Stichting Uitgeverij Rhemaprint

de brief aan de HebreeŽn
beknopte kanttekeningen door J.E. van den Brink

 
vorige pagina volgende pagina

HebreeŽn 11
vers 1-40


 

HebreeŽn 11:1-2 


Het geloof nu is de zekerheid der dingen, die men hoopt, en het bewijs der dingen, die men niet ziet. Want door dit geloof is aan de ouden een getuigenis gegeven.

Hier wordt gesproken over een bepaalde vorm van geloof, namelijk het geloof dat Gods woord aanvaardt, want alle geloof is nog geen zekerheid van hetgeen men hoopt. De bijbel geeft beloften en wanneer men deze aangrijpt, krijgt men hoop. Omdat Gods woord vast is en zijn beloften onberouwelijk zijn, is men ook zeker dat de dingen die men gelooft en hoopt, gerealiseerd worden. Het geloof is een middel om iets in de onzienlijke wereld vast te grijpen en dit zich als kennis of hoop toe te eigenen.

Door het geloof weten wij dat God bestaat, dat er engelen en duivelen zijn, dat er een strijd is tussen licht en duisternis en dat de mens in deze worsteling een rol speelt. Door het geloof maakt men zich de inhoud van de belofte tot eigendom. Ook de ouden, de gelovige voorvaderen, letterlijk de oudsten of presbyters, die geloof hadden, kregen enige kennis van de onzienlijke dingen, omdat God met hen spreken kon.

Door het geloof hielden zij de belofte vast, die God hun geschonken had en de Heer honoreerde dit, door de belofte te vervullen en hun naam met ere in zijn woord te vermelden als mensen die enige kennis ontvingen van de gedachten en plannen Gods in de onzienlijke wereld. Vlees en bloed hadden hun dit niet geopenbaard, maar hun geloof richtte zich op God en deze gaf hun 'getuigenis', dat zij door woord en daad doorgaven in deze wereld.

Getuigen kan men alleen van iets wat men ervaren heeft. Wij doen dit bijvoorbeeld van bekering, redding, bevrijding of genezing. In de doop getuigen wij van onze opstanding tot een nieuw leven. Deze ouden ontvingen 'een' getuigenis. Zij wisten immers maar een enkel ding uit de onzienlijke wereld en zij hielden dit in het geloof vast en God maakte dit in hun leven tot werkelijkheid. Zij bezaten slechts enkele gedachten uit het plan Gods en die enkele waarheden werden in hun leven gerealiseerd.

Nog steeds is de HebreeŽnschrijver bezig om het Oude Testament met het betere en rijkere Nieuwe te vergelijken. Hij sluit nu ook de tijd vůůr de wet bij dit mindere verbond in. Door de prediking van Jezus en van de apostelen ontvingen wij meer inzicht in Gods plan. De volle waarheid en bijna alle geheimenissen werden geopenbaard (zie Openbaring 10:1-4 als uitzondering). Daarom kunnen wij ook een groter geloof ontplooien, hebben wij een betere hoop en een heerlijker ťn vollediger realisatie.

 

HebreeŽn 11:3 


Door het geloof verstaan wij, dat de wereld door het woord Gods tot stand gebracht is, zodat het zichtbare niet ontstaan is uit het waarneembare.

Van het ontstaan der dingen weten wij niets anders dan wat het woord van God, dat Hijzelf aan de mensen bekend gemaakt heeft, hiervan zegt. In plaats van 'wereld' staat in het Grieks 'eonen' of tijdperken. De schepping vond plaats in verschillende fasen. Wij leven nu in de eerste periode van de herschepping of van de wedergeboorte aller dingen. Wij moeten niet denken dat het zichtbare altijd bestaan heeft en door evolutie geworden is, wat het nu is. Alles is voortgekomen uit de onzienlijke God die geest is.

De regel is: alles wat zichtbaar is, wordt veroorzaakt door het niet waarneembare. Wij kennen deze waarheid, omdat wij weten dat al het goede en volmaakte van God komt en al het kwade, zoals ziekte, zonde, gebondenheid en leugen door de boze geesten wordt bewerkt. Door het geloof wisten de ouden zoals Mozes, dat de wereld door de onzienlijke God geschapen was. Zij wisten niet hoe God verder zou handelen met de schepping die onder de vloek gekomen was. Zij kenden ook niet het doel dat God niettegenstaande alles met de mens heeft.

Paulus schrijft hier aan de christenen uit de joden. Dezen kenden natuurlijk de opvattingen van FarizeeŽn en SadduceeŽn. De eerste (orthodoxe) groep miste ieder inzicht in de geestelijke wereld en bepaalde zich tot een uitwendige godsdienst. De tweede (moderne) groep geloofde zelfs niet aan het bestaan van een geestelijke wereld, noch aan het voortbestaan van de mens na de dood.

 

HebreeŽn 11:4 


Door het geloof heeft Abel Gode een beter offer gebracht dan KaÔn; hierdoor werd van hem getuigd, dat hij rechtvaardig was, daar God getuigenis gaf aan zijn gaven, en hierdoor spreekt hij nog, nadat hij gestorven is.

Abel had gemeenschap met God door het geloof. Daardoor kreeg hij enige kennis van het herstelplan. Wanneer hij een schaap ten offer bracht, was dit niet alleen om iets van zijn bezit aan God te geven, maar door het geloof wist hij dat er zonder bloedstorting geen vergeving was. Dit offeren met kennis van zaken was God welgevallig en de Heer hield Abels geloof voor gerechtigheid en getuigde van hem dat hij een rechtvaardige was. Deze zekerheid of dit getuigenis ontving Abel weer door het geloof. Dit bewerkte toen in hem de zekerheid der gerechtigheid, de vrede en de blijdschap.

KaÔn bracht wel van zijn bezit iets ten offer, maar had geen kennis van het plan Gods. Hij was niet door geloof met God verbonden, zodat de Heer hem iets kon meedelen. Daarom werd hij toornig en betrok zijn gelaat. Hij kende geen gerechtigheid door het geloof. Abel wist enkele dingen uit de onzienlijke wereld. Hij zag daar het verband tussen de onzienlijke zondeschuld en de wijze, waarop deze schuld weggenomen moest worden. Van zijn offer, in het geloof gebracht, gaat na zovele eeuwen nog een sprake uit. Hij kon dus van zijn gerechtigheid getuigen vanwege zijn offer.

