Stichting Uitgeverij Rhemaprint

de brieven van Petrus
door J.E. van den Brink

 
vorige pagina volgende pagina

hoofdstuk 1


 

2 Petrus 1:1 


Simeon Petrus, een dienstknecht en apostel van Jezus Christus, aan ben, die een even kostbaar geloof als wij hebben verkregen door de gerechtigheid van onze God en Heiland, Jezus Christus:

Opnieuw herinnert de apostel de uitverkoren pelgrims in Klein-Azië, de 'vreemdelingen -en bijwoners', aan het evangelie zoals zij dit door de prediking hadden ontvangen. Dat de geadresseerden uit de heidenen waren, blijkt in dit vers uit de twee groepen die vermeld worden: 'aan hen' (uit de heidenen) die een even kostbaar geloof 'als wij (uit de Joden) hebben verkregen.

Petrus wil dat zijn lezers bij deze boodschap blijven, evenals Paulus schreef:- 'Gelijk gij het evangelie ook ontvangen hebt'. Hij legt tegenover de dwaalleraars en spotters die het leven van de gemeente bedreigen, het volle gewicht van zijn ambt in de schaal. Hij noemt zich niet alleen een dienstknecht of letterlijk een slaaf van Jezus Christus die zijn Meester volkomen toebehoort, maar ook een apostel, dus iemand die gezonden is en met gezag kan spreken. In de vorige brief noemde hij zich in hoofdstuk 5:1 medeoudste en getuige van het lijden van Christus en deelgenoot van de heerlijkheid. Het is dus niet zijn bedoeling zich te verheffen, maar om aan te tonen dat hij van Christuswege recht van spreken heeft.

De apostel introduceert zich hier met de naam Simeon Petrus. Jezus zelf had hem Petrus genoemd en daarom wordt hij meestal met deze erenaam aangeduid. Simeon wijst op zijn Joodse afkomst. Onder de naam Simeon Petrus identificeert hij zich als gezaghebbend apostel uit de kring van de twaalven. Dit zegt voldoende voor de Joodse gelovigen zowel als voor de christenen uit de heidenen.

Ook in deze brief vindt men geen enkele aanwijzing dat Petrus ooit in Rome zou zijn gesignaleerd of daar als eerste bisschop zou zijn opgetreden. Ook in de brief aan de Romeinen maakt Paulus hiervan geen gewag. Het slot van de Handelingen vermeldt wel dat Paulus te Rome vertoefde, Maar ook daar wordt van Petrus niet gerept. Wanneer de rooms-katholieke kerk Petrus de eerste bisschop van Rome noemt, vindt zij hiervoor in de bijbel geen enkele grond.

De apostel schrijft aan lezers die een waardevol geloof bezitten, dus een geloof met een rijke inhoud. Geloven is een functie van de menselijke geest. Het is een gave van God zoals ook de ziel haar functies heeft van verstand en gevoel. Het geloof van de lezers had zich op God gericht (1 Thess. 1:8). Zo kunnen ook het verstand en het gevoel op God ingesteld zijn. Dit ware geloof was in actie gekomen door het horen van het evangelie van Jezus Christus, de verzoener der zonden. Langs deze weg bracht het geloof hun gerechtigheid.

Het is kostbaar, doordat het bij het opwassen van de christen nog veel meer rijkdom aangrijpt, zoals de vervulling met de Heilige Geest en de kracht tot een zuivere levenswandel. Ook hier is dus het 'verkrijgen' van het geloof uit het horen (Rom. 10:17). Het valt op dat Petrus hier Jezus op drieërlei wijze aanduidt, namelijk als God, als Heiland of Redder en als Christus of Gezalfde met de Heilige Geest. De opvatting dat er hier van twee goddelijke personen zou worden gesproken, lijkt ons gekunsteld. Petrus identificeert hier Jezus als 'onze God'.

Men kan Hem dus niet verwarren met andere machten die zich soms de naam Jezus toe-eigenen. We denken ook aan de uitlating van de apostel Thomas: 'Mijn Here en mijn God!' (Joh. 20:28). De vraag kan nu gesteld worden: wat is de betekenis van dit God zijn? God is voor ons een inspirator en tevens degene die aangebeden en vereerd wordt (2 Thess. 2:4 en Hand. 17:23). Tot Mozes werd gezegd dat hij Aäron zou inspireren, dus deze tot god zou zijn (Ex. 4:16). In tegenstelling met hen die door boze geesten geïnspireerd worden, klinkt het vele malen in de bijbel: 'De Here, Jahweh, is onze God', dus onze inspirator en degene die wij aanbidden. Deze inspiratie en aanbidding bepalen ons levenspatroon.

Petrus spreekt van 'onze' God in tegenstelling met de god der ongehoorzame Joden en de goden der heidenen. Hun god is niet de zijne, want zijn God 'is de Vader van onze Here Jezus Christus' (2 Cor. 1:3). Jezus zegt: 'Wie Mij haat, haat ook mijn Vader' (Joh. 15:23) en in 1 Johannes 2:23 staat: 'Een ieder, die de Zoon loochent, heeft ook de Vader niet'. Wij onteren daarom onze God, indien wij zouden zeggen dat de god van het natuurlijke Israël dat Jezus verwerpt, ook onze God is. Hoewel er vele godsdienstige Joden om het kruis stonden, wendde Jezus Zich niet tot hun god, maar Hij riep: 'Mijn God, mijn God. . .'.

Het is mogelijk dat een mens meent de ware God te dienen en dat hij toch geïnspireerd wordt door boze geesten, die als engelen des lichts tot hem komen. Jezus sprak tot de Joden die meenden de ware God te bezitten: 'Gij hebt de duivel tot vader' (Joh. 8:44). Zij werden dus door 'de leugenaar van den beginne' geïnspireerd.

Zo zijn er in onze tijd velen die belijden dat God uit zijn Vaderhand ons allerlei rampen en ziekten doet toekomen. Zij hebben dan een god die het leven van de mens aantast. Onze God openbaarde Zich evenwel in Jezus Christus. Deze is 'onze God en Heiland', die overvloedig leven schenkt en wiens woorden geest en leven zijn. Hij herstelt en vernieuwt de mens. Daarom is onze God een andere dan die watersnoden, krankheden, oorlogen en misoogsten veroorzaakt, of wie het behaagt zijn volk door de laatste vijand, de dood, weg te nemen.

Ook de vloekers die de verdoemenis van hun god over zich aanroepen, wenden zich tot een andere god dan de onze, die niet wil dat iemand verloren gaat, maar dat alle mensen behouden worden en tot erkentenis der waarheid komen (1 Tim. 2:3,4). Wij denken hierbij aan de woorden van Paulus: 'Want al zijn er ook zogenaamde goden, hetzij in de hemel, hetzij op de aarde - en werkelijk zijn er goden in menigte en heren in menigte voor ons nochtans is er maar één God, de Vader, uit wie alle dingen zijn en tot wie wij zijn, en één Here, Jezus Christus, door wie alle dingen zijn, en wij door Hem' (1 Cor.8:5,6).

Een oudtestamentische zienswijze is te enen male onvoldoende om God ten volle te leren kennen. Daarom staat er geschreven dat de (volle) waarheid pas door Jezus Christus is (openbaar) geworden (Joh. 1:17 St. Vert.). Tegenover de dwaalleraars van onze tijd die de godheid van Jezus loochenen, mogen wij ook deze tekst gebruiken ten einde te getuigen, dat Jezus onze God is. Hij inspireert ons door zijn Geest die Hij in ons doet wonen en Hij is het voorwerp van onze verering en de Leidsman van ons leven. Hij is ook onze Heiland, dat is degene die ons gered heeft uit de macht der duisternis, zodat wij overgezet zijn in het Koninkrijk Gods.

