Stichting Uitgeverij Rhemaprint

de brief aan de HebreeŽn
beknopte kanttekeningen door J.E. van den Brink

 
vorige pagina volgende pagina

HebreeŽn 12
vers 1-29


 

HebreeŽn 12:1 


Daarom dan, laten ook wij, nu wij zulk een grote wolk van getuigen rondom ons hebben, afleggen alle last en de zonde, die ons zo licht in de weg staat, en met volharding de wedloop lopen, die voor ons ligt.

In het vorige hoofdstuk heeft Paulus het gehad over de velen die in Gods woorden geloofd hebben en die een getuigenis ontvingen. Hij vergelijkt nu dezen met een grote wolk. Het Griekse woord 'nťphos' dat hier vertaald is met wolk of nimbus, kan ook weergegeven worden door 'grote menigte'. Inderdaad is een wolk een grote verzameling van waterdruppels. Gods volk wordt meerdere malen vergeleken bij een wolk, inzonderheid bij de wederkomst van Jezus. Hij komt op of met de wolken des hemels (Matth. 24:30 en Marc. 14:62). In Openbaring 14:14 ziet Johannes 'een witte wolk en op die wolk iemand gezeten als eens mensen zoon'. Bij de wederkomst des Heren worden 'de levend overgeblevenen' verenigd met de ontslapenen en samen met hen op, of liever in wolken weggevoerd (1 Thess. 4:16,17).

Deze getuigen hebben wij rondom ons, niet op aarde, maar in de hemelse gewesten. De wolk is beeld van de verheven plaats die ingenomen wordt. Wanneer wij hun geloof en hun vertrouwen overdenken en willen navolgen, zullen wij daardoor opgebouwd worden. In de onzienlijke wereld rusten deze ontslapenen van al hun moeiten, totdat ze opgewekt worden en opstaan om opnieuw hun opdrachten uit te voeren in de zienlijke en onzienlijke wereld. Zij hebben als ontslapenen geen taak meer in de aardse sferen, zoals de engelen die hebben om te dienen, te helpen of te beschermen. 'Beschermheiligen' zijn er niet. Paulus is zich bewust dat hij slechts voor anderen werken kan zolang hij leeft. 'Indien ik in het vlees blijf leven, betekent dat voor mij werken met vrucht' (Filip. 1:22).

Het leven van deze geloofsgetuigen moet voor ons een stimulans zijn om ook volhardend op de weg Gods verder te gaan. Deze weg wordt vergeleken met een wedstrijdbaan, waar hard gelopen wordt om een prijs te behalen. De apostel vermaant om, evenals de hardloper in de natuurlijke wereld, alles wat hindert of in de weg staat, te verwijderen, zodat men onbelemmerd kan jagen naar het doel. Afgelegd moeten worden: de last van de schuld en de last van geboden en inzettingen, waaronder de HebreeŽrs van huis uit gebukt gingen. Verbroken moet worden ieder contact met de zondemachten, want deze remmen de loper af, of brengen hindernissen op zijn weg, waardoor het voortgaan belemmerd wordt.

Bij zonde wordt niet gedacht aan individuele, grove zonden, maar vooral aan 'de zonde, die ons lichtelijk omringt' (St. Vert.), die iedereen doet en waardoor men dus omgeven is. Het gevaar van zulk kwaad is, dat het door zijn algemeenheid het karakter van wetteloosheid verliest en dus niet meer als zonde gezien of aangerekend wordt. Denk bijvoorbeeld aan roken, drinken, moderne huwelijksopvattingen, oneerlijkheden op financieel gebied, inzonderheid bij zakenmensen, enzovoort. Al deze dingen verhinderen de gelovigen zich vrij te bewegen en ze zijn de oorzaak dat zij de wedstrijd niet tot het einde kunnen uitlopen en hem winnen. Wanneer men alles afgelegd heeft, komt het slechts op volharding en geduld of lijdzaamheid aan.

Wij merken tenslotte nog op, dat onze tekst begint met 'daarom', wat terugwijst naar onze opdracht waarover Paulus in de twee laatste verzen van het vorige hoofdstuk spreekt. Al de genoemde gelovigen kunnen zonder ons niet tot de volmaaktheid komen. Dit is voor ons niet alleen een vreugde, maar legt ook een grote verantwoording op, want wij zullen ons moeten beijveren om zelf eerst het voorgestelde doel te bereiken. Daarom moeten wij alles wat belemmert, afleggen en met onze volle inzet de wedloop lopen die voor ons ligt.

 

HebreeŽn 12:2 


Laat ons oog daarbij alleen gericht zijn op Jezus, de leidsman en voleinder des geloofs, die, om de vreugde, welke voor Hem lag, het kruis op Zich genomen heeft, de schande niet achtende, en gezeten is ter rechterzijde van de troon Gods.

Er is maar ťťn mogelijkheid om de wedloop vol te houden, dat is voortdurend te zien naar Jezus, die door de kracht van God zijn loop tot een goed einde heeft gebracht, die ook ons de mogelijkheid gegeven heeft om aan de wedstrijd mee te doen. Hij geeft de Heilige Geest en nodigt ons uit om zijn voorbeeld te volgen en in het geloof te eindigen waar Hij geŽindigd is, namelijk als een overwinnaar op de troon. Jezus is onze leidsman die de weg heeft getoond en die ons voorgegaan is.

