Stichting Uitgeverij Rhemaprint

de brief aan de HebreeŽn
beknopte kanttekeningen door J.E. van den Brink

 
vorige pagina volgende pagina

HebreeŽn 1
vers 1-14


 

HebreeŽn 1:1-2 


Nadat God eertijds vele malen en op vele wijzen tot de vaderen gesproken had in de profeten, heeft Hij nu in het laatst der dagen tot ons gesproken in de Zoon, die Hij gesteld heeft tot erfgenaam van alle dingen, door wie Hij ook de wereld geschapen heeft.

Nergens lezen wij in de brief aan de HebreeŽn aan wie hij gericht is en wie de afzender is. Maar zijn inhoud wijst erop dat hij gericht moet zijn aan Joden-christenen om hun duidelijk te maken dat het oude verbond slechts een schaduw was van het nieuwe en dat bij de komst van de hemelse werkelijkheid al het oude heeft afgedaan. De betoogtrant wijst erop dat Paulus de schrijver is, hoewel de stijl enigszins afwijkt van de andere brieven. Waarom hij zijn naam heeft weggelaten, is onbekend. De brief heeft de vorm van een vroeg-christelijke prediking.

Al in het eerste vers begint de schrijver over de vaderen, aanduidende dat hijzelf en de geadresseerden, joden waren. Hij vangt de brief aan met te herinneren aan het feit dat in het oude verbond God gesproken had.

'Eertijds' doelt op de vroegere bedťling, terwijl 'vele malen en op vele wijzen' betrekking heeft op de beloften, op de wet, op de profetieŽn, maar ook op de geschiedenissen die God heeft laten optekenen, zoals het scheppingsverhaal dat Mozes door goddelijke inspiratie ontving, de historie van het volk IsraŽl en bijvoorbeeld ook de toekomstige gebeurtenissen in gezichten, zoals Jesaja, DaniŽl en anderen opgetekend hebben.

'Het laatst der dagen' is, evenals In Handelingen 2, een nieuwe periode die aanving bij de geboorte van Jezus. De komst van Jezus betekende een nieuwe wijze van spreken van God. Het woord van God werd vlees. God sprak 'In Zoon', dat wil zeggen dat de nieuwe geopenbaarde gedachten van God alle gepersonifiŽerd werden in zijn Zoon. Bij de nieuwe schepping spreekt God in de Zoon tot de wereld het woord: 'Herstel!' Daarom is Jezus de Verlosser, de Heiland en de Geneesheer. Door dit herstel kan de schepping zich weer ontwikkelen en haar uiteindelijke bestemming bereiken.

'Tot ons' is tot het gehele mensengeslacht, en niet allťťn tot de Joden, zoals sommigen menen, 'want de genade Gods is verschenen, heilbrengend voor alle mensen' (Titus 2:11). God heeft de Zoon Jezus niet alleen geheiligd en in de wereld gezonden, maar Hij heeft Hem ook gesteld om alles te beŽrven. Dit geldt niet alleen voor Jezus, maar ook voor allen die met Hem overwinnen, want 'wie overwint, zal deze dingen beŽrven' (Openb. 21:7).

Dan staat verder in Openbaring: 'Ik zal hem een God zijn', dat wil zeggen: 'Ik zal in hem spreken' en 'hij zal Me een zoon zijn', evenals Jezus. Wij zijn immers ook erfgenamen van God en mede-erfgenamen van Jezus Christus (Rom. 8:17).

In Deuteronomium 32:8 staat dat God de grenzen der volken gesteld had naar het getal der kinderen IsraŽls. God groepeerde de naties om het uitverkoren volk. Zo heeft God de 'eeuwen' (de meeste vertalingen spreken hier van 'wereld'), dat zijn de aeonen of scheppingstijdperken, gemaakt door zijn Woord (zijn Zoon) en om Hem gegroepeerd. De gedachte aangaande de Zoon is de leidraad geweest van het goddelijk denken en scheppen. Om dit te bereiken, schiep God eerst de onzienlijke en later de zienlijke wereld. Het Woord behoorde eerst tot de onzienlijke wereld. Het tijdperk vanaf de val tot Jezus was er een van voorbereiding.

 

HebreeŽn 1:3 


Deze, de afstraling zijner heerlijkheid en de afdruk van zijn wezen, die alle dingen draagt door het woord zijner kracht, heeft, na de reiniging der zonden tot stand gebracht te hebben, Zich gezet aan de rechterhand van de majesteit in den hoge,

Jezus wordt hier genoemd de afstraling of weerkaatsing van Gods heerlijkheid. Zoals de maan het licht van de zon reflecteert en de nacht verlicht op aarde, zo weerspiegelt Jezus de heerlijkheid Gods en doorbrak Hij het duister op aarde, 'om hen te beschijnen die gezeten zijn in duisternis en schaduw des doods' (Luc. 1:79).