Hij is het ook die ons heelt, dat is herstelt naar geest, ziel en lichaam. Hij is ook als de Christus gezalfd met de Heilige Geest en heeft deze ons geschonken, opdat wij dezelfde zalving ontvangen zouden. Jezus Christus is de absolute Rechtvaardige. Door Hem over te geven aan de machten der duisternis, heeft de Vader op rechtvaardige wijze voor de schuld van de ganse wereld betaald, zodat een ieder die in deze schuldvergeving gelooft, ook een rechtvaardige is en door de Geest in gerechtigheid kan leven.

 

2 Petrus 1:2 


genade en vrede worde u vermenigvuldigd door de kennis van God en van Jezus, onze Here.

De gelovigen tot wie Petrus zich richt, hebben reeds genade ontvangen en zij kennen ook de vrede met God, want zij zijn gerechtvaardigd door het geloof (Rom.5 A). Maar er bestaat 'genade op genade' en 'rijkdom van genade', dus meerdere genade en er is een 'vrede die alle verstand te boven gaat'. Daarom schrijft de apostel: 'Genade en vrede moge u steeds rijkelijker ten deel vallen' (vert. Brouwer).

Hoe komen de geadresseerden nu aan deze meerdere genade en deze diepere vrede? Het antwoord is: door God meer te leren kennen en ook Jezus onze Heer. Hoe meer wij de gedachten van God en van Jezus overnemen en hoe meer wij de beloften in hun woorden vervat, aanvaarden, hoe rijker het leven en hoe groter de hoop wordt. Ook Paulus zag het belangrijke nut in van deze kennis van God. In Efeziërs 4:13 bidt hij, dat wij allen mogen komen tot de volle kennis van de Zoon Gods, met als doel de mannelijke rijpheid. Dit is ook zijn bedoeling in Filippenzen 3:10, waar staat: om Hem te kennen en de kracht zijner opstanding om zo deel te krijgen aan de opstanding tussen de doden uit, dit wil zeggen aan de eerste opstanding, waarmee wij nu reeds begonnen zijn.

In plaats van 'door' de kennis, vertaalt men ook wel 'in' de kennis van God en Jezus, onze Heer. De kennis is dan als een bodem waaruit de plant haar levenssappen haalt. Zij is de fontein waaruit de geestelijke zegeringen tot ons komen. Er zijn christenen die uit de vorige tekst concluderen, dat de Vader tevens de Zoon is. Hier maakt Petrus evenwel duidelijk onderscheid tussen God de Vader en God de Zoon. Zij die leren dat Jezus de Vader is, hebben geen zuiver begrip van de betekenis van het woord 'God'.

Paulus zegt zelfs, zoals wij bij de bespreking van het vorige vers zagen: 'Er zijn vele goden, dus vele machten die ons trachten te inspireren en die door mensen vereerd willen worden. Als christenen spreken wij van 'onze God', de levende, de Schepper van hemel en aarde, de oorsprong en Vader van alle geesten. Deze Vader is zelf alleen geest (Joh.4:24). Zijn geest heeft woning gemaakt in Jezus Christus. Daardoor is deze voor eeuwig met God verbonden en is Hij zelf ook inspirator en voorwerp van verering geworden. Voor zijn doop met de Heilige Geest was Jezus noch inspirator noch voorwerp van verering, hoewel Hij de eniggeboren Zoon van de Vader was.

Als Zoon van God en volmaakte, met de Heilige Geest vervulde mens, aanvaardt Jezus het om 'Heer' genoemd te worden. Hij verwacht dat zijn woord zal worden aanvaard als geïnspireerd en als inspirerend woord van God. Hij nam immers alle gedachten van de Vader over en weigerde enige gedachte van de boze toe te laten. Daarom was God die geest is, op volmaakte wijze in Hem. Daarom kon Hij zeggen: 'ik en de Vader zijn één' (Joh. 10:30). De Vader en de Zoon zijn één van gf est, dus één van gedachten en één in openbaring.

Wanneer eenmaal de zonen Gods al de gedachten des Vaders hebben overgenomen, zal er een begin gemaakt zijn met de realisatie van het doel van de Schepper: 'Opdat zij allen één zijn, gelijk Gij, Vader, in Mij en Ik in U, dat ook zij in Ons zijn'(Joh..17:21) en: 'Opdat God zij alles in allen' (1 Cor.15:28).

 

2 Petrus 1:3 


Zijn goddelijke kracht immers beeft ons met alles, wat tot leven en godsvrucht strekt, begiftigd door de kennis van Hem, die ons geroepen heeft door zijn heerlijkheid en macht;

De kracht die van de godheid uitgaat, dus van de Vader en de Zoon, is de Heilige Geest die in onze harten of in onze inwendige mens is uitgestort. Hij is de 'mogendheid' (Grieks: dunamis) in de christen die als een dynamo kracht te voorschijn brengt. Deze Geest heeft rijke talenten en bekwaamheden waarmee Hij ons ook begiftigt, zodat wij alles bezitten wat nodig is om tot een ontplooid, vruchtdragend leven te komen.

Op welke wijze komt nu de ontwikkeling van deze kracht en van dit vruchtdragend leven tot stand? Het eenvoudige antwoord is: er gaat niets automatisch, er gebeurt niets buiten de mens om, maar deze groei wordt veroorzaakt door de vermeerdering van kennis aangaande God en Jezus Christus. Het gaat er dus bij de christen om het woord van God te lezen, dit te aanvaarden en zo Gods gedachten tot zijn eigendom te maken. Hierbij komt de Heilige Geest hem te hulp, want deze is de Leraar der gerechtigheid. Jezus sprak aangaande Hem: 'Hij zal het uit het mijne (het woord) nemen en u verkondigen' (Joh. 16:14).

Wanneer de christen kennis genomen heeft van Gods gedachten en deze zich toegeëigend heeft, weet hij zich tot een grote en heerlijke taak geroepen. Het blijde evangelie verlokt hem en hij kan het niet meer missen. God riep hem niet door bedreigingen met hel en verdoemenis, maar Hij bekoorde hem en trok hem met beloften van heil en heerlijkheid. Hij riep hem door de openbaring van zijn glorie en deze wordt ook aan de gelovige geschonken. Jezus sprak dat Hij de heerlijkheid die Hij van de Vader ontvangen had, aan zijn discipelen schenkt (Joh.17:22).

Degenen die in Christus zijn, hebben hun eindstation nog niet bereikt, maar zij worden opgeroepen verder te gaan. De heerlijkheid van het zoonschap wordt hun in het vooruitzicht gesteld en zij ontvangen ook de kracht om de weg naar het doel te kunnen gaan. Zovelen het woord aangenomen hebben, ontvangen macht om kinderen Gods te worden en zovelen de Heilige Geest aangenomen hebben, ontvangen macht zonen Gods te worden. Het uiteindelijke doel is: 'gelijkvormig te zijn aan het beeld des Zoons, opdat deze de eerstgeborene zou zijn onder vele broeders' (Rom.8:29).

 

2 Petrus 1:4 


door deze zijn wij met kostbare en zeer grote beloften begiftigd, opdat gij daardoor deel zoudt hebben aan de goddelijke natuur, ontkomen aan bet verderf, dat door de begeerte in de wereld heerst.