Het Griekse voorzetsel 'anti' dat hier vertaald is met 'om', kan ook 'in plaats van' betekenen. Met 'om' de vreugde wordt dan bedoeld, dat de Heer Zich verheugde in het doel dat Hij met zijn lijden en sterven bereiken zou, namelijk vele zonen tot heerlijkheid te brengen. Hij zag dan als Mozes op de vergelding van het loon. In de tweede betekenis 'in plaats van', duidt het op de vreugde der heerlijkheid, waarop Jezus recht had toen Hij zijn aardse loopbaan geŽindigd had (zie Joh. 17:4,5). In plaats van deze vreugde verkoos Hij de wil des Vaders te doen en het kruis op Zich te nemen. De kruisdood was een schande, namelijk de dood van een vervloekte, zoals er staat: 'Vervloekt is een iegelijk die aan het hout hangt'. Ook voor deze smaad is Jezus niet teruggeweken en daarom heeft Hij de naam ontvangen boven alle naam en de ereplaats aan Gods rechterzijde in het hemelse Koninkrijk, waar Hij macht ontvangen heeft, degenen die in Hem geloven, tot volkomenheid te brengen.

 

HebreeŽn 12:3 


Vestigt uw aandacht dan op Hem, die zulk een tegenspraak van de zondaren tegen Zich heeft verdragen, opdat gij niet door matheid van ziel verslapt.

Moedigt de wolk van getuigen ons reeds aan, nog meer worden wij versterkt en bekrachtigd, wanneer wij onze aandacht richten op het voorbeeld van Jezus zelf, die zolang Hij op aarde was, tegenstand en tegenspraak heeft ondervonden, zowel in de zienlijke als in de onzienlijke wereld. Zo zullen ook wij als zijn volgelingen vanuit beide sferen tegengesproken en tegengewerkt worden (zie Handelingen 28:22).

Wanneer wij op Jezus zien, zullen wij niet licht de moed verliezen, want wij weten dat Hij ondanks dit alles toch overwonnen heeft en het beloofde volkomen heeft verkregen (zie Gal. 6:9). Wanneer wij mat of moedeloos worden, verslapt of bezwijkt onze ziel of onze inwendige mens. Wij geven de hoop dan op en beŽindigen de wedstrijd zonder resultaat.

 

HebreeŽn 12:4-6 


Gij hebt nog niet ten bloede toe weerstand geboden in uw worsteling tegen de zonde, en gij hebt de vermaning vergeten, die tot u als tot zonen spreekt: Mijn zoon, acht de tuchtiging des Heren niet gering, en verslap niet, als gij door Hem bestraft wordt, want wie Hij liefheeft, tuchtigt de Here, en Hij kastijdt iedere zoon, die Hij aanneemt.

Jezus heeft altijd weerstand geboden aan de machten der duisternis. Hij heeft nooit toegelaten dat een boze geest zijn leven beÔnvloedde. Tenslotte zijn al onze ongerechtigheden op Hem aangelopen en heeft Hij zijn bloed, dat is zijn leven, gegeven om ons te redden. Dit was van de HebreeŽn nog niet geŽist. Zij zouden nooit hun bloed behoeven te geven tot verzoening der mensheid, maar het zou wel kunnen zijn dat sommigen onder hen voor de keus gesteld zouden worden, voor de machten der duisternis te zwichten, of hun leven als martelaar te geven.

Wij kunnen dit vers dus zo lezen: 'Jullie zijn nog niet opgeroepen om je bloed te vergieten in de strijd tegen de zondemachten'. Hun leven was dus nog niet ten einde. Zij hielden nog een tijdperk over, waarin de Heer hen nog verder tot de volmaaktheid kon voeren. Zij mochten behoren tot de groepering die de volkomenheid bereiken kon (hoofdstuk 11:40). Zij waren weliswaar geen kinderen meer, maar zij werden door de Heer aangesproken als zonen, dus als geestelijke mensen op weg naar de mannelijke rijpheid. De Heer wilde hen nog verder opvoeden, opdat zij volkomen geschikt zouden zijn voor het doel dat Hij met hen voorhad. Hij wilde hen maken tot mensen Gods, tot alle goed werk volmaakt toegerust.

Met een aanhaling uit Spreuken 3:11 en 12, met een beeld uit de natuurlijke wereld, maakt de apostel duidelijk wat de Heer bedoelt. Het Griekse woord 'padela' wordt hier vertaald door tuchtiging, dat in ons tegenwoordig spraakgebruik de betekenis gekregen heeft van lichamelijke kastijding. Het kan evenwel ook vertaald worden door opvoeding, onderwijzing, training of oefening. In EfeziŽrs 6:4 wordt bijvoorbeeld dit woord gebruikt in de tekst: 'En gij vaders, verbittert uw kinderen niet, maar voedt hen op of brengt hen groot in de 'tucht of onderwijzing'. In 2 TimotheŁs 3:16 wordt hetzelfde woord gebruikt voor 'opvoeden' in de gerechtigheid. Het woord 'tuchtigen' komt heel vaak in de Spreuken voor.