Het woord 'afdruk' is in het Grieks 'karakter'. Zo vormen diep ingedrukte eigenschappen van de mens zijn karakter. Denk ook aan een stempel, waarin figuren of lettertekens zijn ingebracht. Jezus is de afdruk van God. Wie Jezus kent, kan zich ook een voorstelling maken van de Vader, en wie de Vader kent, kan Hem in Jezus, de Zoon, herkennen. Deze twee passen precies bij elkaar, zoals een stempel volmaakt met zijn afdruk overeenkomt. Wanneer mensen ruzie hebben, kunnen zij door woorden van een leider weer tot elkander gebracht worden en zo wordt de onderlinge band weer hersteld. Op deze wijze handelt ook het goddelijke woord met de verstoorde schepping. Jezus' woorden zijn Gods woorden en zij bezitten kracht en leven. Zij dragen de ganse schepping, zodat deze weer harmonieus bij elkaar gevoegd wordt.

Dit herstel was pas mogelijk toen de schuldenlast van de mensheid was betaald en weggenomen. Eerst heeft de Zoon het werk op aarde, dat de Vader Hem te doen gegeven heeft, voleindigd (Joh. 17:4); daarna betaalde Hij de schuld en daarna ging Hij heen naar de onzienlijke wereld, waar Hij over alles gesteld werd. De uitdrukking 'de rechterhand' duidt niet alleen op regeringsbevoegdheid, maar God gaf Hem ook de beschikking over zijn kracht en begaafdheden, dat is de Heilige Geest (de rechterhand van God). Deze kan Hij nu uitstorten, want Hij is de doper met de Heilige Geest.

 

HebreeŽn 1:4 


zůveel machtiger geworden dan de engelen, als Hij uitnemender naam boven hen als erfdeel ontvangen heeft.

Jezus zegt: 'Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde'. Paulus sprak: 'God gaf Hem de naam boven alle naam' (Fil. 2:9). Wie de naam des Heren, dat is de naam van Jezus, aanroept, wordt behouden. Daarom is Hij machtiger dan de engelen. Deze naam heeft Hij als erfdeel ontvangen. De naam van machthebber in hemel en op aarde komt Hťm in de eerste plaats toe en later ook aan allen die in Hem zijn, die dus ook mede-erfgenamen zijn. Van deze erfenis zijn de engelen uitgesloten.

 

HebreeŽn 1:5 


Immers, tot wie der engelen heeft Hij ooit gezegd: Mijn Zoon zijt gij; Ik heb U heden verwekt? En wederom: Ik zal Hem tot Vader zijn, en Hij zal Mij tot Zoon zijn.

Nu gaat Paulus met citaten uit het Oude Testament het verschil aantonen tussen de engelen en de Zoon van God met degenen die zijn lichaam vormen, de zonen Gods. Hij toont allereerst aan uit Psalm 2:7 dat Jezus een zoon van God is, maar zo worden ook de engelen aangesproken ('Op zekere dag nu kwamen de zonen Gods om zich voor de Here te stellen' - Job 1:6).

De woorden 'Ik zal Hem tot Vader zijn, en Hij zal Mij tot Zoon zijn', zijn ontleend aan 2 SamuŽl 7:14, waar de profeet Nathan tot David spreekt aangaande diens zoon Salomo, een type van de vredekoning die het huis Gods zou bouwen. In deze tweede aanhaling: 'Ik zal Hem tot een Vader zijn' spreekt God dus over een mens. Jezus is de eerste van vele broederen. Hij staat hier voor allen die van Hem zijn en die nog verwekt zullen worden en die zullen opstaan tot een nieuw leven. Deze zonen Gods hebben een tijd lang onder de heerschappij van de boze engelen gezeten, maar zij worden opgewekt om de plaats, die oorspronkelijk voor hen gepland was in de hemelse gewesten, in te nemen. God belooft hier zijn zoon (dus ook Jezus) te leiden, te bewaren en tot God te zijn, of te inspireren.

 

HebreeŽn 1:6 


En wanneer Hij wederom de eerstgeborene in de wereld brengt, spreekt Hij: En Hem moeten alle engelen Gods huldigen.

Wij lezen, met de meeste vertalingen: 'Wederom of opnieuw, wanneer Hij de eerstgeborene in de wereld binnenleidt', dus na twee aanhalingen, de derde uit Deuteronomium 32:43 uit de Septuaginta, waar staat: 'Verheug u, gij hemel, te zamen met hem, en laat al de engelen Gods hem aanbidden'. Misschien ziet Psalm 97:7, waar staat: 'Buigt u voor Hem neder, alle gij goden' hier ook wel op. Het woord goden ziet dan op engelen.