Het terugwijzende voornaamwoord 'deze' kan betrekking hebben op 'zijn goddelijke kracht' in vers 3, of op 'Jezus, onze Here' in vers 2. Dit maakt evenwel geen verschil, daar de Heer door de Geest in ons woont. Hij heeft ons de kracht van de Heilige Geest beloofd, zodat wij in staat zijn de geestelijke gaven te ontplooien. De Heer heeft ons hiermee toegerust om de beloften van het zoonschap en die van het eeuwige leven te kunnen realiseren. De Heilige Geest zelf is de grote belofte van de Vader in het nieuwe verbond, zoals het Zaad der vrouw die was in het oude.

De erfenis die in de hemelse gewesten voor ons weggelegd is, wordt groots en heerlijk genoemd. Zij is waardevoller dan alles wat tot de vergankelijke wereld behoort en groter dan iets anders dat wij bedenken kunnen. Er staat immers: 'Wat geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord en wat in geen mensenhart is opgekomen, al wat God heeft bereid voor degenen, die Hem liefhebben' (1 Cor. 2:9).

Door onze erfenis in bezit te gaan nemen, kunnen wij het beeld van de Zoon gelijkvormig worden. 'In Hem woont al de volheid der godheid lichamelijk' en wij hebben deze volheid als erfenis verkregen in Hem (Col. 2:9). Wij groeien, ons aan de waarheid van zijn beloften houdende, naar deze volmaaktheid toe. Jezus had deel aan de goddelijke natuur en Hij behoefde het Gode gelijk zijn niet als een roof te achten (Filip. 2:6).

Hij was in de gestaltenis Gods, dit wil zeggen dat Hij een man Gods, dus een volmaakt geestelijk mens was, zoals de Schepper Zich deze van eeuwigheid had voorgesteld. Wanneer wij aan Jezus gelijkvormig worden, hebben wij deel aan de goddelijke natuur. Dan bezitten wij dezelfde gezindheid en dezelfde geestelijke begaafdheden en openbaren dezelfde geestelijke eigenschappen, zoals. trouw, barmhartigheid, goedertierenheid, waarheid, geestelijke kracht, gerechtigheid. De christen wordt dan een volmaakt geestelijk wezen naar de beeltenis van zijn Schepper, wonende in een stoffelijk lichaam. Dit lichaam is evenwel onderworpen aan de geest die onafscheidelijk met de Heilige Geest verbonden is.

Oorspronkelijk had God de mens zo gemaakt, dat deze zich kon ontwikkelen tot een volmaakt persoon in de natuurlijke wereld. In hem was de mogelijkheid gelegd zich ook in de geestelijke wereld te ontplooien. De boze heeft zijn leven evenwel aangetast, het uit de koers gebracht, het verstikt, gebonden en verdorven. Door het evangelie van Jezus Christus wordt de mens evenwel losgemaakt uit de strik van de boze, in vrijheid gesteld en in de juiste positie gebracht. Zo ontkomt hij aan het verderf en aan de verderver.

Petrus gebruikt hiervoor 'verderf' een woord dat onder meer ook voorkomt in Romeinen 8:21, waar Paulus schrijft, dat de schepping van de dienstbaarheid aan de 'vergankelijkheid' bevrijd zal worden tot de vrijheid van de heerlijkheid der kinderen Gods. De mens Gods is overgezet uit de duisternis in het licht van het Koninkrijk Gods en de gerechtvaardigde en verheerlijkte zonen Gods zullen het middel zijn om de zuchtende en corrupte schepping die om des mensen wil vervloekt is, te herstellen.

Hoe is het de boze gelukt om de mensen onder zijn heerschappij te krijgen? Door hun begeerte op te wekken en te richten op het verbodene en het wetteloze. Dit is van den beginne al zo geweest en de duivel gaat hier nog steeds mee door.

 

2 Petrus 1:5 


Maar schraagt om deze reden met betoon van alle ijver door uw geloofde deugd, door de deugd de kennis,

De apostel had reeds gebeden dat genade en vrede bij zijn lezers vermenigvuldigd mochten worden. Wij komen niet automatisch los van het verderf en ontvangen niet zonder inspanning de erfenis der heerlijkheid. In liet vorige vers kan ook gelezen worden: 'Zo gij maar aan het verderf ontvloden zijt'. Wij moeten ons dus eerst losmaken van het verderf en ons dan op de verse en levende weg gaan bewegen die ons omhoog voert. Wij moeten ons beijveren en ons ernaar uitstrekken om al de rijke beloften reëel tot ons eigendom te maken.

Wij moeten 'ons uiterste best' (Canisiusvert.) hiervoor doen, ons 'met alle ernst erop toeleggen' (vert. Brouwer), of zoals de Heer zegt: eerst het Koninkrijk Gods zoeken en zijn gerechtigheid, terwijl wij verwachten dat de dingen van deze aarde, die wij nodig hebben, naar zijn belofte ons bovendien toegeworpen zullen worden. Wie de goddelijke gezindheid en eigenschappen wil overnemen, zal van de Heilige Geest moeten willen leren en wie de geestelijke begaafdheden wil bezitten, zal ernaar moeten jagen (1 Cor. 14:1).

De mens die als zondaar onder de heerschappij van de boze leeft, heeft allereerst geloof nodig in het gepredikte evangelie van Jezus Christus. Hij moet dan bij dit geloof de deugd voegen, dat is de goede daad in het zich afkeren van het kwaad en het zich losmaken uit de banden der zonde. Hij moet zich tot Jezus Christus wenden om uitdelging van schuld en het kindschap Gods te ontvangen. Door dit goede werk zal hij Jezus als Redder en Leidsman ten leven leren kennen en God als Vader.

Door de doop in de Heilige Geest zal hij ook kennis verwerven van de kracht Gods die heil brengt en tot heerlijkheid voert. Hij zal ook de heilige engelen leren zien, die ons mede beschermen, maar ook de vijanden beginnen te onderscheiden, die de christen willen beschadigen en terugtrekken in het verderf. In zijn bergrede vatte Jezus deze ingang in het Koninkrijk Gods samen onder de woorden: 'Gaat in door de enge poort, want wijd is de poort en breed de weg, die tot het verderf leidt, en velen zijn er, die daardoor ingaan; want eng is de poort, en smal de weg, die ten leven leidt, en weinigen zijn er, die hem vinden' (Matth. 7:13,14).

 

2 Petrus 1:6 


door de kennis de zelfbeheersing, door de zelfbeheersing de volharding, door de volharding de godsvrucht,

Onder de deugden springt dan ogenblikkelijk de noodzaak van de zelfbeheersing of de zelfcontrole naar voren. Wat de christen als zelfbeheersing beschouwt, is in wezen onderscheiden van hetgeen de wereld hieronder verstaat. De mens buiten God kan innerlijk met boosheid en wrevel vervuld zijn, maar wanneer hij zich niet in woord of daad openbaart, behoudt hij zijn zelfbeheersing': 'Ik heb mij nog kunnen beheersen!' De christen wil evenwel ook zijn innerlijk leven voor iedere beïnvloeding van de boze bewaren.

Hij heeft daarom de controle niet bij de uitgang, maar daar waar de inspiratie van de vijand en zijn beïnvloeding beginnen. Hij laat in zijn geest en in zijn ziel niets toe dat negatief is en dat zijn innerlijk leven aantast en verderft. De zelfbeheersing behoort tot de vrucht van de Heilige Geest. Wanneer de boze de begeerte in verkeerde banen tracht te leiden, verzet zich de wil van de christen hiertegen. Deze verlustigt zich immers in de wet van God (Rom. 7:22).