Dat daar geen sprake is van lichamelijke kastijding, blijkt wel uit de uitdrukking: 'Hoort, zonen, de tucht van een vader' (hoofdstuk 4:1). Slagen voelt men, maar een onderwijzing wordt gehoord. In Spreuken 8:10 staat in de Statenvertaling: 'Hoort mijn tucht aan'. De Nieuwe Vertaling luidt: 'Neemt mijn vermaning aan'. In Spreuken 4:13: 'Houd vast aan de tucht' en in hoofdstuk 6:23: 'De vermaningen der tucht zijn een weg ten leven'.

De apostel vermaant de zonen Gods de leiding van de Heer op te merken en deze vast te houden. Zij moeten het niet laten zitten, wanneer de Heer 'bestraft'. Het Griekse woord 'elengcho' dat hier gebruikt wordt, betekent ook: overtuigen, berispen, iemands fouten onder ogen brengen. Dit komt onder meer voor in Johannes 16:8: 'Hij zal de wereld overtuigen', in MattheŁs 18:15: 'Bestraf hem onder vier ogen', in 1 CorinthiŽrs 14:24: 'Dan wordt hij door allen weerlegd' (overtuigd), in Lucas 3:19: 'De viervorst Herodes werd door hem bestraft' en in EfeziŽrs 5:11: 'Maar ontmaskert ze veeleer'.

Verslappen betekent: ophouden met weerstand bieden, bezwijken, dus de strijd opgeven. Zoals men bezwijkt bij lichamelijke uitputting, zo dreigt in de geestelijke strijd ook een verslapping door moeheid, vooral wanneer de strijd lang duurt. In de geestelijke wereld is dit evenwel niet nodig, doordat de heilige Geest onze geest krachtig ondersteunen wil. Deze vermaning sluit aan bij hoofdstuk 10:38, waar nalatigheid in het geloven en in het worstelen dreigt. Alle moeilijkheden die de boze op onze weg brengt, zijn van 's Heren kant oefeningen en trainingen, die ons opvoeden om overwinnaar te worden, geoefenden die tot alle goed werk volmaakt toegerust zijn.

Uit het bovenstaande blijkt wel, dat zelfs de Spreukendichter, wanneer hij over 'tuchtiging' sprak, niet in de eerste plaats aan lichamelijke straf dacht, maar aan opvoeding en onderwijzing. Zo bedoelt de apostel, wanneer hij hier over tuchtigen schrijft, niet het aantasten van het lichaam, maar een training in het weerstaan van boze geesten ten einde de gelovigen op alle fronten tot overwinnaars op te voeden. Het lichamelijk tuchtigen van kinderen is tegen vlees en bloed gericht en valt dus buiten de worsteling in het Koninkrijk der hemelen.

Wie Hij liefheeft, dus die de Heer als zonen toebehoren, voedt Hij op en wijst Hij op hun fouten. Ook kunnen er vervolgingen en verdrukkingen komen, die pijn en ontbering betekenen voor het natuurlijke leven. Dat tuchtiging ziekte voor het kind van God zou betekenen, die Hem van 's Heren hand toe zou komen, is een absurde gedachte. Iedere goede gave komt van God en elk volmaakt geschenk daalt van boven neer, van de Vader der lichten (Jac. 1:17).

Zo beschrijft Paulus zijn 'kastijding' met de woorden: 'Van de joden heb ik vijfmaal de veertig-min-ťťn slagen ontvangen, driemaal ben ik gestenigd', enzovoort (2 Cor. 11:23-29). Dit waren de verdrukkingen of kastijdingen die hij leed terwille van de zaak van Christus. Wanneer Paulus bidt om verlost te worden (van de boze, deze engel van satan, die vaak mensen gebruikt), wijst de Heer hem op de noodzakelijkheid hiervan, door te zeggen: 'Want de kracht (Gods) openbaart zich eerst ten volle in zwakheid' (2 Cor. 12:9).

Jezus wees erop dat voor degenen die alles prijsgegeven hebben om Zijnentwil, rijke vergelding te wachten staat, maar met verdrukkingen (Marc. 10:30). In Johannes 16:33 wordt gezegd, dat wij in de wereld verdrukkingen zullen hebben, maar ook daar versterkt de Heer ons met de woorden: 'Houdt goede moed'. Wie tot zoon aangenomen wordt, moet een louteringsproces doorstaan, zoals ook in Maleachi 3:3 staat: 'Hij zal zitten, het zilver smeltend en reinigend. Hij zal de zonen van Levi reinigen, Hij zal hen louteren als goud en als zilver'. Dit is niet zinloos, want de profeet vervolgt: 'opdat zij de Heer in gerechtigheid offer brengen' en de HebreeŽnschrijver zegt in vers 10: 'Opdat wij deel verkrijgen aan zijn heiligheid'.

 

HebreeŽn 12:7-8 


Als tuchtiging hebt gij dit te dragen: God behandelt u als zonen. Want is er wel een zoon, die door zijn vader niet getuchtigd wordt? Blijft gij echter vrij van de tuchtiging, welke allen ondergaan hebben, dan zijt gij bastaards, en geen zonen.

