Stichting Uitgeverij Rhemaprint

Het Koninkrijk der Hemelen
Door J.E. van den Brink

 
vorige pagina volgende pagina

6- Het zuurdeeg


 

"Nog een gelijkenis sprak Hij tot hen: Het Koninkrijk der hemelen is gelijk aan een zuurdesem, welke een vrouw nam en in drie maten meel deed, totdat het geheel doorzuurd was" (Matth. 13 vers 33).

 

De betekenis 


De gelijkenis van het zuurdeeg sluit zich zowel in Mattheus 13:33 als in Lucas 13:20, 21 aan bij die van het mosterdzaadje. Het verbindingswoord "wederom" in Lucas duidt erop, dat Jezus in zijn toespraak dezelfde gedachtegang blijft volgen en beide gelijkenissen bij elkaar behoren. Ook deze parabel heeft evenals de voorgaande, betrekking op de lichtzijde van het Koninkrijk der hemelen, namelijk op het Koninkrijk Gods.

In beide beelden wordt de tegenstelling getekend tussen het kleine begin en de grootheid van het einde. Zoals het geringe mosterdzaadje tot een boom wordt, zo verandert de grote meelmassa door het zich uitbreidende gistingsproces vanuit het geringe zuurdeeg. Er is sprake van een innerlijke kracht en werking ten goede, die alles omzetten en doortrekken en waardoor het doel Gods met de mens, de volkomenheid, bereikt wordt.

Wij wijzen de mening van de hand dat het zuurdeeg in deze gelijkenis een ongunstige betekenis zou hebben en zou wijzen op een doorwerking ten kwade. Het gaat hier volgens Lucas duidelijk om de groei van het Koninkrijk Gods dat zich uitbreidt in het verborgene, in de onzienlijke wereld.

Wij zullen trachten aan te tonen dat hier niet aan een verderfelijk proces wordt gedacht, maar aan een positieve in- en doordringende werking van het evangelie van het rijk Gods.

 

Zuurdeeg 


Zuurdeeg of zuurdesem is een product dat ontstaat, wanneer een meeldeeg bij enigszins verhoogde temperatuur bewaard wordt en dan onder invloed van bacteriën tot gisting overgaat. Dit is een ontleding van koolhydraten, hier van zetmeel, in koolzuurgas en water. Bij het bakken maakt men van vers meel een deeg en daaraan voegt men het zuurdeeg toe. Het gistingsproces zet zich dan voort in het gehele deeg. Door het koolzuurgas dat ontstaat, gaat het deeg rijzen en wordt het luchtig. Door dit proces verzuurt het brood in sterkere mate dan wanneer men gebruik maakt van het ons bekende gist; dit was in de bijbelse landen onbekend.

Wij kennen het zuurdeeg nog wel in sommige streken van ons land, waar zuur roggebrood wordt gebakken. In het oosten gebruikte men zowel gezuurd als ongezuurd brood. Het gezuurde bleef langer goed dan het ongezuurde. De woestijnbewoners gebruikten geen zuurdeeg, want het werd in water bewaard en op reis voerde men geen pannetje met zuurdeeg mee.

Het was veel gemakkelijker het koren mee te voeren en daarom at men iedere dag "zijn dagelijks brood". De bedoeïnen goten een dun laagje gerstedeeg op een gloeiende plaat ijzer, als een pannenkoek, keerden deze om en bakten zo hun brood. Bij gebrek aan zon plaat gebruikten zij ook wel sterk verhitte stenen, waarop zij ronde, dunne broden bakten.

 

Het feest der ongezuurde broden 


De ronde broden die de Israëlieten met Pascha aten, moesten ongezuurd zijn. Het was "het feest der ongezuurde broden", zoals het Paasfeest in het Nieuwe Testament genoemd wordt. Op de dag voor dit feest was het voorgeschreven, alle zuurdeeg uit de huizen en zelfs uit het hele land Israël te verwijderen: "Gij zult daarbij geen gezuurd brood eten; zeven dagen zult gij daarbij ongezuurde broden eten, brood der verdrukking, want overhaast zijt gij uit het land Egypte getrokken; opdat gij al de dagen uws levens de dag van uw uittocht uit het land Egypte gedenkt. Er zal geen zuurdeeg bij u aangetroffen worden in uw gehele gebied, zeven dagen lang" (Deut. 16:3,4).