 

HebreeŽn 11:5 


Door het geloof is Henoch weggenomen zodat hij de dood niet zag, en hij werd niet meer gevonden, want God had hem weggenomen. Want vůůrdat hij werd weggenomen, is van hem getuigd, dat hij Gode welgevallig was geweest;

Ook Henoch had gemeenschap met God. Hij wandelde voor zijn aangezicht als een rechtvaardige, dus als iemand die zich hield aan Gods wetten. Toen hij de goddeloze werken opmerkte en de harde taal hoorde die de van God vervreemde mensen en de geweldenaars openbaarden, zag hij het oordeel door het geloof (Judas 14 en Gen. 6:4,11). Daar hij Gode welgevallig was, gaf de Heer hem bij zijn overpeinzingen hierover inzicht in de verdere ontwikkelingen en openbaarde Hij hem verborgenheden, namelijk dat God een scheiding zou gaan maken tussen de goeden en de kwaden. Hij profeteerde dat eenmaal 'alle' goddelozen gestraft zouden worden.

God kende in het leven van Henoch aan de duivel geen recht toe, hem met het loon der zonde, dus met de dood, uit te betalen. Henoch stierf niet, evenmin als Elia. Hij ging dus ook niet naar het dodenrijk, maar werd rechtstreeks overgeplaatst in het paradijs Gods. Toch was Henoch niet gedoopt met Gods Geest. Hij kreeg dus geen plaats in de 'tempel', maar wel in het nieuwe Jeruzalem. Geen wonder dat Abraham later ook over deze dingen dacht en naar de stad Gods zocht en daarin hoopte binnen te gaan.

Henoch ontving bij wijze van getuigenis hetgeen Jezus zijn discipelen beloofde, namelijk dat ieder die in Hem geloofde (die dus rechtvaardig en Gode welgevallig is), 'de dood niet zou zien', noch smaken.

 

HebreeŽn 11:6 


maar zonder geloof is het onmogelijk Hem welgevallig te zijn. Want wie tot God komt, moet geloven, dat Hij bestaat en een beloner is voor wie Hem ernstig zoeken.

Henoch moet geloof gehad hebben, want anders had hij de gedachten Gods niet kunnen verstaan, deze vasthouden en ernaar leven. Alleen hetgeen naar zijn wetten functioneert, is God welgevallig. Slechts een rechtvaardige die dit door het geloof is, kan op deze wijze leven. De allereerste stap om op de weg des heils te komen, is: het geloof te richten op God, met de geest te aanvaarden dat God bestaat en dat Hij niemand die tot Hem komt, zal verwerpen. Wanneer iemand ernstig naar God zoekt, zal deze Zich aan hem openbaren en zal hij Hem ook vinden.

 

HebreeŽn 11:7 


Door het geloof heeft Noach, nadat hij een godsspraak ontvangen had over iets, dat nog niet gezien werd, eerbiedig de ark toebereid tot redding van zijn huisgezin; en door dat geloof heeft hij de wereld veroordeeld en is hij een erfgenaam geworden der gerechtigheid, die aan het geloof beantwoordt.

Ook in de voortijd zocht God naar mensen die geest bezaten. Het overgrote deel der mensen was vlees. Zij bemoeiden zich alleen met de dingen van deze aarde (Gen. 6:3 en Matth. 24:38). Daarbij werden ze nog geleid door zondemachten, zodat zelfs hun natuurlijke leven verdorven werd. Noach leefde evenwel rechtvaardig en zijn geest richtte zich op God. Deze zoekt zulke aanbidders, die met Hem gemeenschap hebben. Daarom staat er: 'Noach vond genade in de ogen des Heren' (Gen. 6:8).

God sprak met hem en vertrouwde hem zijn plannen toe. Dit contact geschiedde door de Geest des Heren of de Heilige Geest. Dit woord 'godsspraak' vinden we ook in Lucas 2:26 bij de oude Simeon en in HebreeŽn 8:5 bij Mozes. Bij Simeon wordt vermeld dat hem door de Heilige Geest een godsspraak ingegeven werd dat hij de dood niet zou zien, eer hij de Christus des Heren gezien had. Deze gedachte kwam dus in zijn geest op en hij wist dat ze van God was en hij geloofde er daarom in.

Mozes kreeg op deze wijze een opdracht de tabernakel te bouwen. Op deze zelfde wijze werd aan Noach meegedeeld, hoe het oordeel over de aarde komen zou en kreeg deze rechtvaardige nauwkeurig opdracht hoe hij de ark moest bouwen, om zijn gezin te redden. Noach geloofde de woorden Gods en handelde ernaar, want hij had eerbied voor het woord van God. De Here rekende hem ook dit geloof tot gerechtigheid. Zijn hele leven was ťťn prediking van gehoorzaamheid en van gerechtigheid, en zijn tijdgenoten hebben de vele honderden jaren dit kunnen zien, maar inzonderheid de laatste honderd twintig jaar, toen Noach bezig was de ark klaar te maken. Ondanks smaad en bespotting bleef hij in het geloof volharden en werkte hij door.

Zijn tijdgenoten hebben naar zijn prediking niet geluisterd en zijn daarom onder het oordeel gekomen en veroordeeld. Noach heeft geloofd wat God zei en heeft er ook naar gehandeld en daarom heeft hij de gerechtigheid geŽrfd. Hij heeft de gerechtigheid dus niet verdiend, maar zij werd hem als een erfenis toegekend.

Noach heeft ervaren dat de gehoorzamen buiten de veroordeling vallen, want dit is in zijn leven gerealiseerd en het is het getuigenis dat nu nog tot ons spreekt. Zij die in Christus zijn, zullen de dood niet zien. Zelfs wanneer in de eindtijd de zee van vuur of demonie over de aarde gaat, zal de gemeente niet omkomen.

 

HebreeŽn 11:8-10 


Door het geloof is Abraham, toen hij geroepen werd, in gehoorzaamheid getrokken naar een plaats, die hij ter erfenis zou ontvangen, en hij vertrok, zonder te weten waar hij komen zou. Door het geloof heeft hij vertoefd in het land der belofte, als in een vreemd land, waar hij in tenten woonde met Izak en Jacob, die medeŽrfgenamen waren van dezelfde belofte; want hij verwachtte de stad met fundamenten, waarvan God de ontwerper en bouwmeester is.