Zijn geest tracht in deze strijd de boze te weerstaan, want hij wil als drager van de wet Gods in eigen huis heersen. Aangezien de menselijke geest menigmaal in kracht tekort schiet, komt de Heilige Geest zijn zwakheid te hulp, en deze samenwerking brengt ook als vrucht de zelfbeheersing voort.

Raakt de mens zijn zelfbeheersing kwijt, dan verliest hij zichzelf. Zijn geest heeft niet langer de controle over zijn denken, spreken of handelen, maar een boze geest oefent toezicht uit. Gods Geest zal nooit de menselijke geest verdringen of overheersen, want zelfs van de profetie geldt, dat de geesten der profeten die verbonden zijn met de Heilige Geest aan de profeten onderworpen zijn (1 Cor. 14:32).

In vele kringen meent men dat God de menselijke geest eerst wil verbrijzelen of verbreken. Men zingt zelfs: 'Verbreek mij maar geheel'. Bij deze bede wordt het werk van de boze machten openlijk afgesmeekt. Onze God wil evenwel de verbroken geest, de verbrijzelde ziel en het zieke lichaam herstellen, zodat de geest van de mens sterk genoeg is om over hem te regeren en hem te leiden, de ziel zich verblijden kan in de Heer en het lichaam als een geschikt werktuig ten dienste gesteld kan worden van de gerechtigheid.

Jezus sprak immers: 'Want wat baat het een mens, als hij de gehele wereld wint, maar zichzelf verliest of zelf schade lijdt? (Luc. 9:25). Dit gebeurt dus, wanneer de nodige discipline of zelfbeheersing ontbreekt. Een vorm van zelfbeheersing is 'matigheid', het woord dat in deze tekst. door de Statenvertaling gebruikt wordt. Wie matig is, bewandelt de smalle weg. Zo fluisteren verleidende, goddeloze geesten de mens in, dat hij maar raak moet eten en drinken, terwijl de 'vrome' machten hem tot onthouding aanzetten, terwijl de Heer ons duidelijk maakt dat alle spijzen en dranken geoorloofd zijn, mits de christen heerst over zijn lusten.

Overspelige geesten toveren de man voor dat het hebben van meer dan één vrouw een begeerlijke zaak is, terwijl religieuze geesten het huwelijk verbieden en het kloosterleven aanprijzen. De smalle weg is, wat God van den beginne bij elkander gebracht heeft, namelijk één man met één vrouw.

De boze zal trachten ondanks de zelfbeheersing toch steeds op een of andere manier in het leven binnen te komen. Daarom moet de zelfbeheersing ondersteund worden door de volharding, zoals er staat: 'Want gij hebt volharding nodig, om de wil van God doende, te verkrijgen hetgeen beloofd is' (Hebr. 10:36).

Jezus sprak: 'Wie volhardt tot het einde, die zal behouden worden' (Matth. 24:13). Slechts wanneer men de beïnvloeding van de machten der duisternis blijvend buiten zijn leven houdt, kan het woord van God ongestoord opwassen en vruchtdragen, zoals God het bedoeld heeft. Alleen wanneer de christen standvastig blijft, kunnen de geestelijke gaven zich vrijelijk in hem ontwikkelen en zal de vrucht des Geestes, de godsvrucht, zich in het praktische leven openbaren in: liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, vriendelijkheid, goedheid, trouw, zachtmoedigheid en zelfbeheersing (Gal. 5:22). Zo openbaart zich dan de mens Gods tot alle goed werk volmaakt toegerust (2 Tim. 3:16).

 

2 Petrus 1:7 


door de godsvrucht de broederliefde en door de broederliefde de liefde jegens allen.

Vanuit de juiste verhouding tot God, dus vanuit de godsvrucht en eerbied voor Hem die gezegd heeft: 'Gij zult God liefhebben boven alles en uw naaste als uzelf', ontstaat de 'filadelfia' of broederliefde. Liefde is de positieve houding die men tegenover de medemens inneemt. Zij kan schenkend zijn of ontvangend. Gods liefde ten opzichte van de mens is altijd gevend, terwijl de mens ten opzichte van God een verkrijgende relatie bezit, zoals het kind die heeft tot zijn vader.

Wordt met de Heilige Geest 'de liefde uitgestort in onze harten', dan begint ook in ons vanuit deze rijkdom de mededelende liefde werkzaam te worden. Deze richt zich in de eerste plaats op de broeders en zusters, de 'huisgenoten Gods'. De Heer wil immers dat wij ten nauwste met elkander verbonden zijn, dus één van hart (geest) en één van ziel zijn. Dan vormen wij tezamen één lichaam, dus een hechte, organische eenheid: wij hebben dezelfde gedachten, dezelfde leer en dezelfde gezindheid. Deze geestelijke gemeenschap bewerkt de broederliefde, die te allen tijde bereid is te dienen en te helpen.

Er zijn christenen die over gebrek aan liefde in hun gemeenschappen klagen. Zij zijn als de kinderen die ingesteld zijn om liefde te ontvangen, maar de Heer sprak over een geven zonder op vergelding te hopen. De schenkende liefde zoekt zichzelf niet, wordt niet verbitterd en rekent het kwade niet toe (1 Cor. 13:5). De volwassen christen zal zich natuurlijk wel afvragen of bij hem deze positieve instelling ten opzichte van de zwakke broeder of zuster te allen tijde aanwezig is.

De zichzelf gevende liefde Gods die met de Heilige Geest woning heeft gemaakt in de harten der gelovigen, de zogenaamd 'agapè', strekt zich niet alleen uit tot de broeders en zusters, maar zij richt zich ook op alle mensen. Vandaar in onze vertaling de toevoeging 'jegens allen'. Gods liefde heeft zich immers altijd uitgestrekt naar alle mensen en het is vanaf het begin zijn bedoeling geweest dat het ganse menselijke geslacht door onderlinge liefde verbonden, één geheel zou vormen.

Deze liefdesverhouding is evenwel door de zonde doorbroken en maar al te vaak veranderd in jaloezie, haat en vijandschap. Gods liefde blijft evenwel constant gericht op het behoud van alle mensen. 'Hij laat zijn zon opgaan over bozen en goeden en laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen'. Dit wat het natuurlijke bestaan betreft. Wat hun geestelijk welzijn aangaat: Hij schonk zijn Zoon voor de gehele wereld. Daarom geldt voor de christen niet meer de oude uitspraak: 'Gij zult uw naaste (broeder) liefhebben en uw vijand zult gij haten', maar zij wordt vervangen door: 'Hebt uw vijanden lief en bidt voor wie u vervolgen' (Matth. 5:43-45).

De ware liefde is niet gekwetst, indien zijniet beantwoord wordt. Wij zullen ons daarom vanwege de werkingen van de boze in degenen die ons omringen, niet laten weerhouden de mens toch liefde te bewijzen en hem te helpen.

 

2 Petrus 1:8 


Want als deze dingen bij u aanwezig zijn en overvloedig worden, laten zij u niet zonder werk of vrucht voor de kennis van onze Here Jezus Christus.