Bij de uittocht uit Egypte at het volk het specifieke brood van de woestijn, de "askoeken" der bedoeïenen. Het zuurdeeg stond in verband met het oude, met wat achterbleef en met wat voorbij was. Bij de overhaaste uittocht had men geen tijd om nog brood met het oude zuurdeeg te bakken. Egypte met zijn verdrukking en slavernij was voor het nieuw geboren volk alleen nog maar een herinnering en men herdacht deze verdrukking tijdens het Paasfeest, zoals op bevrijdingsdagen de jaren van overheersing in herinnering worden gebracht. Het achterlaten van het zuurdeeg wees dus op een radicale breuk met het slechte en donkere verleden. Het oude was voorbij en het nieuwe gekomen.

Veertig jaar lang at het volk Israël het manna in de woestijn. Het gebruik van zuurdeeg was al die jaren uitgesloten, doordat het manna niet bewaard kon worden. Bij de intocht in Kanaän vierde het volk het Paasfeest in de vlakte van de Jordaan. Het at toen voor het eerst van de opbrengst van het land ongezuurde broden en geroosterd koren (Joz. 5:10-12). Van het nieuwe deeg kon men uiteraard weer zuurdeeg bereiden, maar dit wekte geen enkele herinnering meer op aan het verleden.

 

Het feest der gezuurde broden 


Uit Deuteronomium 16:9 blijkt dat het feest van de ongezuurde broden samenviel met het slaan van de sikkel in het koren. In Leviticus 23:10 wordt meegedeeld dat men bij het Paasfeest de eerstelingsgarf van de nieuwe oogst bij de priester moest brengen. Deze bewoog de garf "daags na de (Paas)sabbat" voor het aangezicht des Heren, waardoor zij de Here aangeboden en Hem toegewijd werd. Daarna werden van dit nieuwe koren ongezuurde koeken gebakken.

Na zeven weken volgde Pinksteren. Dit was het feest van het einde van de korenoogst. De huisvader bracht dan uit zijn woonplaats geen garf als spijsoffer, maar twee gezuurde broden naar de tempel. Hierbij kwam dus tot uiting dat ook het woestijnleven voorgoed voorbij was. Het volk kon nu leven van de opbrengst van het goede land dat de Heer hun gegeven had. De gezuurde broden werden als beweegoffer voor het aangezicht des Heren gebracht: zij werden opgeheven en de Here gewijd (Lev. 23:17).

Wij wijzen erop dat het zuurdeeg dat in de pinksterbroden verwerkt was, nieuw was en geen verband hield met het oude zuurdeeg. Voor het Paasfeest was immers binnen alle landpalen van Israël het oude zuurdeeg opgeruimd en het ongezuurde paasbrood was van de nieuwe oogst. Het gezuurde brood na Pasen was dus uiteraard gebakken met zuurdeeg dat uit het meel van de nieuwe oogst bereid was. Dit zuurdeeg was dus geen beeld van het verouderde en het wekte geen herinneringen op aan slavernij en onderdrukking, maar het had te maken met een nieuwe tijd, met nieuwe gedachten, met de toekomst en niet met het verleden.

 

Oud zuurdeeg 


De geestelijke betekenis van het zuurdeeg dat voor het Paasfeest opgeruimd werd en van het zuurdeeg dat met Pinksteren gebruikt werd, is dus geheel verschillend. Bij het Paasfeest wordt er in ongunstige zin over gesproken en op het Pinksterfeest in een gunstige. Er is een oud zuurdeeg van de vorige oogst dat weggedaan moet worden en er is een nieuw zuurdeeg van de nieuwe oogst dat de pinksterbroden moest doortrekken!

Wij noemen nu enkele schriftplaatsen waarin het zuurdeeg verwerpelijk wordt voorgesteld. In Mattheus 16:6 sprak de Heer: "Ziet toe en wacht u voor de zuurdesem der Farizeeën en Sadduceeën". De discipelen begrepen dit verkeerd. Zij waren van mening, zoals nu ook nog vele christenen, dat men "moet lezen wat er staat" en dat men de uitspraken in de bijbel niet "vergeestelijken" mag. Zij meenden dat Jezus hen waarschuwde geen brood bij de Farizeeën te kopen of te lenen, zoals in het verhaal geschiedde door de man die midden in de nacht drie broden van zijn vriend wilde hebben. Ook ging het bij Jezus niet om gezuurde of ongezuurde broden. Hij verklaarde immers alle spijzen rein (Marc. 7:19).