Ook Abraham was een man die de stem van God verstaan kon, die dus geloofde in God en zijn geest op Hem richtte. Toen de Heer tot hem sprak: 'Ga naar het land dat Ik u wijzen zal', heeft hij deze opdracht verstaan en is gehoorzaam geweest. Uit zijn vertrek uit Haran bleek zijn geloof. Door zijn vertrouwen op de leiding van God kwam hij in Kanašn, maar bezat daar geen enkel eigendom, behalve later een graf voor zijn vrouw. Hij bouwde dan ook geen stad, maar als een vreemdeling en zwerver woonde hij in tenten.

Hoewel zijn geloof vasthield aan de belofte, dat het land voor hem en zijn nageslacht was, spande hij zich niet in om dit land zich toe te eigenen. Zijn geestesoog bleef op God gericht en de Heer openbaarde toen, dat er nog een ander en beter land bestond, het Koninkrijk der hemelen, waar God hem een plaats bereid had. In het geloof zag Abraham daar naar uit. Hij wist dat de hemelstad blijvend was en door God Zelf in de onzienlijke wereld werd gesticht. Zij was een stad met fundamenten die goed samengevoegd waren en sterk gebouwd.

Het geloof dat Abraham ten toon spreidde en waarover in deze verzen gesproken wordt, greep hoger dan de aardse belofte in vers 8 genoemd, want door een voortdurende omgang met God begreep hij dat het aardse land dat zijn erfenis was, een beeld vormde van de hemelse erfenis, de stad Gods, die de gelovigen zouden bezitten. Zoals Abel de schulddelging door het bloed zag en Henoch het oordeel en Noach de redding uit het oordeel, zo zag Abraham de eeuwige of geestelijke erfenis. Daardoor is hij de vader of de grondlegger van het nieuwtestamentische geloof.

 

HebreeŽn 11:11-12 


Door het geloof heeft ook Sara kracht ontvangen om moeder te worden, en dat ondanks haar hoge leeftijd, daar zij Hem, die het beloofd had, betrouwbaar achtte. Daarom zijn er dan ook uit een man, en wel een verstorvene, voortgekomen als de sterren des hemels in menigte en gelijk het zand aan de oever der zee, dat ontelbaar is.

Het geloof van Sara bestond hierin, dat zij vertrouwen had dat niettegenstaande in de zienlijke wereld geen verwachting meer was, God toch aan haar zijn belofte vervullen zou en zijn kracht in haar betonen. Let op de geloofsbeproeving, zowel van Abraham als van Sara. Hun was immers beloofd dat hun nageslacht een groot volk zou zijn, maar alle omstandigheden in de zichtbare wereld waren tegen. Zij hoopten hoop tegen hoop en hadden volharding en geduld om de beloften te beŽrven. Hier was dan nog geen sprake van de vervulling van de gehele belofte tijdens hun leven op aarde, maar van een aanvankelijke eerste vervulling in Izak. Deze realisatie der belofte was het getuigenis dat Abraham en Sara ontvingen. De Heer heeft hun volhardend geloof en geduld gezien en dat ook gehonoreerd. Vandaar het redengevend bijwoord: daarom.

De HebreeŽnschrijver kon na zovele eeuwen vaststellen, dat er werkelijk uit Abraham en Sara een groot volk voortgekomen was, ontelbaar als de sterren des hemels en als het zand der zee. Deze natuurlijke vervulling is nog niet te vergelijken bij het geestelijke zaad of het ware zaad van Abraham, wat deze aartsvader in wezen zocht. Een zo groot, natuurlijk zaad zou hij immers tijdens zijn leven op aarde nimmer zien, dus richtte hij het oog op een geestelijke wereld die eeuwig is en waaraan hijzelf ook deel had. 'God is immers geen God der doden, maar der levenden', sprak de Heer. De belofte uit Genesis 17:6 dat koningen uit hem zouden voortkomen, kreeg zijn heerlijkste werkelijkheid in het koninklijk priestergeslacht van het nieuwe verbond.

 

HebreeŽn 11:13-16 


In dat geloof zijn deze allen gestorven, zonder de beloften verkregen te hebben; slechts uit de verte hebben zij die gezien en begroet, en zij hebben beleden, dat zij vreemdelingen en bijwoners waren op aarde. Want wie zulke dingen zeggen, geven te kennen, dat zij een vaderland zoeken. En als zij gedachtig geweest waren aan het vaderland, dat zij verlaten hadden, zouden zij gelegenheid gehad hebben terug te keren; maar nu verlangen zij naar een beter, dat is een hemels, vaderland. Daarom schaamt God Zich voor hen niet hun God te heten, want Hij had hun een stad bereid.

Op aarde was er voor de aartsvaders slechts een gedeeltelijke vervulling van de rijke beloften. Toch zijn ze in het geloof blijven staan dat de Heer zijn toezeggingen aan hen volledig zou vervullen. Zelfs bij hun sterven hebben zij dit vertrouwen in de Heer niet losgelaten en daardoor hebben zij de innerlijke zekerheid gekregen door de stem van God, dat zij nog een ander vaderland konden verwachten. Zij wisten dat God niet tot hen sprak over een vaderland dat zij verlaten hadden, want dan zouden zij naar Haran weer teruggekeerd zijn, maar zij hadden begrepen dat het een toekomstig vaderland was. Daar zagen zij met verlangen naar uit. Wanneer Jacob sterven gaat, zegt hij daarom: 'Op uw zaligheid wacht ik, Here'. Hij zag uit naar het betere en hogere.

Zo hebben de aartsvaders dus enige kennis gehad van een voortbestaan na dit leven op aarde, hoewel zij niet wisten hoe dit alles verliep, zoals wij dit wel mogen weten door de prediking over het Koninkrijk der hemelen. Dit zoeken behaagt God. Jezus zei: 'Zoek eerst het Koninkrijk Gods'. God zoekt zulke aanbidders, die Hem aanbidden in geest, dit wil zeggen in de onzienlijke wereld. Voor dezen heeft Hij immers een plaats en een taak in de hemelse gewesten. God schaamt Zich niet voor hen, maar Hij wil contact met hen blijven houden, want Hij is hun God, dit wil zeggen degene die hen inspireert, zijn gedachten in hen overbrengt en het voorwerp is van hun verering.