In beginsel moet deze hele scala van deugden in het leven van de gelovigen gevonden worden en zij moeten zich steeds verder in hen ontwikkelen door een dagelijks voortgaande vernieuwing van denken. Ook versterken, bemoedigen en verlevendigen deze deugden elkander. Hierdoor openbaren de gelovigen het beeld van Jezus Christus steeds meer. Zij zullen al voortgaande en volhardende dan ook Jezus Christus en de kracht die Hij hun schonk, hoe langer hoe meer leren kennen. Al levende met hun Heer die door de Heilige Geest in hen woont, zullen zij eindigen met Hem ten volle te kennen, zoals zij zelf gekend zijn (1 Cor. 13:12).

Zoals wij in de natuurlijke wereld iemand pas goed leren kennen door dag aan dag met hem om te gaan, zo zullen wij steeds meer met Jezus vertrouwd raken door volhardend in zijn woorden te blijven en met Hem te leven. Dit contact zal een rijke vrucht in ons leven afwerpen en wij zullen erdoor toegerust worden tot alle goed werk.

 

2 Petrus 1:9 


Want bij wie zij niet zijn, die is verblind in zijn bijziendheid, daar bij de reiniging van zijn vroegere zonden heeft vergeten.

In de vorige verzen heeft de apostel de weg aangegeven vanaf het ogenblik dat iemand tot het geloof komt tot aan het tijdstip dat hij een rijpe vrucht is geworden, dat wil zeggen tot volle kennis van Jezus Christus kwam en de heerlijkheid deelachtig werd, die in Christus Jezus is verborgen.

Wie deze weg niet gaat - of met een ander beeld - dit groeiproces niet doormaakt, wie dus niet innerlijk veranderd en vernieuwd wordt, wiens woorden en daden niet overeenstemmen met zijn hoge roeping, is volgens de apostel bijziende en verblind. Deze kortzichtigheid belet hem zowel achterwaarts als voorwaarts te zien.

Hij vergeet immers dat hij door het bloed van Jezus Christus van zijn zondeschuld werd gereinigd, maar evenzo het doel van deze vergiffenis, namelijk dat hij overgezet werd in het Koninkrijk Gods en dat hij op zou moeten wassen in waarheid en in gerechtigheid. Hij ziet dus geen toekomende wereld.

Wanneer iemand bijziende is, betekent dit dat hij alleen de dingen kan opmerken die vlak bij hem zijn. Hij heeft dus verder geen blikveld. Een bijziend christen neemt slechts de dagelijkse dingen van de aarde op en let alleen op de toestand waarin hij zich bevindt, maar de eeuwige, onzienlijke werkelijkheid is voor hem afgesloten.

Het woord 'verblind' wijst op een werking van buitenaf, die de mens de mogelijkheid ontneemt om ver te zien, dus om een visie te hebben. De verblinding wordt veroorzaakt door de machten der duisternis, die de waarheid in ongerechtigheid ten onder houden. Paulus schreef dat het evangelie dat hij verkondigde, bedekt was, dus niet gezien werd, 'bij hen die verloren gaan, ongelovigen, wier overleggingen de god dezer eeuw met blindheid heeft geslagen, zodat zij het schijnsel niet ontwaren van het evangelie der heerlijkheid van Christus, die het beeld Gods is' (2 Cor. 44). Bijziendheid en verblinding werken dus samen, zodat de mens niets meer opmerkt 'Van het doel en van de glorie Gods.

Het wordt uit deze tekst opnieuw duidelijk, dat de mogelijkheid bestaat om, nadat men tot het geloof in het verzoenend werk van Christus is gekomen, de zegen hiervan toch weer te verliezen. Uit deze tekst blijkt ook weer: er is een afval der heiligen (zie ook 2 Petr. 2:21, 22 en Hebr. 6:4-8).

 

2 Petrus 1:10 


Beijvert u daarom des te meer, broeders, om uw roeping en verkiezing te bevestigen; want als gij dit doet, zult gij nimmer struikelen.

Het is zaak om niet te blijven staan bij de poort die wij binnengegaan zijn door het aanvaarden van de schuldvergeving, maar bewust verder te gaan op de smalle weg, totdat het einddoel is bereikt. God roept ons, teneinde gemeenschap te hebben met zijn Zoon, om naar deze te horen en Hem te volgen. Jezus is de uitverkorene die ons geschonken is als een leidsman ten leven en tot heerlijkheid. De Váder sprak: 'Deze is mijn Zoon, de geliefde, hoort Hem'. Gods keuze van eeuwigheid is de Zoon zijner liefde. Deze zal de mens voeren naar het doel dat de Vader in zijn eeuwig plan voor hem bereid heeft.

leder die het evangelie dat over de gehele wereld verkondigd wordt, aanvaardt, behoort tot de geroepenen, want hij neemt Jezus aan. Een ieder die zich bij Jezus gevoegd heeft, behoort tot het uitverkoren geslacht waarvan de apostel sprak in 1 Petrus 2:9.

De zegeringen en de beloften die aan het geroepen en uitverkoren geslacht zijn toegezegd, vallen dit niet automatisch ten deel. Zo goed als iemand zélf tot bekering moet komen en hij breken moet met de ongerechtigheid teneinde deel te krijgen aan de schuldvergeving, zo moet ook de gereinigde christen zich erop toeleggen met volharding en geduld de verdere beloften te verwerven. Zo moet hij bijvoorbeeld ijveren naar de geestelijke gaven, zich oefenen in het onderscheiden van goed en kwaad, de goede geestelijke strijd voeren, zich uitstrekken naar kennis en wijsheid, de voetstappen van zijn Heer drukken, het rechte spoor houden en jagen naar de volkomenheid. Zo wordt zijn positie in het Koninkrijk Gods vast of zeker gemaakt.

De waarschuwing om zijn roeping en verkiezing te bekrachtigen, wordt gegeven, omdat natuurlijk de mogelijkheid bestaat dat bij falen deze roeping en verkiezing niet vaststaan en niet bevestigd worden.

Wanneer wij met de dingen van Gods Koninkrijk in theorie en praktijk, dus in ons denken, spreken en handelen, voortdurend bezig zijn, hebben wij geen aandacht en tijd meer om ons te laten beïnvloeden en verleiden door de boze die negatieve gedachten en begeerten als struikelblokken op onze weg wil brengen.

Onze Heer beloofde: 'Omdat gij het bevel bewaard hebt om Mij te blijven verwachten, zal ook ik u bewaren voor (in) de ure der verzoeking, die over de gehele wereld komen zal, om te verzoeken hen, die op de aarde wonen' (Openb. 3:10). Wie zijn hoop of verwachting op de Heer gericht houdt, is niet van de aarde, maar van de hemel, waar hij heerst over de verleidende machten der duisternis.

Wie voortdurend op de hoge weg is, zal nooit struikelen, want 'daar zal geen leeuw zijn en geen verscheurend dier zal daarop komen' (Jes. 35:9). De apostel Johannes zegt ditzelfde onder andere woorden in zijn eerste zendbrief, hoofdstuk 5:18, waar staat: 'We weten, dat wie uit God is geboren, niet zondigt; maar wie uit God is geboren, waakt over zichzelf, en de boze heeft geen vat op hem' (Canisiusvert.), omdat hij bezig is met de dingen van Gods Koninkrijk. Ook Judas 24 spreekt over Jezus Christus, die ons door de Geest die in ons woont 'voor struikelen kan behoeden en onberispelijk doen staan voor zijn heerlijkheid in grote vreugde'. Wanneer Jacobus 3:2 constateert, dat wij allen in velerlei opzicht struikelen, houdt dit daar verband met ons spreken en onderwijzen. Ons kennen is immers nog onvolkomen (1 Cor. 13:12).