Uit de opvoeding die de Heer aan zijn kinderen geeft, blijkt dat Hij hen tot zonen wil maken, die Hij als volwaardige partners of 'deelgenoten in de hemelse roeping' bekwaam maakt voor de arbeid in zijn dienst. Iedere vader zal zijn zoon willen opvoeden en naar een bepaald doel willen leiden. Zo doet ook de Heer met zijn kinderen. Kijkt een vader niet naar zijn kind om, dan betekent dit dat hij hem niet als zoon erkent en zich geen inspanning voor hem getroost en geen belang stelt in zijn toekomst. Dan beschouwt hij hem als een onwettig kind, als een jongen die in zijn gezin niet thuishoort.

 

HebreeŽn 12:9-10 


Voorts, de tuchtiging van onze vaders naar het vlees hebben wij ondergaan en wij zagen tegen hen op; zullen wij ons dan niet nog veel meer onderwerpen aan de Vader der geesten, en leven? Want zij hebben ons voor luttele dagen naar hun beste weten getuchtigd, maar Hij doet het tot ons nut, opdat wij deel verkrijgen aan zijn heiligheid.

Vlees staat hier niet in verband met tuchtiging, maar met vaders. Wij hebben een vader naar het vlees die ons in de natuurlijke wereld opvoedde en wij hebben een geestelijke Vader die ons in de onzienlijke wereld opvoedt. God is voor ons de enige geestelijke vader, want er staat: 'Gij zult op aarde niemand uw vader noemen, want ťťn is uw Vader, Hij, die in de hemelen is' (Matth.23:9). Met vaders naar het vlees bedoelt Paulus hier de gelovige joden van het oude verbond, het IsraŽl naar het vlees (1 Cor. 10:18). Zij hebben hun zonen een religieuze opvoeding gegeven naar de wet en in de tucht en vermaning des Heren; dat was het beste wat zij konden doen.

Wanneer een joodse jongen respect voor zijn vader had, naar diens tucht hoorde en ernaar handelde, kon hij opgroeien tot een rechtvaardige naar de wet. Maar al hield hij trouw alle geboden, voorschriften en inzettingen, dan was dit toch slechts voldoende voor luttele of enkele dagen. Dan had hij intussen weer gezondigd en moest hij opnieuw alle ceremoniŽn afwerken. Wanneer wij evenwel luisteren naar de onderwijzing en vermaning, dus naar de tucht van onze hemelse Vader, brengt deze ons op de weg die ten eeuwigen leven leidt. De bedoeling van de schrijver is natuurlijk om opnieuw de waarde van het nieuwe en het betere verbond tegenover het oude en mindere verbond te stellen. Het gaat hier niet over de wijze van opvoeding van kinderen, hoewel we er wel het een en ander uit kunnen leren, maar dit is terzijde.

Er is sprake van een Vader der geesten, omdat God Zelf de levensadem of geest in de mens gebracht heeft. Hierdoor onderscheidt de mens zich van alle andere levende zielen. God is dus de vader van de engelen en ook die van de wereldgeesten of menselijke geesten.

God onderwijst en vermaant door zijn woord en door zijn Geest, opdat wij heilig zouden zijn, zoals Hij heilig is, dit is afgescheiden van iedere duistere macht en diens beÔnvloeding; dus volkomen gaaf. Jezus zegt: 'Gij dan zult volmaakt zijn, gelijk uw hemelse Vader volmaakt is' (Matth. 5:48).

 

HebreeŽn 12:11 


Want alle tucht schijnt op het ogenblik zelf geen vreugde, maar smart te brengen, doch later brengt zij hun, die erdoor geoefend zijn, een vreedzame vrucht, die bestaat in gerechtigheid.

Om ons op te voeden, om ons strijdbaar en sterk te maken, zodat wij volwaardig in de hemelse gewesten kunnen leven, gebruikt de Heer ook de verdrukking en bespaart Hij ons de aanvallen van de boze niet. Velen overleggen dan: waarom overkomt mij dit en waarom laat God dit toe? Zij vragen zich dan af of zij soms gezondigd hebben. Dit behoeft evenwel niet zo te zijn, want de duivel wacht niet op een reden om aan te vallen. Het is zijn natuur die hem dwingt te roven en te moorden.

God wil dat wij in de hemelse gewesten leren onderscheiden tussen goed en kwaad, dat wij het goede van God aanvaarden, maar dat wij ons door de kracht van de Heilige Geest verzetten tegen alles wat de boze in ons en door ons bewerken wil. In de eerste plaats moeten wij ons dus oefenen in het onderscheiden van goed en kwaad en dan moeten wij ons ook trainen in de strijd, om telkens weer als overwinnaar te voorschijn te treden. Om een ander beeld te gebruiken: wij moeten repetities, tentamens en examens afleggen om het gewenste einddiploma te behalen.

Wij merken op dat iemand die regelmatig een pak slaag krijgt, daardoor geen geoefende wordt, of een wedstrijdprestatie zal leveren, of een diploma behalen. Gods opvoedingsmethode geeft als vrucht een blijvende gerechtigheid. Deze wordt in vrede gezaaid, dit wil zeggen in een hart dat met God verzoend is en zijn woord wil bewaren. Zij is voor hen die vrede stichten en daarom Gods zonen zullen genoemd worden (Jac. 3:18 en Matth. 5:9, waar voor het woord 'kinderen' beter 'zonen' kan gelezen worden).