Wij merken op dat de belijdenis der aartsvaders was: hier op aarde zijn wij slechts vreemdelingen en bijwoners. Toch hielden zij vast aan de beloften Gods. Hieruit blijkt dat het bezit van het aardse Kanašn slechts een schaduw of beeld was. Wie in onze tijd alleen uitziet naar een verwerkelijking van Gods beloften aan Abraham en zijn nageslacht voor deze aarde, deelt niet in het geloofvan de aartsvaders. Wanneer zij alleen voor dit leven op Gods beloften hoopten, kwamen zij er zelfwel heel karig af, want alles wat Abraham in het land Kanašn als vast eigendom kon nalaten, was een graf.

 

HebreeŽn 11:17-19 


Door het geloof heeft Abraham, toen hij verzocht werd, Izak ten offer gebracht, en hij, die de beloften aanvaard had, wilde zijn enige zoon offeren, hij, tot wie gezegd was: Door Izak zal men van nageslacht van u spreken. Hij heeft overwogen, dat God bij machte was hem zelfs uit de doden op te wekken, en daaruit heeft hij hem ook bij wijze van spreken teruggekregen.

De eerste belofte die Abraham ontvangen had, was door hem in het geloof aanvaard. Wel werd dit geloof beproefd, omdat de aanvankelijke vervulling, de geboorte van Izak, zo lang op zich liet wachten. Nu kwam een zwaardere beproeving, maar in het geloof heeft deze aartsvader ook deze doorstaan. Hij is niet gaan twijfelen aan de woorden van God, maar heeft deze in het geloof vastgehouden. Hij overlegde hoe God deze beide tegenstrijdigheden: de erfgenaam en het offerlam, kon oplossen. Al redenerende greep zijn geloof een waarheid uit de onzienlijke wereld, namelijk de opstanding uit de doden.

Bij het sterven viel voor de ouden een ondoordringbaar gordijn, maar door het geloof kreeg Abraham inzicht, dat er een voortbestaan na de dood moest zijn en een mogelijkheid om in het leven terug te keren. Daarom kon hij tot zijn knechten spreken: 'Wanneer we hebben aangebeden, zullen we tot u terugkeren' (Gen. 22:5). In de geest had Abraham het offer reeds gebracht en als zodanig had God het ook aanvaard: 'Uw zoon, uw enige, hebt gij Mij niet onthouden' (Gen. 22:12 en 16). In de geschiedenis van de offerande van Izak is hierdoor voor de eerste maal in de bijbel sprake van een opstanding uit de doden. Abraham geloofde hierin en als getuigenis heeft hij ervaren dat God hem bij wijze van spreken zijn zoon uit de doden terugschonk.

 

HebreeŽn 11:20 


Door het geloof heeft Izak aan Jacob en Ezau zijn zegen gegeven, ook voor de toekomst.

Ook Izak was een man van geloof en gebed. Abrahams God was de zijne. Hij geloofde in de toezeggingen die zijn vader en dus ook hij ontvangen had en heeft deze doorgegeven, speciaal aan zijn zoon Jacob. Hij geloofde ook in de hemelstad (vers 16). Hij gaf zijn zegen voor deze aarde, maar wist dat de belofte een diepe, geestelijke betekenis had. De belofte van heerschappij (Gen. 27:29) gold niet alleen voor dit natuurlijke leven, maar had bovenal betekenis voor het IsraŽl Gods, het geestelijke nageslacht van Jacob. Dit is immers altijd een uitverkoren heersersgeslacht, een volk van koningen.

Ezau kreeg ook een zegen. Ook voor hem schouwde zijn vader dingen die vlees en bloed niet konden openbaren, al waren dit maar alleen zegeningen voor het natuurlijke leven. Izak kreeg een getuigenis van de vervulling der belofte, toen Jacob bij hem terugkeerde vlak voor zijn sterven, rijk gezegend met kinderen en voorzien van vele aardse goederen (Gen. 35:27).

 

HebreeŽn 11:21 


Door het geloof heeft Jacob bij zijn sterven ieder der zonen van Jozef gezegend en hij heeft aangebeden, leunende op het uiteinde van zijn staf.

Jacob was geen helderziende toen hij de zonen van Jozef niet in de natuurlijke volgorde zegende, maar ook hij was een man die de inspraak van God door het geloof verstond en nauwkeurig doorgaf. De zegeningen van EfraÔm en Manasse spraken over dingen die in de toekomst zouden gebeuren, maar die het natuurlijke oog nog niet zien kon. Jozef hoorde deze stem van God niet en dacht dat zijn vader zich vergiste, maar Jacobs geloof was zekerheid (Gen. 48:17-20).

De staf was het symbool van waardigheid als hoofd van de stam. Deze ging over van vader op oudste zoon en was nu in handen van Jacob. Van een aanbidding wordt gesproken in Genesis 47:31. Nadat Jacob Jozef had laten zweren, zijn gebeente niet in Egypte te begraven, maar terug te brengen naar het beloofde land, boog hij zich aanbiddend neer. Hij leunde op het opperste van zijn staf, wat daar vertaald wordt door 'aan het hoofdeinde van het bed'. Het Hebreeuwse woord voor bed en voor staf hebben een verschil van klankstippen, die geen deel uitmaken van de geÔnspireerde Schrift. In de oude rollen stonden enkel de medeklinkers mtth. Daarvan kan men maken: mittah = bed of matteh = staf.

Jacob bad, leunende op zijn staf, omdat hij geloof had in de beloften aan zijn voorvaderen gedaan en die ook hťm toebehoorden. Hij weigerde te worden begraven in Egypte in een prachtig grafmonument, maar wilde dat zijn gebeente zou rusten in het land, waarvan hij geloofde dat zijn nageslacht het beŽrven zou en in het graf, waar ook zijn vaderen begraven waren. Jacob sprak nog van zijn geloof in de toekomende wereld, toen hij zijn zonen zegende en zei: 'Op uw zaligheid wacht ik, Here (Gen. 49: 18). Deze oudtestamentische gelovige lag niet op zijn dood te wachten, maar op een heil, dat God nog voor hem in petto had.

 

HebreeŽn 11:22 


Door het geloof heeft Jozef aan het einde van zijn leven gewaagd van de uittocht der kinderen IsraŽls en voorschriften gegeven over zijn gebeente.