Struikelen doet men over iets, dat men niet opgemerkt heeft. Men was er niet van op de hoogte. Wie in zijn spreken niet meer struikelt, dus geestelijk goed kan onderscheiden en alles logisch kan ordenen, is een volmaakt man, want hij is dan ook in staat zijn daden te beheersen. Hij is zelfs. 'in staat zijn gehele lichaam in toom te houden'.

In de 'laatste dagen' kan God zijn doel wél met ons bereiken. God zoekt zulken die Hem aanbidden in geest en waarheid, die het Koninkrijk Gods zijn binnengegaan en zich dus daar openstellen. Aan hen openbaart de Vader Zich zoals Hij werkelijk is. De perfectie van de mens begint met zijn wandel in de onzienlijke, hemelse gewesten.

 

2 Petrus 1:11 


Want zó zal u rijkelijk worden verleend de toegang tot het eeuwige Koninkrijk van onze Here en Heiland, Jezus Christus.

In 1 Petrus 4.18 schreef de apostel dat er rechtvaardigen zijn, die ternauwernood zalig worden. Deze mensen hadden wel de rechtvaardigheid door het verzoenend bloed aanvaard, maar van een daadwerkelijk leven met God was niets terecht gekomen. Petrus kende echter ook christenen, die niet zalig 'worden', maar die al zalig 'zijn' (1 Petr. 4:14). Zij zijn bezig het evangelie van Jezus Christus steeds meer te leren kennen en in hun leven te realiseren.

Zij bouwen op het fundament met 'goud, zilver en kostbaar gesteente'. Zij nemen dus de rijke, hemelse erfenis al in bezit, want de erflater die het hun naliet, is gestorven. De toegang tot het eeuwige Koninkrijk van Jezus Christus, hun Heer, staat wijd voor hen open. Zij betreden steeds nieuwe schatkamers met mogelijkheden en perspectieven, waardoor hun de ene genade na de andere ten deel valt. Alles wat zij bij hun wandel en strijd in dit Koninkrijk verwerven, zal ook tot in eeuwigheid hun deel zijn, want het is een eeuwig Koninkrijk waar Jezus voor eeuwig Heer is en zij zijn beeld gelijkvormig zijn geworden.

Jezus is Heiland, want Hij heeft zijn volk verlost, niet alleen van hun zondeschuld, maar ook uit de duisternis en van zijn vijanden. Hij heeft het hersteld en een plaats gegeven als medegezalfden (als christussen) in zijn lichaam, de gemeente. Daarom zal dit uitverkoren geslacht, dit koninklijke priesterdom en deze heilige natie, gebruikt kunnen worden bij het herstel van de ganse aardse schepping en ook van hen die beschadigd ingingen in het nieuwe Jeruzalem. Als geboomte des levens zullen onder de schaduw van hun bladeren deze volkeren genezen worden.

 

2 Petrus 1:12 


Daarom zal het steeds mijn voornemen zijn u hieraan te berinneren, hoewel gij het weet en in de waarheid, die bij u is, versterkt zijt.

Petrus is van plan zo lang als hij leeft zijn lezers steeds weer het evangelie van Jezus Christus in gedachtenis te brengen. Dit evangelie gaat niet in de eerste plaats over de persoon van onze Heer en over zijn leven, maar over )zijn' evangelie, dat is de prediking van het 'eeuwige Koninkrijk'. Jezus heeft de verborgenheden van de onzienlijke wereld ontsluierd. Zijn boodschap hierover had alle apostelen gefascineerd. Zij werden nimmer moe om zonder ophouden hierover te spreken. Van dit onderwerp geldt wat Paulus aan de gemeenten voorhield: 'Hetzelfde aan u te schrijven is voor mij niet verdrietig en voor u is het veilig' (Filip. 3:1).

De lezers moesten bevestigd worden in dit evangelie, opdat zijniet door elke wind van leer zouden beïnvloed worden. In lyrische vorm uit de apostel in deze pericoop zijn vreugde over de geopenbaarde heerlijkheid van 'het eeuwige Koninkrijk van onze Here en Heiland, Jezus Christus', van welke genade alle oudtestamentische profeten in beelden hadden gesproken en die in het leven van het volk Israël in schaduwen was neergelegd (1 Petr. 1:12).

Zijn lezers weten het wel en de waarheid, dat is het plan van God met de mens, is bij hen tot ontwikkeling gekomen, dus versterkt of bevestigd. Dit in tegenstelling met wat Paulus kei, dat de heidenen de waarheid in ongerechtigheid ten onder houden. Door hun boosheid kon God zijn bedoeling in hen niet tot ontplooiing brengen (Rom. 1:18).

 

2 Petrus 1:13-15 


Ik acht bet mijn plicht, zolang ik in deze tent ben, u door herinnering wakker te houden, want ik weet, dat bet afleggen van mijn tent spoedig komt, zoals ook onze Here Jezus Christus mij heeft doen weten. Maar ik zal mij beijveren, dat gij ook na mijn heengaan telkens weer aan deze dingen kunt denken.

Petrus weet dat wanneer iemand niet telkens bij deze geestelijke zaken bepaald wordt, hij gemakkelijk weer terugvalt in de dingen van de zienlijke wereld en door matheid van ziel verslapt. Men moet voortdurend het geestelijk oog gericht houden op Jezus, die met eer en heerlijkheid gekroond is en die gezeten is op de troon van zijn Vader. Door de broeders telkens deze weg en dit doel voor ogen te stellen, wil de apostel hen geestelijk wakker houden.

Petrus weet dat hem voor dit werk nog maar een korte tijd is toegemeten. Hij verwacht dat zijn uitwendige mens spoedig gescheiden zal worden van de inwendige. De voorstelling van zijn lichaam als tent was ontleend aan de geschiedenis van de zwervende aartsvaders en aan die van het volk Israël in de woestijn. Zijn tent zou worden neergehaald en opgeborgen. De bewoner van de tent, de mens des harten, zou evenwel voortleven. Petrus had immers het onvergankelijke leven in zich en naar de inwendige mens was hij een levende cel in het Lichaam des Heren. Na zijn sterven zou deze inwendige mens blijven waar hij was: in Christus.

Het is mogelijk dat de Heer hem geopenbaard had dat zijn verscheiden nabij was. 'Spoedig' is weldra, plotseling of haastig. Maar het kan ook herinneren aan wat Jezus in Johannes 21:18,19 voorspelde aangaande de toekomst en de wijze waarop Petrus sterven zou. Hij kon onverwacht en snel als martelaar sterven. Hij wist dus niet wanneer dit uur zou aanbreken, maar hij kon het verwachten en hij wilde daarom de tijd die hem nog restte in het vlees, benutten tot opbouw van de gemeenten.

Zo schreef ook Paulus: 'Van beide zijden word ik gedrongen: ik verlang heen te gaan en met Christus te zijn, want dit is verreweg het beste; maar nog in het vlees te blijven is nodiger om uwentwil. En in deze overtuiging weet ik, dat ik zal blijven en voortdurend bij u allen zal zijn, opdat gij verder moogt komen en u in het geloof verblijden' (Filip. 1:23-25). De maatregelen die Petrus nam om het evangelie van Jezus Christus te bewaren voor de geadresseerden en voor de gelovigen voor alle tijden, vinden we in zijn brieven.