Wanneer de engelen Gods Hem eer moeten brengen, voor Hem neerbuigen en Hem als meerdere erkennen, blijkt hier dus uit dat Jezus als mens boven de engelen is gesteld en evenzo wij met Hem. Er staat immers dat zij Hem moeten huldigen, als God zijn Zoon in deze wereld binnenbrengt, dus als mens geboren doet worden.

 

HebreeŽn 1:7 


En van de engelen zegt Hij: Die zijn engelen maakt tot winden en zijn dienaars tot een vuurvlam;

In de vorige verzen heeft Paulus duidelijk gemaakt dat God de mens als zoon aanneemt en dat Hij bij de komst van Jezus in de wereld de engelen gebiedt deze te huldigen, dus Hem als meerdere te erkennen en eer te bewijzen.

In dit vers begint de schrijver opnieuw een vergelijking te maken tussen de positie van de engelen en die van de Zoon in de nieuwe schepping. Paulus citeert hier wederom de septuaginta, de Griekse vertaling van de Hebreeuwse bijbel (het Oude Testament). In Psalm 104:4 staat daar: 'Die zijn engelen maakt' geesten en zijn dienstknechten een vlammend vuur'. Het woord 'wind' en 'geest' zijn vertalingen van hetzelfde Griekse woord 'pneuma'.

Psalm 104 is een natuurgedicht, waar gesproken wordt over de heerlijkheid Gods in de schepping. Het is dan ook geen wonder dat in onze vertaling staat: 'Hij maakt de winden tot zijn boden'. Paulus zet deze tekst over in de geestelijke wereld en zegt: 'En van de engelen zegt Hij' 'Ook hier vinden we weer een duidelijk bewijs dat de onzienlijke dingen uit de zienlijke worden verstaan. Let er ook op, dat er staat: 'Hij maakt de wolken tot zijn wagen' en dat de geestelijke betekenisvan deze wolken 'de wolk der getuigen' is, die uit HebreeŽn 12.

Wanneer er staat: 'Laaiend vuur tot zijn dienaren' worden daarmee de boze engelen bedoeld, die ook onderworpen zijn aan de wil van God. De tekst wil dan zeggen dat de engelen dienaren en boden zijn, maar uit het volgende vers blijkt dat de Zoon troonverwerver is.

 

HebreeŽn 1:8 


maar van de Zoon: Uw troon, o God, is in alle eeuwigheid en de scepter der rechtmatigheid is de scepter van zijn koningschap.

De mens Jezus is geen dienstknecht, maar gezagsdrager. Hij zit op de troon in alle eeuwigheid; Hij wordt God genoemd, draagt een scepter en heeft een koninkrijk; voorts lezen wij dat Jezus gezalfd is. De aanhaling is uit Psalm 45:7,8, een bruiloftslied voor een koning.

Wij zien duidelijk dat achter de schaduw van het IsraŽlitische koningschap, zich de werkelijkheid van het nieuwe verbond bevindt. Jezus zit reeds op de troon van God en Hij heeft deze plaats ook gereserveerd voor al de zonen Gods die overwinnen. In Openbaring 3:21 zegt onze Heer tot een strijdende gemeente: 'Wie overwint, hem zal Ik geven met Mij te zitten op mijn troon'. Werd er in de psalm gesproken over de koning als over een god, hoeveel temeer geldt dit nu voor de Zoon die in de onzienlijke wereld in alle aeonen, of eeuwen, voorwerp van verering of aanbidding is. Hij is ook God, omdat Hij door zijn Geest zijn volk inspireert. 'In alle eeuwigheid' bedoelt: in alle tijdperken die nog zullen volgen. De scepter is het teken van de koninklijke waardigheid en heerschappij.

Jezus voert heerschappij naar de wetten en naar het recht Gods. In zijn Koninkrijk worden de wetten Gods gehandhaafd en al wat ervan afwijkt, zal de kracht van de scepter of van de roede ondervinden. Uit Openbaring 2:27 blijkt duidelijk, dat Hij zijn heerschappij met zijn broeders wil delen. Hij geeft hun een ijzeren staf of scepter om de vijanden te verbrijzelen (zie 'De gemeente in de eindtijd', over het woord 'scepter').

 

HebreeŽn 1:9 


Gerechtigheid hebt Gij liefgehad en ongerechtigheid hebt Gij gehaat; daarom heeft U, o God, uw God met vreugdeolie gezalfd boven uw deelgenoten.

Van het recht en van de wet Gods heeft Jezus zelf gezegd dat er geen tittel of jota ter aarde zou vallen, en dat Hij gekomen was om wet en profeten te vervullen (Matth. 5:17,18). Ook van de zonen Gods wordt gesproken, dat de eis der wet in hen vervuld zou worden die naar de Geest wandelen (Rom. 8:4).