Al deze verdrukkingen, louteringen, beproevingen en examens zijn niet gemakkelijk en vreugdevol, maar zij brengen vaak moeite en verdriet met zich. Dit is het lijden om Christus' wil, zoals ook Hij door lijden gehoorzaamheid geleerd heeft en het doel bereikte. Zo zullen ook wij moeten lijden om het Koninkrijk Gods waardig geacht te worden, dit wil zeggen, om waardige zonen Gods te worden (2 Thess. 1:5).

 

HebreeŽn 12:12-13 


Heft dan de slappe handen op en strekt de knikkende knieŽn, en maakt een recht spoor met uw voeten, opdat hetgeen kreupel is niet uit het lid gerake, doch veeleer geneze.

Wanneer wij nu weten dat het onderwijs, de vermaningen, de verdrukkingen en de beproevingen een doel hebben, moeten wij ons niet laten ontmoedigen en niet verslappen. Wanneer wij dit een ogenblik gedaan hebben, vermaant de apostel: 'Heft de werkeloze, slappe handen op en strekt de van vrees knikkende knieŽn'. In EfeziŽrs 6:14 staat: 'Stelt u dan op!' in de volle wapenrusting. Wanneer verleiding en verdrukking komen, wees dan niet beangstigd, maar houd de rechte koers, die over de hoge weg naar het doel Gods voert.

Wij moeten niet alleen staande blijven voor onszelf, maar ook rekening houden met de zwakken en beschadigden die van ons hulp verwachten. Indien wij sterk worden in het geloof en in de Heilige Geest, zijn wij in staat ook hen te helpen en te ondersteunen. Indien wij de moed opgeven, raken zij uit de gemeenschap met God, omdat zij het contact met het lichaam des Heren missen.

 

HebreeŽn 12:14 


Jaagt naar vrede met allen en naar de heiliging, zonder welke niemand de Here zal zien.

In het Koninkrijk Gods heerst vrede. Het is van groot belang dat wij daarom ook in vrede leven. Dit niet alleen met God, maar ook met onze broeders en zusters en met allen, voor zover het van ons afhangt. Een dienstknecht des Heren moet niet twisten. Ook moeten wij ons onthouden van iedere vorm van kwaad en elke gemeenschap met de boze verbreken, want onze God is ťťn en Hij wil dat wij ook ťťn zijn en niet een verdeeld hart hebben. Onze God is heilig en wanneer wij in zijn gemeenschap willen leven, zullen ook wij heilig moeten zijn, dus afgezonderd van het kwaad.

 

HebreeŽn 12:15 


Ziet daarbij toe, dat niemand verachtere van de genade Gods, dat er geen bittere wortel opschiete en verwarring stichte, en daardoor zeer velen zouden besmet worden.

De genade Gods voorziet in onze rechtvaardigmaking, maar de rijkdom der genade voorziet in alles om ons onberispelijk, zonder vlek en rimpel te doen zijn. Wij moeten ons er evenwel op toeleggen deze genade in ontvangst te nemen en de kansen ons niet te laten ontglippen. Gewaarschuwd wordt voor bitterheid, dus ook voor jalousie, nijd en twist. De eerste negatieve gedachte, de bittere wortel, moet ogenblikkelijk geweerd worden, zodat deze zich niet verder ontwikkelen kan en ons in verwarring brengen door ons uit het Koninkrijk Gods te halen. Wanneer deze ondeugden in de gemeente postvatten, worden dikwijls velen erdoor besmet. In plaats van de vrede en de blijdschap van het Koninkrijk Gods, zien wij dan ruzie, verwarring en partijschap ontstaan.

 

HebreeŽn 12:16-17 


Laat niemand een hoereerder zijn, of onverschillig als Ezau, die voor een spijze zijn eerstgeboorterecht verkocht. Want gij weet, dat hij later, toen hij toch de zegen wilde erven, afgewezen werd, want toen vond hij geen plaats voor berouw, hoewel hij het onder tranen zocht.

Gewaarschuwd wordt voor geestelijk overspel, waarbij de christen in twee, elkander vijandige, werelden leeft. Hij heeft dan nu eens contact met God en dan weer connectie aangeknoopt met de boze. Wij moeten ook tegenover de voorrechten die God ons aanbiedt en waartoe Hij ons als erfgenaam opvoedt, niet onverschillig staan. Wij zijn eerstgeborenen van een vernieuwde schepping en dit stelt eisen en geeft verplichtingen. Wanneer wij deze heerlijkheden verachten of niet op prijs stellen, zullen ze ons later ook niet meer ten deel vallen.

Het klassieke voorbeeld daarvan is in de bijbel de figuur van Ezau, die voor een schotel linzenmoes zijn eerstgeboorterecht verkocht, maar die later wel de zegen ervan wilde hebben. Hij zocht deze onder tranen, maar zijn berouw kwam te laat. Zo zijn er nu ook nog velen die zich niet willen uitstrekken naar de volle rijkdom van het evangelie, omdat zij aan de rijkdom van het tijdelijke leven de voorkeur geven. Zij zullen later de kroon der heerlijkheid moeten missen.