Daarom herhaalde Jezus zijn uitspraak en voegde er aan toe, dat zij zich moesten hoeden voor de léér van de Farizeeën en Sadduceeën. Zij moesten inzien dat de tijd van het zichtbare voorbij was. De ceremoniën, de offeranden, het geven van tienden, het lange bidden, het vasten, het uiterlijke vertoon, de voorschriften en de instellingen der ouden, deze hele cultus had afgedaan. Jezus bracht geen nieuw ritueel en geen nieuwe voorschriften, die als nieuwe lasten op de schouders van zijn volgelingen zouden rusten. Het Koninkrijk Gods waarover Hij leerde, begint met de inwendige mens en ontwikkelt zich in de onzienlijke wereld.

Ook in Lucas 12:1 waarschuwt Jezus voor deze zuurdesem en wijst er nadrukkelijk op, dat de liefde tot plechtigheid en ernst, tot het zichtbare, altijd uitloopt op huichelarij. Ook in onze tijd vinden wij deze alles doortrekkende zuurdesem terug, wanneer de orthodoxie of de vrijzinnigheid de gemeenschap met God gaat verbinden met uitwendigheden en vormen: met kleding, met gewijde taal, met langzaam zingen, met liturgie, met gebouwen, met organisaties, met geld, met natuurlijke kennis, met cultuur, met politiek en met activiteiten in de zichtbare wereld.

Deze vormen de verhindering om het onzichtbare Koninkrijk Gods in te gaan. In 1 Corinthiërs 5:6-8 lezen wij: "Weet gij niet dat een weinig zuurdeeg het gehele deeg zuur maakt? Doet het oude zuurdeeg weg, opdat gij een vers deeg moogt zijn; gij zijt immers ongezuurd. Want ook ons paaslam is geslacht: Christus. Laten wij derhalve feest vieren, niet met oud zuurdeeg, noch met zuurdeeg van slechtheid en boosheid, maar met het ongezuurde brood van reinheid en waarheid".

Met de oude zuurdesem bedoelt de apostel allereerst de invloed van het judaïsme, het teruggrijpen van de christenheid naar de dingen van het oude verbond, naar Joodse inzettingen zoals besnijdenis, het vieren van allerlei sabbatten, het onderscheiden van reine en onreine spijzen, en voor onze tijd het vieren van de zondag als oudtestamentische sabbat en het vasthouden aan het natuurlijke Israël als het uitverkoren volk, voor wie de beloften zouden zijn.

In het algemeen dus: het zich stellen onder de slavernij van de wet, hetgeen terugkeer betekent naar het geestelijke Egypte, naar het diensthuis van de zonde, waar men moet uitroepen: "Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen?" Paulus noemde allen die deze oude zuurdesem in de gemeente brachten: "schijnapostelen en bedrieglijke arbeiders, die zich voordeden als apostelen van Christus" (2 Cor. 11:13-15).

De andere verkeerde zuurdesem is die van "slechtheid en boosheid", dus de doorwerking van het oude, zondige leven. Daarom schreef de apostel in verband met de ergerlijke toestanden in Corinthe: "Of weet gij niet, dat onrechtvaardigen het Koninkrijk Gods niet beërven zullen? Dwaalt niet! "

Men moet geheel breken met het oude leven en de oude mens afleggen. Wanneer men slechts een weinig van dit vorige leven vasthoudt (een weinig oude zuurdesem), zal dit op den duur de gehele mens onrein maken.

Paulus bepaalt de gelovigen dan bij twee waarheden van het nieuwe verbond: "Gij zijt immers ongezuurd" en hier oorzakelijk mee verbonden: "Ons paaslam is geslacht: Christus". Het laatste restant van de oude zuurdesem, namelijk de schuld, werd door Jezus Christus weggedaan. Daarna begon een nieuw tijdperk. Toen Jezus het Pascha gegeten had, nam Hij een brood en sprak: "Neemt, eet, dit is mijn lichaam". Ook gaf Hij zijn discipelen de beker, onder de woorden: "Deze beker is het nieuwe verbond in mijn bloed, die voor u uitgegoten wordt".

Door zijn lijden en sterven werd de schuld verzoend en was het contact met het oude verbond verbroken. Het voorhangsel in de tempel scheurde, en de weg naar het hemelse heiligdom werd geopend. De gelovigen van het nieuwe verbond waren "ongezuurd". Zij waren dus rechtvaardigen die gezuiverd waren van de zondeschuld en die gebroken hadden met het oude verbond en met het oude leven. Met deze rechtvaardigen, met dit ongezuurde deeg, zou God zijn doel kunnen bereiken, namelijk om "volmaakte" mensen te krijgen.