Wie ongerechtigheid doet, staat in contact met de boze en zal het Koninkrijk Gods niet binnengaan. Hij zal daarentegen steeds meer ongerechtigheid doen (Openb. 22:11). Want zoals God de ongerechtigheid haat, zo staan Jezus en zijn uitverkoren volk negatief tegen alles wat wetteloos is. Omdat Hij de gerechtigheid heeft liefgehad, is Hij gezalfd tot priester en koning der gerechtigheid, naar de ordening van Melchizťdek. Jezus is de eerste die met vreugdeolie, of de Heilige Geest, is gezalfd (Hand. 10:38). De engelen ontvingen niet de zalving met de Heilige Geest, hoewel zij in het Koninkrijk Gods verkeren. Deze zalving verheft de mens boven zijn deelgenoten in de hemelse gewesten, dus boven de heilige engelen. De geestelijke mens is de hoogste van alle geestelijke wezens.

 

HebreeŽn 1:10-12 


En: Gij, Here, hebt in den beginne de aarde gegrondvest, en de hemelen zijn het werk uwer handen; die zullen vergaan, maar Gij blijft; en zij zullen alle als een kleed verslijten, en als een mantel zult Gij ze oprollen, als een kleed zullen zij ook verwisseld worden; maar Gij zijt dezelfde en uw jaren zullen niet ophouden.

Hier wordt Psalm 102:26-28 aangehaald. In deze verzen is een 'ellendige' aan het woord, die zijn klacht uitstort, maar die zich vasthoudt aan de Heer. Daardoor weet hij dat hij met zijn kinderen uiteindelijk zal zegevieren en 'veilig wonen'.

Gods gedachten zijn van eeuwigheid en zijn werken zijn bij Hem van eeuwigheid bekend. De grondslag van zijn gedachten en werken is de verheffing van de mens, door deze te zalven met de Heilige Geest en een plaats naast Zich te geven op de troon van het heelal. Het lijkt wel of de boze dit plan verijdelt, maar de dichter gelooft dat God dezelfde blijft en dat zijn plannen niet ten onder zullen gaan, maar gerealiseerd zullen worden en tot in eeuwigheid zullen functioneren.

Vers 10 begint met de belijdenis dat God hemel en aarde gemaakt heeft, maar deze zijn vergankelijk: ze zijn aangetast en beschadigd door het rijk der duisternis, de boze geesten. Deze brengen de schepping in de wetteloosheid en in de vernieling. Dit slijtageproces van hemel en aarde gaat de eeuwen door en in steeds sneller tempo. Daarna komen de bevrijding en de verlossing, want God is Dezelfde. Hij volvoert zijn eeuwig voornemen.

De werken der duisternis zullen opgerold worden als een mantel: het vijandelijke leger wordt door de zonen Gods in hemel en op aarde 'opgerold'. Dan komen er een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, dus komt het herstel van de schepping. Hemel en aarde verwisselen van kleed, zoals de oude mens afgelegd wordt en de nieuwe mens aangedaan. De nieuwe is onvergankelijk en blijft tot in eeuwigheid. Naar Gods plan zijn de Zoon van God en de zonen Gods de overwinnaars tot in eeuwigheid.

 

HebreeŽn 1:13-14 


En tot wie der engelen heeft Hij ooit gezegd: Zet U aan mijn rechterhand, totdat Ik uw vijanden gemaakt heb tot een voetbank voor uw voeten? Zijn zij niet allen dienende geesten, die uitgezonden worden ten dienste van hen, die het heil zullen beŽrven?

Nog ťťn keer doet de apostel een aanhaling uit het Oude Testament om de superioriteit van de Zoon van God en van de zonen Gods te doen uitkomen. Deze aanhaling staat in Psalm 110:1 en wordt ook door Jezus geciteerd in vers 44 van MattheŁs 22. De Heer gebruikt deze tekst om duidelijk uit te laten komen dat Davids zoon ook Gods Zoon is. Hij is dus niet een gewoon mens, maar Hij is ook geen gelijke met de engelen. De zonen Gods zijn niet alleen mensen, maar zij zijn ook 'uit God geboren'. Ze zijn dan ook verheven boven de engelen.

Gods vijanden zijn ook de vijanden van de zonen Gods en dezen zetten hun voeten op die schorpioenen en slangen. Dan blijkt duidelijk dat de zonen Gods autoriteit bezitten boven de boze engelen. Zo worden de vijanden een voetbank gemaakt voor zijn voeten.

Maar ook de heilige engelen vervullen ten opzichte van de zonen Gods een ondergeschikte taak. Zij fungeren als dienende geesten die uitgezonden zijn ten behoeve van de zonen Gods, want dit zijn de mensen die het heil en de heerlijkheid beŽrven.

 
vorige pagina terug volgende pagina