 

HebreeŽn 12:18-21 


Want gij zijt niet genaderd tot een tastbaar en brandend vuur, tot donkerheid, duisternis en stormwind, tot het geklank van een bazuin en tot het geluid van een stem, bij het horen waarvan zij verzochten, dat niet verder tot hen gesproken werd; want zij konden dit bevel niet dragen: Zelfs als een dier de berg aanraakt, zal het worden gestenigd. En zo ontzaglijk was het verschijnsel, dat Mozes zeide: Ik ben enkel vreze en beving.

In de HebreeŽnbrief wordt telkens het nieuwe verbond tegenover het oude gesteld. De conclusie is dan steeds dat het nieuwe verbond beter, heerlijker en groter is dan het oude. De schrijver spreekt van een betere middelaar, een hoger bouwwerk, een betere wetgeving, een betere rust, een betere hogepriester, een beter heiligdom, een volmaakte of een hogere roeping (een hemelse roeping), een geloof dat verder omhoog voert dan dat van de geloofsgetuigen in hoofdstuk 11, namelijk naar de volmaaktheid, en een betere of hogere opvoeding (tuchtiging) die van eeuwig nut is.

Nu wordt ons de verhevenheid van de berg Sion boven de SinaÔ getekend. Op de SinaÔ werd het oude verbond in de zienlijke wereld aangegaan en op de berg Sion, beeld van de Heilige Geest, wordt het nieuwe verbond in de onzienlijke wereld tot werkelijkheid gebracht. De apostel herinnert hier aan de wetgeving op de SinaÔ die gepaard ging met ontzagwekkende natuurverschijnselen, terwijl de bazuin blies en de stem van God gehoord werd. Het was geen tastbaar vuur, maar de meeste vertalingen spreken over een tastbare berg, waarop een laaiend vuur gezien werd. Daarop daalde God neer in een donkere wolk die duisternis bracht, terwijl een stormwind loeide (Ex. 19, Deut. 4 en 5).

De IsraŽlieten hoorden het geluid van een bazuin dat aanzwol en dan de stem van God uit de wolk die de tien geboden uitsprak. De Heer had nog veel meer tot hen te spreken, maar alles was zo indrukwekkend en overweldigend, dat het volk het niet meer rechtstreeks durfde aan te horen. De IsraŽlieten vreesden dan te zullen sterven vanwege de heiligheid en de heerlijkheid des Heren. Daarom vroegen zij Mozes tussenbeide te komen. Zij waren zich zo bewust van hun onheiligheid, dat het bevel van God hun te machtig was, daar Hij zelfs een dier verbood, op straffe des doods, de berg aan te raken.

Wanneer zij als onheiligen rechtstreeks naar de heilige woorden van God luisterden, wisten zij dat zij in contact kwamen met de luister van God en dat kon niet anders dan hun dood tot gevolg hebben. Zelfs moesten een mens of dier, wanneer zij de berg, vanwaar God sprak, aanraakten, gedood worden. Zij moesten gestenigd, of met pijlen doorschoten worden, zodat degenen die hen doodden niet met hun slachtoffers in aanraking zouden komen. Het volk wist dat alles wat onheilig was en in aanraking kwam met de heiligheid des Heren, moest sterven.

Ook Mozes was diep onder de indruk van dit machtige gebeuren, maar hij ging, toen de Heer hem riep, onbevreesd de berg op. Wanneer staat er van hem dat hij vreesde en beefde? Toen hij bang was dat God zijn volk na deze betoning van zijn heerlijkheid zou verdelgen, omdat zij feest gevierd hadden met het gouden kalf (Deut. 9:19). Bij deze gelegenheid sprak Mozes zelfs tot God: 'Doe mij toch uw heerlijkheid zien!' (Ex. 33:18). Mozes was zich wel bewust dat de Here de zonden bezoeken zou en daarom vreesde hij voor het volk, maar hij wist dat hij zelf een rechtvaardige was.

 

HebreeŽn 12:22-24 


Maar gij zijt genaderd tot de berg Sion, tot de stad van de levende God, het hemelse Jeruzalem, en tot tienduizendtallen van engelen, en tot een feestelijke en plechtige vergadering van eerstgeborenen, die ingeschreven zijn in de hemelen, en tot God, de Rechter over allen, en tot de geesten der rechtvaardigen, die de voleinding bereikt hebben, en tot Jezus, de middelaar van een nieuw verbond, en tot het bloed der besprenging, dat krachtiger spreekt dan Abel.

Nu volgt de beschrijving van de heerlijkheid van het nieuwe verbond dat in de onzienlijke wereld functioneert. God verschijnt nu door de Heilige Geest, waarvan de berg Sion een beeld is. Op deze kracht rust de stad Gods, die gevormd wordt door diegenen die Jezus als hun rechtvaardigmaker aanvaard hebben, die dus gereinigd zijn in zijn bloed. In het nieuwe verbond gaat het niet om een tastbare berg en om een zichtbare stad, maar om een geestelijke berg en om een hemels Jeruzalem. Dit is de stad die Abraham in hope voor ogen had en wij in geestelijke realiteit zien.