Sommige kerkvaders menen dat hij Johannes Marcus, die veel met hem reisde, instrueerde om zijn evangelie te gaan schrijven. Het Marcus-evangelie zou dan opgetekend zijn naar de gegevens van Petrus. Deze noemde immers Marcus zijn zoon (1 Petr. 5:13). Dat Petrus zelf nog van plan was een werk te schrijven, is niet aannemelijk, daar hij zijn heengaan verwachtte.

Petrus achtte de mondelinge overlevering niet hoog. Hij kende het gevaar van 'verdraaiingen' van woorden en van toedoen en afdoen van zijn woorden (vergelijk 2 Petr. 3:16 en Openb. 22:18,19). juist uit de geschriften van de apostelen, ook uit die van Petrus, en verder uit die van evangelisten en van profeten is het Nieuwe Testament ontstaan, dat voor ons leidinggevend en maatgevend is.

 

2 Petrus 1:16 


Want wij zijn geen vernuftig gevonden verdichtsels nagevolgd, toen wij u de kracht en de komst van onze Here Jezus Christus hebben verkondigd, maar wij zijn ooggetuigen geweest van zijn majesteit.

Het evangelie dat Petrus verkondigde, was geen verzinsel, fabeltje of zoals er staat 'mythe', waarmee de heidense priesters zich ook bezighielden. Het was ook niet in de ijdele fantasie van mensen ontstaan en bevatte ook niet de mening van lieden die eropuit waren hun medemensen te bedriegen. Het is de boodschap van God die door & profeten opgetekend werd en die betrouwbaar is.

Jezus had tot zijn discipelen gezegd: 'Gij zijt getuigen van deze dingen' (Luc. 24:48). Ook Petrus had het optreden van de Heer meegemaakt en ook zijn heerlijkheid gezien na zijn opstanding uit de doden, evenals Johannes. Deze laatste apostel schreef: 'Hetgeen wij gehoord hebben, hetgeen wij gezien hebben. . . dat verkondigen wij (1 Joh. 1:1-3).

Paulus, die zelf de omwandeling van Jezus niet had meegemaakt, spreekt over hen, 'die het gehoord hebben, op betrouwbare wijze ons is overgeleverd' (Hebr. 2:3). Hij zal wel veel waarheden en kennis van gebeurtenissen van Petrus hebben overgenomen, want deze was de belangrijkste persoon die hij in Jeruzalem na zijn bekering ontmoette (Gal. 1:18, zie ook zijn contact met Johannes en Jacobus, de broeder des Heren in Gal. 2:9).

De inhoud der prediking van Petrus was die van de kracht en van de komst des Heren. Deze kracht had hij gezien, toen hij Jezus zag werken en hij getuigde hiervan in het gezin van Cornelius: 'Hoe God Hem met de Heilige Geest en kracht heeft gezalfd. Hij is rondgegaan, weldoende en genezende allen die door de duivel overweldigd waren; want God was met Hem' (Hand. 10:38).

Paulus schreef in verband met het heerlijke evangelie van Jezus: 'Het is een kracht Gods tot behoud voor een ieder die gelooft'. Daarom kunnen ook nu nog de ware christenen getuigen van redding, verlossing en genezing. Ook had Petrus de komst van Jezus ervaren en bekend gemaakt, namelijk toen door de doop met de Heilige Geest de Vader en de Zoon woning maakten in zijn hart en hij kon getuigen, dat niet door zijn kracht of godsvrucht de verlamde aan de Schone Poort genezen was (Hand. 3:12).

Petrus was dus ooggetuige geweest van de majesteit van Jezus, toen deze op aarde rondwandelde, maar ook van de heerlijkheid van de verhoogde Meester. Bij 'komst' menen vele uitleggers dat hier gesproken wordt van de geboorte van Jezus, maar dan zou het woordje 'komst' vóór 'kracht' hebben moeten staan. Anderen menen dat hier gedacht wordt aan de wederkomst des Heren met de zijnen in de eindtijd. De apostel brengt echter deze komst in verband met het ooggetuige zijn en met de kracht des Heren welke in zijn nabijheid geopenbaard was.

De 'komst' is in de eerste plaats de 'parousie' of de tegenwoordigheid des Heren en deze begint, wanneer Hij woning maakt in het hart van de gelovige, dus bij de doop in de Heilige Geest!

 

2 Petrus 1:17 


Want Hij heeft van God, de Vader, eer en heerlijkheid ontvangen, toen zulk een stem van de hoogwaardige heerlijkheid tot Hem kwam: Deze is mijn Zoon, mijn geliefde, in wie Ik mijn welbehagen heb.

Reeds bij de doop van Jezus in water en na zijn doop in de Heilige Geest had God vanuit de hemelen gesproken: 'Deze is mijn Zoon, de geliefde, in wie Ik mijn welbehagen heb' (Matth. 3:17). Johannes de Doper getuigde in zijn prediking hiervan: 'En ik heb gezien en getuigd, dat deze de Zoon van God is' (Joh. 1:34). Het was voor Jezus een eer om als Zoon van God openlijk erkend te worden en het was voor Hem een heerlijkheid om als eerste mens de Heilige Geest te ontvangen.

Het welbehagen Gods is de ware, volkomen geestelijke mens, die dus het einddoel bereikt heeft. Jesaja profeteerde dat door Gods hand, dus door zijn Geest, het welbehagen des Heren gelukkiglijk zou voortgaan. Hij zou zaad of nakomelingen zien, die ook een 'lang' of eeuwig leven zouden bezitten. De mens Gods die tot alle goed werk in hemel en op aarde toegerust wordt is de

mens van het goddelijk welbehagen (vergelijk Jesaja 53:10).

De stem uit de sublieme heerlijkheid van de hemel moet op Johannes de Doper een diepe indruk achtergelaten hebben, zodat Petrus hier nog op terugkomt en alle evangelisten er melding van maken, hoewel dezen zomin als de apostelen hierbij aanwezig waren geweest. Dit gebeurde immers vóór de roeping van de discipelen. Voor Johannes de Doper was het de bevestiging dat hij zijn bediening rustig kon afsluiten. Hij had zich niet vergist en dit kon hem later bemoedigen, toen hij in de kerker opgesloten zat.

 

2 Petrus 1:18 


En deze stem hebben ook wij uit de hemel horen komen, toen wij met Hem op de heilige berg waren.

Petrus zelf had ook een bijzondere openbaring uit de hemel gehad. Hij herinnerde zich nog heel goed dat hij met Jezus, Jacobus en Johannes op de berg der verheerlijking was. Deze wordt 'heilige berg' genoemd, omdat de drie discipelen in de hoge afzondering van deze berg een heerlijk gezicht kregen. Daar hadden zij collectief een visioen of een zinsverrukking. Het woord , gezicht' dat in Mattheüs 17:9 door Jezus voor dit gebeuren wordt gebruikt, vindt men ook in Handelingen 7:31, 9:10, 10:17, 11:5, 12:9, 16:9 en 18:9.

De verheerlijking op de berg was dus een visionaire belevenis. De discipelen aanschouwden het resultaat van de prediking die Jezus bracht: de majesteit van de verheerlijkte Meester en hoe zij met de vertegenwoordigers der rechtvaardigen van het oude verbond allen opgenomen werden in de lichtende wolk, beeld van de onberispelijke gemeente. Paulus had zo'n openbaring, toen hij opgetrokken werd tot in de derde hemel, dus toen hij de gemeente van oud en nieuw verbond tezamen in heerlijkheid zag.