Ook Jozef hechtte geloof aan de beloften die God aan zijn vaderen geschonken had. Ook hij wilde erbij horen. Hij wist dat het volk 400 jaar in Egypte zou verdrukt worden (Gen. 15:13,14). Als onderkoning kon hij zijn gebeente niet in zijns vaders graf laten begraven (Gen. 50:24-26). Het zou in een sarcofaag gelegd worden, maar hij liet zijn broeders zweren, dat wanneer God naar hen zou omzien, zij zijn kist zouden meevoeren als een teken van de zekerheid der beloften, die ook hem betroffen. Hieruit bleek dat Jozef verwachtte dat het leven met de dood niet afgelopen was, maar dat hij nog iets anders had te hopen.

 

HebreeŽn 11:23 


Door het geloof is Mozes na zijn geboorte drie maanden door zijn ouders verborgen gehouden, omdat zij zagen, dat hij een schoon kind was, en zij hebben het bevel des konings niet gevreesd.

Door het geloof hebben Amram en Jochebed een aanwijzing gekregen dat het schone kind Mozes een goddelijke roeping had. Toen zij dit bijzondere gave kind zagen, overlegden zij of het nu Gods bedoeling zou zijn dat dit kind gedood werd. De Heer maakte hun duidelijk dat Hij een plan met dit schone, begaafde kind had. Daarom durfden zij ook het bevel van de koning te trotseren. Door dit geloof wisten zij dat dit kind geen slachtoffer van Farao zou worden. Zij geloofden dat God bij machte was dit uitverkoren kind ondanks de moeilijke omstandigheden te bewaren. Let erop dat Mozes de jongste van het gezin was, jonger dan Mirjam en Ašron, een meer voorkomend verschijnsel in de heilsgeschiedenis. Denk ook aan David.

 

HebreeŽn 11:24-26 


Door het geloof heeft Mozes, volwassen geworden, geweigerd door te gaan voor een zoon van Farao's dochter, maar hij heeft liever met het volk Gods kwaad verdragen, dan tijdelijk van de zonde te genieten; en hij heeft de smaad van Christus groter rijkdom geacht dan de schatten van Egypte, want hij hield de blik gericht op de vergelding.

In het vorige vers was sprake van het geloof van de ouders van Mozes. Wellicht heeft zijn moeder hem als kleine jongen, toen hij nog bij haar was, iets verteld van de beloften die zijn volk, het nageslacht van Abraham, ontvangen had, en van de verwachtingen die het op grond hiervan koesteren mocht. Meer dan 300 jaren verdrukking waren niet in staat geweest de hoop op bevrijding bij 'het overblijfsel', het ware volk van God, te doven.

Ook in het leven van Mozes heeft zijn Egyptische opvoeding met al haar wijsheid en kunde niet kunnen bewerken, dat hij het geloof in de belofte Gods opgaf. Hij bleef vasthouden aan de onzienlijke God van zijn ouders en God openbaarde hem zijn roeping, om als bevrijder van zijn volk op te treden (zie wat Stťfanus zegt in Handelingen 7:25). Innerlijk wist hij zich, ondanks zijn Egyptische opvoeding, geroepen om zijn volk te verlossen en innerlijk weigerde hij de hoge positie van Egyptische prins te aanvaarden. Hij voelde zich meer ťťn met zijn verdrukt en gesmaad slavenvolk, dat evenwel de belofte van God bezat, dan dat hij zich ťťn voelde met de machtige heersers. Hij weigerde zich te assimileren met de Egyptenaren, en hun godsdienst, zeden en gewoonten over te nemen, wetende dat deze niet naar de wil van de levende God waren, maar hem tot zonde zouden worden.

Hij heeft een keus moeten doen tussen de rijkdommen van Egypte, waarvan hij alleen in dit leven genieten kon, en de verachting die op het volk Gods rustte, maar dat de beloften had die veel verder reikten dan dit leven. Deze beloften reikten tot het kostelijkste van de eeuwige heuvelen (Gen. 49:26).

Er wordt gesproken over het lijden of de smaad van Christus, omdat de beloften aangaande de Messias in dit volk rustten. Vanuit de onzienlijke wereld moest dit volk hetzelfde lijden verduren als Jezus, doordat satan het plan Gods dat door hen heen realiteit moest worden, weerstond. Mozes had door zijn geloof zulke diepe inzichten verworven, dat hij wist dat de schatten van de tegenwoordige wereld niet te vergelijken waren met de heerlijkheid die het deel zou zijn van het volk van God. De verwachting hiervan heeft Mozes nooit losgelaten en hij vertrouwde dat God een beloner is van degenen die Hem zoeken (vers 6). Dit was de vreugde die voor hem lag (hoofdstuk 12:2).

 

HebreeŽn 11:27 


Door het geloof heeft hij Egypte verlaten, zonder de toorn des konings te duchten. Want hij bleef standvastig, als ziende de Onzienlijke.

Toen Mozes zag dat zijn volk hem niet als verlosser accepteerde, maar hem eerder verraden zou, vluchtte hij. Hij merkte dus dat de tijd nog niet rijp was. Daarom verliet hij Egypte en dit niet zozeer, omdat hij bang was voor de grote toom van de koning, maar omdat hij zeker wist, dat hetgeen God beloofd had, Hij ook zou doen. In Exodus 2:14 staat, dat Mozes bevreesd werd. Hij schrok, omdat hij bemerkte dat zijn volk niet achter hem stond en zijn leiderschap niet aanvaardde, maar hem in de steek zou laten. Deze houding van het volk kwam niet overeen met zijn roeping en was dus een geloofsbeproeving. Daarom ging hij weg, maar hij hield zelf met zijn geloof vast aan de beloften van de onzienlijke God. Deze had Zelf immers tot hem gesproken, zoals Mozes later bij het brandende braambos opmerkt: 'Sinds gij tot uw knecht gesproken hebt'.

De Heer moest hem, na 40 jaar, extra bemoedigen en hem een teken geven om hem over zijn teleurstellingen heen te doen stappen (Ex. 4:1-10).

 

HebreeŽn 11:28 


Door het geloof heeft hij het Pascha gehouden en het bloed doen aanbrengen, opdat de verderver hun eerstgeborenen niet zou aanraken.