Van deze geestelijke berg wordt gesproken in Romeinen 11:26 en in Openbaring 14:1, waar de 144.000 zich op deze berg bevinden rondom Jezus en daar de tempel Gods in het hemelse Jeruzalem vormen. Van deze stad lezen wij ook in Galaten 4:26. Daar wordt gezegd dat het hemelse Jeruzalem vrij is en onze moeder. Verder wordt het nieuwe Jeruzalem genoemd in Openbaring 3:12 en Openbaring 21 en 22.

Wij leven in het nieuwe verbond te midden van tienduizenden engelen in de hemelse gewesten, die allen uitgezonden zijn tot dienstbetoon aan de heiligen (Hebr. 1:14).

De Statenvertaling heeft in plaats van een feestelijke en plechtige vergadering, de meer letterlijke vertaling: 'Tot de algemene vergadering en de gemeente der eerstgeborenen, die in de hemelen opgeschreven zijn'. Deze algemene vergadering of feestvergadering duidt op de verzameling van de gelovigen van alle tijden, genoemd het nieuwe Jeruzalem. De gemeente van eerstgeborenen ziet op het nieuwtestamentische lichaam des Heren als tempel Gods in de heilige stad.

De namen van alle inwoners van het hemelse Jeruzalem zijn opgetekend in het boek des levens. Reeds Mozes zei: 'Delg mij uit uw boek' ten behoeve van dit volk (Ex. 32:32). De apostel zegt evenwel, dat wij in zekere zin eerstelingen zijn onder Gods schepselen (Jac. 1:18). Christus is de eerstgeborene en die in Hem zijn, worden met Hem gerekend.

In het oude verbond richtte God Zich alleen tot het volk IsraŽl, maar in het nieuwe is de middelmuur des afscheidsels weggebroken en richt God Zich tot allen en oordeelt Hij ook allen als rechter. De volken worden immers eenmaal allen geoordeeld naar het evangelie van Jezus Christus (Rom. 2:16).

Ook zijn wij genaderd tot de geesten van rechtvaardige mensen, die de voleinding, dit is het doel Gods met de mens, bereikt hebben. Jezus wordt de voleinder des geloofs genoemd (vers 2) en zij die zijn beeld gelijkvormig zijn, hebben hun doel ook bereikt. Het woord naderen duidt erop, dat de ware christen op weg is naar dit doel. Hij wil het bereiken. Hoevelen dit doel al bereikt hebben, is onbekend.

Wij stellen ons niet meer de middelaar Mozes voor ogen, maar wij hebben 'het oog gericht op Jezus' (vers 2). Hij is de middelaar tussen God en de mensen. Hij heeft eerst de zonde verzoend en daarna het nieuwe verbond gesloten in zijn bloed, dit wil zeggen met hen die door zijn bloed gereinigd zijn. Dit is een verbond tussen God en hen die door het geloof in het bloed van Christus gewassen zijn. Abels bloed riep van de aardbodem om wraak of vergelding, maar het bloed van Christus roept van de aardbodem om verzoening en leven. Dit bloed spreekt krachtiger en overstemt de roep van Abels bloed om vergelding en straf.

 

HebreeŽn 12:25 


Ziet dan toe, dat gij Hem, die spreekt, niet afwijst. Want als genen niet ontkomen zijn, toen zij Hem afwezen, die zijn godsspraak op aarde deed horen, hoeveel te minder wij, als wij ons afwenden van Hem, die uit de hemelen spreekt.

De apostel is nog steeds bezig de heerlijkheid van het oude verbond, waarvoor de HebreeŽn nog altijd met eerbied en ontzag waren vervuld, te stellen tegenover de veel grotere heerlijkheid van het nieuwe verbond. In het oude stonden tegenover de beloften en toezeggingen van de Heer, ook altijd de waarschuwingen en straffen bij nalatigheid en ongehoorzaamheid.

Het oude verbond beloofde aan IsraŽl veel rijkdommen, maar er was altijd een 'indien' aan verbonden: 'Indien gij dan aandachtig luistert naar de stem van de Here, uw God, en al zijn geboden die ik u heden opleg, naarstig onderhoudt, dan zal de Here, uw God, u verheffen boven alle volken der aarde. De volgende zegeningen zullen alle over u komen en uw deel worden, indien gij luistert naar de stem van de Here, uw God', en: 'Indien gij niet luistert naar de stem van de Here, uw God, ... dan zullen de volgende vervloekingen alle over u komen en u treffen' (Deut. 28:1 en 15). Duidelijk worden daar de zegen en de vloek voorgesteld. De zegeningen voor het volk betroffen het heil op aarde, maar ook de vloek werd in de natuurlijke wereld voltrokken. In de woestijn zijn de ongehoorzamen niet ontkomen, maar zij werden terneergeslagen. Ook later werden zij door de omringende vijanden onderdrukt en zelfs weggevoerd.

In het nieuwe verbond heeft God opnieuw gesproken en beloften gegeven die eeuwige waarde bezitten. De Heer zegt dat het nieuwe verbond in zijn bloed gesloten werd, dit wil zeggen dat Hij door de schuld der wereld weg te nemen, de grondslag heeft gelegd dat alle rijke toezeggingen realiteit kunnen worden in het leven van allen die gehoorzaam zijn. Maar voor degenen die zich afwenden van dit verbond en ongehoorzaam worden, geldt eveneens het 'indien'. Waar de beloften veel rijker zijn en het leven betreffen niet alleen op aarde, maar bovenal in de hemelse gewesten, is het van zoveel groter belang acht te geven op de woorden Gods, die Hij door zijn Zoon en door diens apostelen gesproken heeft.