 

Een nieuw zuurdeeg 


Tijdens zijn leven op aarde was het Koninkrijk der hemelen het hoofdthema van de prediking van Jezus: "En Hij trok rond in geheel Galiléa en leerde in hun synagogen en verkondigde het evangelie van het Koninkrijk" (Matth. 4:23).

Terwijl de Heer zijn discipelen waarschuwde voor de leer van Farizeeën en Sadduceeën, bracht Hij ook zelf een leer, waarvan gezegd werd: "Een nieuwe leer met gezag!" (Marc. 1:27). Door gelijkenissen en illustraties uit het natuurlijke leven trachtte Jezus zijn volgelingen en de scharen een inzicht te geven in de realiteit van de onzienlijke wereld en door zijn voorbeelden toonde Hij, hoe men daar moet leven, wandelen, en strijden tegen de boze machten. Dikwijls moest Hij hen evenwel vermanen en zeggen: "Hoe lang zal Ik nog bij u zijn en u verdragen?"

Menigmaal moest gezegd worden, dat zijn discipelen niet verstonden waarover Hij sprak. Bij het laatste avondmaal sprak de Heer: "En waar Ik heenga, daarheen weet gij de weg". Ogenblikkelijk luidt dan de vraag van Thomas: "Here, wij weten niet, waar Gij heengaat; hoe weten wij dan de weg?" Zelfs na zijn opstanding uit de doden konden de Emmaüsgangers en de discipelen nog niet geloven, dat Jezus zijn overwinningen in de geestelijke wereld behaald had.

Zij hadden weinig of geen inzicht en leefden nog bij de dingen die zij in de natuurlijke wereld zagen. Toen Jezus gestorven was, zaten zij dan ook volkomen in de put en waren een prooi van allerlei twijfels. De oorzaak van deze situatie was hun gemis aan begrip in de traagheid van hun denken in verband met het Koninkrijk Gods.

Dit geestelijke onverstand was te wijten aan de oude zuurdesem, waarmee ze nog doortrokken waren. Hetzelfde ziet men ook in onze tijd. Het evangelie van het Koninkrijk der hemelen is ook nu voor vele christenen ongrijpbaar en de prediking erover een dwaasheid of een bron van ergernis. Ook thans zijn de geestelijke oren en ogen bij velen toegesloten en kan men de woorden Gods niet verstaan, doordat men ze niet kan transponeren in het Koninkrijk der hemelen.

Merk evenwel op wat na de opstanding gebeurt. Eerst maakte de Heer zijn discipelen duidelijk het waarom en het waartoe van zijn lijden. Daarna predikte Hij veertig dagen lang aan zijn volgelingen het Koninkrijk Gods. Hij sprak dus over hetzelfde onderwerp als tijdens zijn leven op aarde (Hand. 1:3). Toen werden zij doortrokken met de nieuwe zuurdesem. Zij zagen nu dat de geestelijke wereld zeer concreet is. Zij aanschouwden haar in Jezus zelf door zijn hemelse verschijning. Ook hiervan kon Johannes later getuigen: "Hetgeen wij gezien hebben met onze eigen ogen, hetgeen wij aanschouwd hebben en onze handen getast hebben van het Woord des levens" (1 Joh. 1:1).

Na het Paasfeest vormde de kleine schare mannen en vrouwen de eerstelingsgarf van de nieuwe oogst. Zij waren gerechtvaardigd en afgescheiden van het rijk der duisternis. Zij sloten zich nauw aaneen als een gemeente, een eenheid die uitgebeeld kon worden als "een vers deeg". In dit deeg bracht Jezus zelf de nieuwe zuurdesem. Hij hervormde de gedachten van hen die als nieuw geboren kinderkens overgezet waren in het Koninkrijk Gods.

 

Het Pinksterfeest 


Reeds onmiddellijk na de hemelvaart van Jezus bleek dat de discipelen met de zuurdesem van het Koninkrijk Gods doortrokken waren. Zij hadden nu duidelijke inzichten, en hoewel hun Heer nu van hen heengegaan was, waren zij "voortdurend in de tempel, lovende God" (Luc. 24:53).