De eerste en de tweede hemel waren voorbijgegaan en hadden plaats gemaakt voor de laatste realisatie van het voornemen des Heren: 'God alles in allen'. Paulus ervoer dit gezicht zo met zijn gehele wezen, dat hij schreef: 'Of het in het lichaam was, weet ik niet, God weet het - dat die persoon weggevoerd werd tot in de derde hemel' (2 Cor. 12:2).

In de lichtende wolk, beeld van de gemeente, staat Jezus Christus centraal. Daarom klonk de stem opnieuw: 'Deze is mijn welbeminde Zoon, in wie Ik mijn welbehagen gesteld heb' en er werd nog aan toegevoegd: 'Hoort naar Hem!' (Matth. 17:1-8). Dit was dus voor deze drie apostelen ook een zeker bewijs dat ze op de goede weg waren.

 

2 Petrus 1:19 


En wij achten het profetische woord daarom des te vaster, en gij doet wél, er acht op te geven als op een lamp, die schijnt in een duistere plaats, totdat de dag aanbreekt en de morgenster opgaat in uw harten.

Petrus wist dat er veel profetieën over de Christus waren uitgesproken, die alle in Jezus vervuld zijn en nog worden. Zo schreef ook Paulus: 'Want hoevele beloften Gods er ook zijn, in Hem is het. ja; daarom is ook door Hem het: Amen' (2 Cor. 1:20). De stem uit de hemel bevestigde de waarheid van het profetische woord en ook de waarheid dat dit woord in Jezus van Nazareth was vervuld. Hij was de Messias die komen zou.

De profetieën waren in een duistere wereld als lampen waarop men zich geestelijk kan oriënteren. Ze zijn een lamp voor de voet en een licht op het pad. Ze zijn immers het middel om de weg des levens te leren kennen. De wereld is een plaats van duisternis of van dwaling en onwetendheid. leder mens in de wereld is verstoken van de kennis die nodig is om het eeuwige leven te beërven. Iedere hongerige en dorstige van hart doet goed de godsspraken te geloven en ermee bezig te zijn.

Wij doen wél, wanneer wij op het Woord Gods acht geven, ons verstand ertoe aanzetten de profetieën te verstaan en met ons hart de waarheid te aanvaarden van dit zekere woord. De profetieën zijn 'de vorm van onderricht die ons overgeleverd is' en 'de belichaming der kennis en der waarheid' waarnaar wij onze gedachten en gevoelens moeten regelen en waaraan onze woorden, belijdenissen en onze levenswandel moeten beantwoorden (Rom. 6:17 en 2:20).

Langs de weg van Gods woord dat in de profetie tot ons komt, wordt het denken vernieuwd en gericht op Jezus. Door haar nemen wij de gedachten Gods over. Daarom zullen we ook in onze gemeenten de Geest niet doven en de profetieën niet verachten (1 Thess. 5:19, 20). Jezus zelf is het ware en volmaakte licht der wereld, want Hij is immers de grootste profeet. Zijn profeteren was volkomen, want Hij kende de Vader. Hij is daarom de blinkende morgenster die de dageraad van een nieuwe dag of van een nieuw tijdperk vol leven en heerlijkheid aankondigt.

De morgenster is de eerste voorbode van de dag; het is dus nog donker. Wanneer zij in Israël met haar helder licht aan de oostelijke hemel oprijst, weet men zeker dat de nacht ten einde spoedt en de dag gaat aanbreken. In het Hebreeuws draagt zij de naam 'nogah', dat is 'glans'. Daarom wordt in de bijbel meer aandacht aan deze ster geschonken dan wij gewoon zijn.

Jezus schijnt in onze harten of in onze innerlijke mens: 'Want de God, die gesproken heeft: Licht schijne uit het duister, heeft het doen schijnen in onze harten, om ons te verlichten met de kennis der heerlijkheid Gods in het aangezicht van Christus' (2 Cor. 4:6). Het ópgaan van de morgenster wijst op een toenemende kennis. Zij die op deze wijze verlicht zijn, denken nooit dat zij genoeg weten, maar zij groeien, zich aan de waarheid houdende, in liefde in elk opzicht naar Hem toe, die het hoofd is, Christus' (Ef. 4:15).

 

2 Petrus 1:20,21 


Dit moet gij vooral weten, dat geen profetie der Schrift een eigenmachtige uitlegging toelaat; want nooit is profetie voortgekomen uit de wil van een mens, maar, door de Heilige Geest gedreven, hebben mensen van Godswege gesproken.

Wanneer wij ons bezighouden met de profetieën der Schriften, moeten we er wel op letten ze niet buiten Jezus Christus of buiten het eeuwige voornemen en plan van God om, te verklaren. We dienen het Oude Testament daarom steeds te verstaan onder de verlichting van de Heilige Geest en het vergelijken methet evangelie van Christus en met de leer der apostelen. Daarom kunnen wij de profetieën nooit afzonderlijk interpreteren, maar behoren dit altijd in verband met de gemeente te doen.

Dit geldt ook voor de voorspellingen aangaande het volk Israël, want de profeten hebben van de voor ons (de gemeente) bestemde genade geprofeteerd (1 Petr. 1:10). De profetie geeft niet de wil en de gedachten van de men s door, maar de godsspraken zijn de eeuwige overwegingen van God, die door de Heilige Geest geopenbaard werden. Deze Geest dreef de profeten ertoe het voornemen van God aan de mens bekend te maken.

Profeteren is het overnemen van de gedachten Gods door bemiddeling van de Heilige Geest en het uitspreken ervan. Profeten zijn dus de mond van God, zoals er staat: 'Zie, ik leg mijn woorden in uw mond' (Jer. 1:9). De profetieën worden dus in Christus en in zijn gemeente waarvan Hij het hoofd is, ten vólle vervuld. Toen onze Heer op aarde rondreisde, werden de godsspraken die op Hem betrekking hadden uiteraard in de zichtbare wereld vervuld. Zo was er sprake van een geboorte in Bethlehem, van lijden en sterven en opstanding uit de doden.

Jezus sprak dat al deze profetieën aan Hem vervuld moesten worden. Toen de Heer na zijn hemelvaart Zich terugtrok in de onzienlijke, hemelse gewesten, en Hij hoofd van zijn lichaam, de gemeente, werd, worden sinds die tijd de profetieën in de geestelijke wereld vervuld. Wie deel wil hebben aan de beloften en toezeggingen, zal dus het woord van de apostel ter harte moeten nemen: 'Indien gij dan met Christus opgewekt zijt, zoekt de dingen, die boven zijn, waar Christus is, gezeten aan de rechterhand Gods. Bedenkt de dingen, die boven zijn, niet die op de aarde zijn. Want gij zijt gestorven en uw leven is verborgen met Christus in God' (Col. 3:1-3).

Wanneer wij dus bezig zijn met de oudtestamentische profetieën en wij deze verstaan willen, transponeren wij ze naar de hemelse gewesten waar Christus is. Wij 'vergeestelijken' ze, dit wil zeggen dat wij ze letterlijk nemen in de onzienlijke wereld, waar ons burgerschap en onze wandel zijn, waar God en de Zoon en de heilige engelen zich bevinden, waar onze strijd en overwinning liggen.

Om de profetieën te verklaren, hebben wij de sleutels van het Koninkrijk der hemelen nodig. Als wij 'in Christus' zijn, nemen wij in deze gewesten onze plaats in (Ef. 2:6). Vanuit deze sfeer dient de profetie tot onze bemoediging en opbouw, 'opdat wij in de weg der volharding en van de vertroosting der Schriften, de hoop zouden vasthouden' (Rom. 15:4).

 
vorige pagina terug volgende pagina