 

HebreeŽn 12:26-27 


Toen heeft zijn stem de aarde doen wankelen, doch thans heeft Hij een belofte gegeven, zeggende: Nog eenmaal zal Ik niet slechts de aarde, maar ook de hemel doen beven. Dit: nog eenmaal, doelt op een verandering der wankele dingen als van iets, dat slechts geschapen is, opdat blijve, wat niet wankel is.

Toen God het oude verbond instelde, beefden de berg en de aarde (Ex. 19:18, Richt. 5:5, Ps. 68:9). Ook bij de uittocht waren er geweldige natuurverschijnselen (Ps. 77:19 en 114:7). Voor het nieuwe verbond had de Heer in HaggaÔ 2:7 een nieuwe belofte gegeven, die gepaard zou gaan met machtige verschijnselen, niet alleen op aarde, maar ook in de hemel. Zodra Jezus gestorven was en het Nieuwe Testament in zijn bloed van kracht werd, was het eerste gevolg op aarde, dat het oude verbond afgedaan had en verdwijnen moest.

Ook dit ging gepaard met indrukwekkende natuurverschijnselen: drie uren dichte duisternis, het beven der aarde, het splijten van steenrotsen, het opengaan van graven, terwijl het voorhangsel in de tempel scheurde. De tempeldienst met zijn ceremoniŽn, offers en riten was plotseling voorbij. Deze dienst was van de aarde, dus van de zichtbare wereld en daarom wankel of voorbijgaande. Nu begon het nieuwe verbond dat van de hemel was, van de onzichtbare en onvergankelijke wereld.

Het oude verbond en de zichtbare eredienst zijn slechts door God gecreŽerd (geschapen) om beeld te zijn van de hemelse, onveranderlijke werkelijkheid. Uit deze zichtbare inzettingen kan het onzienlijke plan Gods verstaan worden. Dit laatste is niet wankel, want het blijft tot in eeuwigheid: het wordt niet meer veranderd. Hoe dwaas is het daarom te veronderstellen dat God nog eenmaal de wankele dingen weer zal oprichten. Er is geen herstel van tempel, offerande, noch van het verbond met oud-IsraŽl.

Het oude verbond met zijn wet en tempeldienst was voortgekomen uit de gedachte Gods en had zijn betekenis gehad voor het geestelijke leven van het uitverkoren volk. Maar ook in de hemel verloor het zijn betekenis en werd het opzij geschoven: het wankelde in de onzienlijke wereld. Naar analogie van Romeinen 9:26 zouden wij kunnen lezen: ter plaatse (in de hemelse gewesten), waar dit verbond tot stand gekomen was, wankelde het, verdween het, om plaats te maken voor een nieuw en onwankelbaar verbond.

 

HebreeŽn 12:28-29 


Laten wij derhalve, omdat wij een onwankelbaar koninkrijk ontvangen, dankbaar zijn en hierdoor God vereren op een Hem welbehagelijke wijze met eerbied en ontzag, want onze God is een verterend vuur.

Al het geestelijke is onvernietigbaar. Wanneer wij in de hemelse gewesten dan ook schatten vergaderd hebben, kan de mot en de roest ze niet verteren en de dieven ze niet wegnemen. Is het voor ons geen oorzaak van grote dankbaarheid dat God zo'n rijkdom van genade voor ons heeft weggelegd? Wij mogen ons in dit Koninkrijk de ene genade na de andere toe-eigenen. Wanneer wij daardoor rijker worden en ons geestelijk dus ontplooien, is dit juist wat God wil en wat Hem welbehaaglijk is. Wij vereren Hem door een levenswandel die waardig is aan de roeping, waarmee Hij ons geroepen heeft. Wij moeten daarbij acht geven op zijn woord en luisteren naar de stem van de Heilige Geest. Daardoor betuigen wij dat wij eerbied en ontzag voor Hem hebben.

Wanneer wij geen respect en gehoorzaamheid bezitten, zijn wij onopvoedbaar, zoals een kind dat niet luisteren wil naar de vermaning van zijn ouders. Deze weerspannigheid is de zonde der toverij. Wanneer een kind van God niet in gehoorzaamheid wandelt, is de macht der duisternis in hem werkzaam. Het gevaar dreigt dat deze macht hem geheel in beslag gaat nemen en hem verteert als een vuur.

Zoals de ongehoorzamen in het oude verbond omkwamen, zo zullen de kinderen Gods door vuur worden beproefd. Wat hiertegen niet bestand is, verbrandt (1 Cor. 3:15). Dezelfde God die in het oude verbond de ongehoorzamen onder zijn volk losliet, geeft dus nu ook de ongehoorzamen prijs aan de machten der duisternis. 'Hij geeft ze over' staat in het eerste hoofdstuk van de Romeinenbrief. De Heer zoekt een gewillig en gehoorzaam volk, dat Hij kan opvoeden tot zijn doel.

 
vorige pagina terug volgende pagina