Mozes heeft zich voortdurend stipt gehouden aan de opdrachten die God hem gaf en die hij in het geloof aanvaardde. De laatste taak die hij in Egypte ontving, was de instelling van het Pascha. In die nacht ging de Heer een scheiding maken tussen de Egyptenaren en de IsraŽlieten. In de Paasnacht wordt het volk getest op zijn gehoorzaamheid aan God en uitgeleid. Mozes bracht de bevelen, die hij van God ontving, nauwkeurig over aan het volk (zie Ex. 11 en 12). Ook hierin was Mozes getrouw in zijn gehele huis, want de instelling van het Pascha is typerend voor het slachten van het Offerlam in de onzienlijke wereld, dus voor het sterven van Jezus Christus. Het beeldt ook de bewaring uit van het volk Gods in het dodenrijk in de schoot van Abraham.

Zoals IsraŽl de dag volgende op de Paasnacht uittrok uit Egypte, zo verlieten de rechtvaardigen van het oude verbond het dodenrijk na het sterven van Jezus. Zoals de eerstgeborenen van IsraŽl de verderver niet zagen, zo zullen zij die in Jacobus 1:18 'in zekere zin eerstelingen der ganse schepping' genoemd worden, de dood niet zien. Zoals de eerstgeborenen in Egypte veilig waren achter het bloed dat op de deurposten gestreken was, zo zijn de eerstelingen van de nieuwe schepping beschermd door het bloed van het Lam Gods tegen de beschuldigingen van de vijand dat zij zondaars zouden zijn tot de dood.

 

HebreeŽn 11:29 


Door het geloof zijn zij door de Rode Zee gegaan als over droog land, terwijl de Egyptenaars, toen zij het ook beproefden, verzwolgen werden.

In geloofsgehoorzaamheid hadden de IsraŽlieten het bloed aan de deurposten gedaan. Opnieuw werd geloofsgehoorzaamheid gevraagd toen het volk de voet moest zetten in de bedding van de Rode Zee. Weer bleef Mozes standvastig en voerde hij stipt de opdrachten des Heren uit, want hij geloofde en vertrouwde dat hetgeen de Heer beloofd had, ook gebeuren zou en dat het volk in deze weg van vertrouwen niet zou omkomen, maar behouden de overkant zou bereiken.

Omdat Mozes standvastig bleef, gehoorzaamde het volk en volbracht het de doortocht door De Rode Zee als een geloofsdaad. Ook Farao wilde deze weg gaan, maar hij had geen opdracht ertoe en bezat geen belofte, waaraan hij zich kon vasthouden. Daarom kwam hij wel om. Hij handelde niet uit geloof, maar vertrouwde op eigen kracht. Hij geloofde niet in de belofte die God aan zijn volk gegeven had en die Hij ook zeker zou verwerkelijken. Zonder geloof is het evenwel onmogelijk God te behagen. Ook de doortocht door De Rode Zee is een beeld van een nieuwtestamentisch gebeuren, wanneer het volk Gods door de grote verdrukking, de zee van glas vermengd met vuur, trekken zal naar de veilige gewesten en de Farao van de eindtijd met zijn anti-christelijke gemeente, zal omkomen in het hemelse HarmŠgedon.

Mozes heeft ook een getuigenis ontvangen. Hij geloofde dat er een volkomen bevrijding was uit het diensthuis, zoals er staat: 'Om ons te redden van onze vijanden en uit de hand van allen, die ons haten' (Luc. 1:71). Voor hem en zijn volk is dit onmogelijke realiteit geworden in de natuurlijke wereld, zoals het voor het geestelijke IsraŽl werkelijkheid wordt in de onzienlijke wereld, wanneer zij de betere Mozes Jezus Christus, volgen.

 

HebreeŽn 11:30 


Door het geloof zijn de muren van Jericho neergestort, nadat het volk er zeven dagen lang omheen getrokken was.

Jozua en het volk trokken zeven dagen om Jericho heen. Zes dagen lang eenmaal en op de zevende dag zevenmaal. Naar de mens gesproken, was dit een dwaze vertoning, maar Jozua leidde het volk, omdat hij geloofde dat de opdracht die de Heer hem gegeven had, goed was en resultaat zou opleveren. Maar geloof was er ook bij het volk dat iedere dag opnieuw zijn stille omgang maakte. De Heer gaf getuigenis dat dit geloof Hem behaagde, door de muur van Jericho te doen instorten. Zo zullen ook wij' zien dat door de standvastigheid van ons geloof in de woorden van God het onmogelijke kan geschieden en de vijandelijke burchten zullen vallen.

 

HebreeŽn 11:31 


Door het geloof is Rachab, de hoer, niet met de ongehoorzamen omgekomen, daar zij de verspieders met vrede had opgenomen.

Al de mensen in Jericho hadden gehoord wat de Heer voor IsraŽl gedaan had. Toen de IsraŽlieten naderden, waren zij dan ook vol angst en vrees, maar zij trokken hier evenwel niet de conclusie uit dat zij achter het volk van God moesten gaan staan, waaraan de beloften verbonden waren. Rachab alleen nam de geboden gelegenheid te baat om zichzelf en haar familie veilig te stellen. Zij sprak: 'Ik weet dat de Heer u het land gegeven heeft en dat de schrik voor u op ons gevallen is en dat alle inwoners van het land voor u sidderen'. Zij overwoog dat de Here een God in de hemel boven en op de aarde beneden is' (Joz. 2:9,11). Zij koos dus de zijde van de levende God. Rachab bezat dus hetzelfde geloof als de verspieders en door dit geloof werd zij behouden en opgenomen in het volk des Heren, waar zij een stammoeder werd van Jezus (zie Matth. 1:5).

 

HebreeŽn 11:32-34 


En wat moet ik nog verder aanvoeren? Immers, de tijd zou mij ontbreken, als ik ging verhalen van Gideon, Barak, Simson, Jefta, David en SamuŽl en de profeten, die door het geloof koninkrijken onderworpen, gerechtigheid geoefend, de vervulling der belofte verkregen hebben, muilen van leeuwen dichtgesnoerd, de kracht van het vuur gedoofd hebben. Zij zijn aan scherpe zwaarden ontkomen, in zwakheid hebben zij kracht ontvangen, zij zijn in de oorlog sterk geworden en hebben vijandige legers doen afdeinzen.

