloften Gods, want Hij die het beloofd heeft, is getrouw. Hij zal het ook doen. Wat de boze ook mag proberen in de weg te leggen, Gods trouw, en zijn beloften falen niet.

 

HebreeŽn 3:12 


Ziet toe, broeders, dat bij niemand uwer een boos, ongelovig hart zij, door af te vallen van de levende God,

Tweemaal werd in het oude verbond gewaarschuwd dat bij volharding in ongeloof en ongehoorzaamheid, het volk niet in de rust zou ingaan. De eerste maal was dit bij Massa en Meriba in de woestijn en later herhaalt David deze waarschuwing in Psalm 95, toen IsraŽl al eeuwen lang in Kanašn leefde.

Nu past Paulus hetzelfde principe toe op de gemeente van het nieuwe verbond. Hij spreekt tot broeders, tot mensen die zich bekeerd hadden en die kinderen Gods zijn en die tot de gemeente behoorden. Toch waarschuwt hij dezen dat zij zichzelf moeten onderzoeken of zij wel in het geloof staan en of hun hart niet boos is, dit is verbonden met machten der duisternis.

Bij het volk IsraŽl was het immers zo geweest dat het uit Egypte trok en in gehoorzaamheid door de Rode Zee gegaan was. Toen geloofde het nog, maar als ze in de woestijn kwamen, er geen water vonden en hun brood opraakte, lieten ze Gods beloften los en zagen alleen op de omstandigheden. Zij begonnen te morren en aan Mozes de schuld van de ellende te geven. Zij geloofden slechts voor een tijd, zoals Jezus in een gelijkenis hierover sprak. Het zaad was bij hen in steenachtige aarde gekomen en toen verdrukking en vervolging kwam terwille van het woord en van de belofte, kwam het volk terstond ten val (Matth. 13:21). Ook hier spreekt de apostel over afvallen van de levende God.

 

HebreeŽn 3:13 


maar vermaant elkander dagelijks, zolang men nog van een heden kan spreken, opdat niemand van u zich verharde door de misleiding der zonde;

De remedie die Paulus geeft om zover niet te komen, is: vermaant elkander dagelijks of zoals in 10:24 gezegd wordt: 'Laten wij op elkander acht geven om elkaar aan te vuren tot liefde en goede werken'. Wanneer het volk murmureerde, betekende dit dat het negatief stond tegenover God; de vermaning moet erop gericht zijn, dat het hart weer gezuiverd wordt van alle negativisme en gereinigd van alle ongerechtigheid, zodat iemand weer met een ongeveinsd geloof en een goed geweten voor Gods aangezicht kan leven (1 Tim. 1:5).

Paulus voegt eraan toe: zolang men nog van een heden kan spreken, zolang de mogelijkheid van bekering er nog is, zolang de mens de tijd er nog voorheeft, zolang hij nog niet volkomen in de greep van de boze is en door de misleiding der zonde totaal verhard. De machten der duisternis misleiden de mens door de dwaling en wanneer de leugenmachten in het mensenhart infiltreren, verhardt het hart.

 

HebreeŽn 3:14 


want wij hebben deel gekregen aan Christus, mits wij het begin van onze verzekerdheid tot het einde onverwrikt vasthouden.

Paulus waarschuwt hier tegen de gedachte dat de redding en verlossing dusdanig zou zijn, dat er geen afval meer mogelijk is, dat wanneer men eenmaal deel uitmaakt van het lichaam van Christus, men dit automatisch zou blijven. Maar het lichaam is een levend organisme en iedere cel die dood is, verhardt, en wordt weggestoten uit het weefsel. De voorwaarde is, dat de christen in de woorden Gods blijft, de beloften vasthoudt en de hoop die deze beloften wekken, niet loslaat.

Het begin van onze verzekerdheid is het geestelijk fundament dat in ons leven gelegd is (Hebr. 6:1). Hierop mogen wij immers bouwen en een tempel Gods doen verrijzen. Wanneer twijfel komt, omdat er verdrukking en vervolging zijn, om des woords wil, wordt het fundament losgelaten. Dan zegt men twijfelend met het volk IsraŽls in de woestijn: 'Is de Here in ons midden of niet?' (Ex. 17:7). Zo bleek het ongeloof van IsraŽl tevens uit de vraag: 'Zou Hij ook brood kunnen geven of vlees verschaffen aan zijn volk in de woestijn?' Let erop dat de Heer telkens krachtig moest ingrijpen (Ps. 78:17-37).

 

HebreeŽn 3:15 


Als er gezegd wordt: Heden, indien gij zijn stem hoort, verhardt uw harten niet zoals bij de verbittering.

God spreekt tot zijn volk door zijn woord en geeft hun beloften. Deze had het volk in de woestijn en ook in Kanašn en deze heeft de gemeente in de hemelse gewesten. Tegenover Gods Woord, zijn beloften en toezeggingen, kon het volk ůf zich positief opstellen ůf negatief vragen: 'Waar blijft de vervulling dan?' In de gemeente kan men ook op dezelfde wijze reageren. Wij weten dat door volharding en geloof de beloften gerealiseerd worden.

 

HebreeŽn 3:16 


wie waren het dan, die, hoewel zij de stem gehoord hadden, God verbitterden? Waren dat niet allen, die onder Mozes uit Egypte waren uitgegaan?

Wie provoceerden God, dit wil zeggen daagden God uit om in te grijpen? Wie waren het die er als het ware om vroegen dat God zijn kracht zou openbaren? Die niet langer konden wachten? Die ook Gods dienstknechten Mozes en Ašron in hun provocaties betrokken en hen verdacht maakten, door te zeggen: 'Ze hebben ons in de woestijn gebracht om ons daar te laten sterven', terwijl deze leiders alleen de opdracht van de Heer vervulden. Zo werden Mozes en Ašron verdacht gemaakt en beschuldigd.

De schrijver wijst erop dat deze opstandigen geen heidenen waren, maar tot het verbondsvolk behoorden, die in eerste instantie de beloften Gods gekregen en ook aanvaard hadden. Zij hadden ook deelgenomen aan het Pascha en het bloed op de deurposten had hen beveiligd. Zij waren in gehoorzaamheid achter Mozes en Ašron uitgetrokken. God had hen door een machtige arm geleid. Ze waren door de Rode Zee gegaan en hadden de overwinning op hun vijanden in lofliederen bezongen.

 

HebreeŽn 3:17-19 


En van wie heeft Hij een afkeer gehad, veertig jaren lang? Was het niet van hen, die gezondigd hadden en wier lijken in de woestijn lagen? Aan wie anders zwoer Hij, dat zij tot zijn rust niet zouden ingaan, dan aan hen, die ongehoorzaam geweest waren? Zo zien wij, dat zij niet konden ingaan wegens hun ongeloof.

Waren zij maar gelovig en gehoorzaam gebleven, dan had God zijn beloften aan hen kunnen vervullen. Dan had Hij in de woestijn honingbeken doen vloeien uit de rotssteen en daar zelfs vette tarwe doen groeien (Ps. 81:16 en 17). Toen het volk zich van God afkeerde, liet Hij het heengaan in de verstoktheid (Ps. 81:13). Hij keerde Zich van hen af. Ongehoorzame kinderen zijn niet te leiden en onopvoedbaar, noch in het natuurlijke noch in het geestelijke leven. Het gevolg was dat de ongehoorzamen het doel niet bereikten en in de woestijn stierven, want zonder geloof is het onmogelijk God te behagen en ongehoorzaamheid is de zonde der toverij, dus een verbinding met boze geesten.

 
vorige pagina terug volgende pagina