Paulus zou zo wel door kunnen gaan om na te speuren wat richters, profeten en koningen in het geloof gedaan hadden en hoe God in hun leven meegetuigde door tekenen en wonderen. Hij noemt een zestal mannen bij name, telkens twee aan twee, niet altijd in chronologische volgorde, maar steeds met de belangrijkste figuur voorop. Allen hebben zij de stem van de Heer gehoord, een opdracht ontvangen en in geloof gehandeld. Zij vertrouwden zeker dat Hij die de opdracht gaf, ook voor een goede uitkomst zou zorgen.

In moeilijke tijden kreeg Gideon de opdracht: 'Ga heen in deze uwe kracht en verlos IsraŽl uit de greep van Midian' (Richt. 6:14). In het geloof versloeg deze richter met driehonderd mannen het grote leger van de kinderen van het oosten. Ook bij allen die nu volgden, werd hun gedrag bepaald door het geloof in de woorden van God. Zij handelden niet naar menselijke berekeningen, maar in gehoorzaamheid aan de hun gegeven opdracht.

Barak geloofde in zijn roeping die van Godswege door de profetes Debora tot hem kwam (Richt. 4:6). Hij versloeg Sisera, de krijgsoverste van Jabin, de koning van Kanašn.

Simson werd gedreven door de Geest des Heren en daardoor ontving hij kracht om de Filistijnen te verslaan. Hij erkende ook zelf een knecht des Heren te zijn en dat zijn bovennatuurlijke sterkte van God kwam (Richt. 15:18 en 16:28).

Ook Jefta was een man die God erkende als de leider en bestuurder van IsraŽl en dus een speciale bemoeienis had met dat volk. Daarom vreesde hij niet voor de vijanden, maar verwachtte de overwinning van de Heer en legde daarom een gelofte af. Zo versloeg hij de Ammonieten (Richt. 11:24,30).

David was de man naar Gods hart en hij geloofde in de Heer vanaf zijn prille jeugd. Niet alleen uit de grote daden die hij gedaan heeft, of uit de overwinningen door hem behaald, maar vooral uit de Psalmen blijkt zijn gemeenschap met de Heer, zijn vertrouwen op Gods beloften en zijn kennis van Gods wil en wet. Zijn geestelijk inzicht was zo groot, dat dit ook nu nog velen vertroost en bemoedigt, vooral degenen die in beproeving en in druk zijn. Maar ook zijn lofpsalmen zijn voorbeelden van geestelijke rijkdom.

SamuŽl was een geloofsheld, die reeds in zijn jeugd de stemvan de Here God duidelijk verstond. Deze kon hem gebruiken om zijn volk door donkere tijden heen te leiden. Door het geloof voerde hij IsraŽl naar de overwinning, want de Here greep rechtstreeks in op zijn gebed, zodat de Filistijnen verslagen werden (1 Sam. 7:10).

Wij zagen dat de helden des geloofs koninkrijken overwonnen, die Gods volk dreigden te overweldigen. Zij trachtten door hun geloof het volk in het rechte spoor te brengen en te houden. Dit deden de richters, maar ook David (zie 2 Sam. 8:15) en andere gelovige koningen, zoals Josafat en Hizkia (2 Kron. 19:4 en 29:2,36). Deze mannen zagen allen dat de belofte die God hun gegeven had, ook in vervulling ging.

Abraham kreeg zijn zoon. Mozes voerde het volk naar Kanašn. Jozef werd de heerser over zijn broeders. Rachab kwam niet om. Gideon werd met zijn driehonderd mannen niet beschaamd. David werd, ondanks alle vervolgingen, koning. De leeuwen konden DaniŽl niet verscheuren of verslinden (Dan. 6:23), omdat hij onschuldig was, op God vertrouwde en door engelen bewaakt werd. De drie jongelingen in de oven werden voor de verdervende kracht van het vuur eveneens door een engel beschermd, omdat zij gehandeld hadden in geloof en vertrouwen op de Heer (Dan. 3:17).

David ontkwam door het geloof aan het zwaard van Goliath en ook aan het zwaard en de speer van Saul. David ontving kracht om tegen Goliath te strijden, en Simson om de tempel van Dagon te doen instorten. Sara ontving kracht om een zoon te baren in haar ouderdom. De moeden ontvingen kracht, zoals Elia in de woestijn onder de braamstruik (1 Kon. 19:5 en Jes. 40:29).

Bij het veroveren van Kanašn gebruikte de Heer de strijd om IsraŽl sterk te maken. Jozua zegt in zijn afscheidsrede: 'Niemand heeft voor u kunnen standhouden tot op deze dag' (Joz. 23:9). Door het geloof deed Josafat het vijandelijke leger van Moabieten en Ammonieten afdeinzen, toen hij, door een profťten woord geleid, zijn leger liet voorafgaan door mannen die de Heer loofden en prezen (2 Kron. 20:21). leder kan met de kennis van de bijbelse geschiedenis, evenals de HebreeŽnschrijver, andere voorbeelden noemen van geloof, die tot uitkomsten en overwinningen voerden, waarvan zij getuigen konden. Zij zijn ons tot een voorbeeld bij de strijd in de hemelse gewesten.

 

HebreeŽn 11:35-36 


Vrouwen hebben haar doden uit de opstanding terugontvangen, anderen hebben zich laten folteren en van geen bevrijding willen weten, opdat zij aan een betere opstanding deel mochten hebben. Anderen weder hebben hoon en geselslagen verduurd, daarenboven nog boeien en gevangenschap.

Omdat zij in de kracht Gods geloofden, die door de profeten werkte, bracht de weduwe van Sarphath haar dode zoon bij Elia en de Sunamitische de hare bij Eliza. Deze vrouwen ontvingen hun kinderen als herrezen uit de dood terug. Wanneer hier alleen sprake is van vrouwen en niet van mannen, gaan onze gedachten nu verder naar vrouwen bij de aanvang van de nieuwe bedeling, zoals de weduwe te NaÔn, die haar zoon, en Maria en Martha die hun broer terugkregen, en tenslotte naar de weduwen te Joppe die met hun geliefde Dorcas door middel van de opstanding weer herenigd werden. Zo komt de schrijver langzamerhand op het begintijdperk van het nieuwe verbond.

Bij de volgende voorbeelden van geloof willen wij ons niet verdiepen, zoals zovelen hierbij doen in wat de vaderlandse geschiedenis der Joden in de boeken der MakkabeeŽn vermeldt. Wanneer er staat dat sommigen zich lieten folteren, omdat zij hun geloof niet wilden verloochenen, daar zij op een betere opstanding hoopten, denken wij liever aan hen van wie in hoofdstuk 13:3 meegedeeld wordt, dat zij mishandeld werden en wel om de naam van Jezus.

Ook Paulus zelf had getracht om velen 'door toepassing van straffen tot lastering te dwingen'. Hij vervolgde hen in 'tomeloze woede' (Hand. 26:10,11 en 22:4,5). Dit waren dus mannen en vrouwen die geloof hadden in een geestelijke opstanding, die bij de wedergeboorte begint en die eindigt, wanneer de eerste opstanding geschied is (Openb. 20:6), het tijdstip dat Jezus naar de aarde weerkeert en zij met een verheerlijkt lichaam met Hem gaan regeren. In het tijdelijke leven lieten zij zich door niets pressen om hun geloof te verloochenen in 'een betere opstanding'. Zij geloofden dus in de uitspraak: 'Zalig en heilig is hij, die deel heeft aan de eerste (betere) opstanding' (Openb. 20:6). Er is sprake van 'deel hebben, omdat deze opstanding in de christen reeds aangevangen is, maar nog niet voltooid of geschied (zie 2 Tim. 2:18).

Paulus zegt: 'Wanneer wij alleen in dit leven op Christus hopen, zijn wij de beklagenswaardigste van alle mensen' (1 Cor. 15:19). 'Want vele zijn de tegenspoeden der rechtvaardigen'. Speciaal van de apostelen wordt opgemerkt dat zij 'het uitvaagsel der wereld geworden zijn, als aller voetveeg' (1 Cor. 4:13, zie ook Rom. 8:36 en 1 Petr. 5:10). Maar door het geloof wisten zij en weten wij dat het lijden van deze tegenwoordige tijd niet opweegt tegen de heerlijkheid die aan hen en ons zal geopenbaard worden (Rom. 8:18). Ook staat er: 'Want gelijk het lijden van Christus overvloedig over ons komt, zo valt ons door Christus ook overvloedig vertroosting ten deel' (2 Cor. 1: 5). Voorbeelden van hoon en geselslagen kon de apostel ruimschoots uit eigen leven geven (2 Cor. 11:24-29). De apostelen kenden ook boeien en gevangenissen, bijvoorbeeld Petrus in Handelingen 12.

 

HebreeŽn 11:37-38 


Zij zijn gestenigd, op zware proef gesteld, doormidden gezaagd, met het zwaard vermoord; zij hebben rondgezworven in schapevachten en geitevellen, onder ontbering, verdrukking en mishandeling (de wereld was hunner niet waardig) zij hebben rondgedoold door woestijnen, en gebergten, in spelonken en de holen der aarde.

Stťfanus werd gestenigd. Petrus en Johannes werden op de proef gesteld, toen hun door de raad verboden werd om van Jezus te getuigen (Hand. 4:17,18). Van de doodstraf door middel van het 'door midden zagen' hebben wij geen voorbeeld in de Schrift. Men moet dan putten uit overleveringen, waarvan de betrouwbaarheid niet vaststaat. De apostel Jacobus werd door het zwaard van Herodes gedood (Hand. 12:2). Na de dood van Stťfanus ontstond een zware vervolging tegen de gemeente te Jeruzalem; 'en allen werden verstrooid over de streken van Judťa en Samaria, met uitzondering van de apostelen'. 'En Paulus verwoestte de gemeente, en hij ging het ene huis na het andere binnen en sleurde mannen en vrouwen mede, en hij leverde hen over in de gevangenis' (Hand. 8:1-3).

Het rondzwerven in schapenvachten en geitenvellen onder grote ontbering was het logische gevolg van de verstrooiing. Wanneer de christenen voor verdrukking en vervolging op de vlucht moesten, kwamen zij altijd in armoedige omstandigheden terecht en wanneer men hen greep, werden zij mishandeld. Let erop hoeveel deze mannen en vrouwen ter wille van hun geloof verduren moesten. Wel een tegenstelling met ons gezapige christendom. De schrijver zegt in hoofdstuk 10:34, dat zij de roof van hun bezit blijmoedig verdroegen. De mensen keurden deze christenen geen plaats op aarde waardig en daarom verdreven zij ze naar de woestijnen, naar de spelonken en naar de holen. Maar in werkelijkheid was het zo, dat deze wereld te slecht voor hen was, want zij waren burgers van een hemels Koninkrijk en zij waren huisgenoten Gods.

 

HebreeŽn 11:39-40 


Ook deze allen, hoewel door het geloof een getuigenis aan hen gegeven is, hebben het beloofde niet verkregen, daar God iets beters met ons voor had, zodat zij niet zonder ons tot de volmaaktheid konden komen.

Zij ontvingen een getuigenis, zoals Abel, Noach of Abraham. Zij wisten dus iets van de hemelse werkelijkheid. Deze hielden zij vast, maar zij wisten niet genoeg van het plan Gods en hadden nog niet voldoende ervaringen van de kracht van de Heilige Geest, om tot de volmaaktheid te komen. Dit was weggelegd voor een latere generatie. Paulus, die zelf veel inzicht had verkregen, hoopte tot het volk te behoren dat het einddoel bereiken zou. Zo getuigde hij ook: 'Niet, dat ik het reeds zou verkregen hebben of reeds volmaakt zou zijn, maar ik jaag ernaar, of ik het ook grijpen mocht, omdat ik door Christus Jezus gegrepen ben' (Filip. 3:12).

In 1 Thessalonicenzen 4:16,17 merken wij bij het lezen op, dat hij ook hoopt te behoren bij degenen die levend zouden overblijven bij de komst des Heren. Hij wilde dan ook in een punt des tijds veranderd worden. Hij wist dat het 'betere' dat God met de mens voorheeft, het zoonschap, de volmaaktheid, het zitten op de troon is. Hij wist ook dat deze volheid eerst bereikt moet worden in de zonen Gods die tot alle goed werk volmaakt toegerust zijn, voordat ook de anderen tot volmaaktheid kunnen worden gebracht.

De gemeente van de eindtijd vormt de zuilen die de tempel Gods voltooien (Openb. 3:12). Vanuit deze tempel wordt dan de schepping hersteld en tot volmaaktheid gebracht.

 
vorige pagina terug volgende pagina