Geen wonder dat de honderd twintig mannen en vrouwen op de Pinksterdag "eendrachtiglijk bijeen" waren. De vernieuwing van hun denken had tussen hen iedere geestelijke scheiding opgeheven. Tussen Pasen en Pinksteren lagen zeven weken en daarom wordt Pinksteren "het feest der weken" genoemd, een aanduiding voor ons, dat er tijd nodig is om "geheel anders" te worden, misschien wel jaren!

Op het Pinksterfeest waren de discipelen te vergelijken met het nieuw gezuurde brood dat als beweegoffer aan de Here opgedragen werd. God zag dit offer aan en zijn Geest ging Zich met de geest van deze vernieuwde mannen en vrouwen verbinden. Zijn kracht kwam over hen. Let op de volgorde: vernieuwing van denken of wedergeboorte door het woord en dan de doop in de Heilige Geest.

Voordat de discipelen op hun beurt het evangelie van het Koninkrijk zouden gaan verkondigen, lezen wij: "En terwijl Hij met hen aanzat (en hen dus onderwees), gebood Hij hun Jeruzalem niet te verlaten, maar te blijven wachten op de belofte van de Vader" (Hand 1:4).

Voor wie waarlijk "Pinksteren" beleven wil, geldt nu ook nog de voorwaarde: "Bekeert u... en laat u behouden uit dit verkeerde geslacht", dat geen notie heeft van het Koninkrijk der hemelen, hoewel het misschien evenals de Joden te Jeruzalem als "godvruchtig" bekend staat. Ook nu zien wij dat velen uit kerken en kringen met Gods Geest gedoopt worden. Tegelijkertijd merken wij op dat zij de denksystemen van hun gemeenschappen niet loslaten. Hun gedachten worden niet vernieuwd, maar zij blijven: rooms-katholiek, hervormd, baptist, gereformeerd, luthers of evangelisch, maar met een zogenaamde "pinksterafwijking".

Zij zijn allerminst doortrokken met de nieuwe zuurdesem van het Koninkrijk der hemelen. Wij zijn evenwel niet ontmoedigd door de situatie rondom ons. Op het Pinksterfeest werden twee gezuurde broden gebracht om de Here te worden gewijd. Wanneer het eerste brood de eerste christengemeente uitbeeldt, dan betekent dit tweede brood de gemeente van de eindtijd die zich opnieuw overgezet weet in de hemelse gewesten in het Koninkrijk van Jezus Christus.

Reeds is de zuurdesem, het evangelie van het Koninkrijk, als een klein begin verborgen in het deeg van het tweede brood, maar het zal zich ook verder uitbreiden, want dit gehele deeg moet doorzuurd worden. De zonen Gods zullen zich als ware geestelijke mensen openbaren. Zij zijn de predikers van "het eeuwig evangelie" van het Koninkrijk der hemelen, waardoor zij zelf vernieuwd zijn. Wij gaan daarom niet af op hetgeen om ons heen plaatsgrijpt, zien zelfs niet uit naar wat eenmaal geweest is, naar "de dagen van ouds", maar richten onze aandacht geheel op de toekomst.

De Heer is bezig zijn gemeente toe te bereiden als een tweede Pinksterbrood, om het straks als een beweegoffer de Vader voor te stellen, een toegeruste gemeente, "stralend, zonder vlek of rimpel of iets dergelijks".

 

De gelijkenis 


Wij hebben duidelijk gemaakt wat de oude, verwerpelijke zuurdesem is, waarvoor wij ons moeten hoeden, en wat de nieuwe zuurdesem betekent, waarmee wij doortrokken moeten zijn. Wij keren nu weer terug naar de gelijkenis, waarmee wij begonnen. Jezus vergeleek het Koninkrijk Gods met een zuurdeeg, dat een vrouw in drie maten meel mengde totdat dit geheel gezuurd was.

De Heer nam een heel eenvoudig beeld uit het alledaagse leven van een gezin. Hij bedoelde niet de betekenis uiteen te zetten van feesten uit de oude bedéling zoals wij dit deden ten einde enkele dwalingen te weerleggen, maar Hij sprak alleen over de doorwerking van het evangelie van het Koninkrijk Gods. Hij wees op het kleine begin en het grootse einde.

Het zuurdeeg dat wordt gebruikt, is slechts een kleine hoeveelheid in vergelijking tot de drie maten meel, die ongeveer gelijk staan met twee en veertig liter, wel twee emmers vol, het voedsel voor een grote familie. Zoals de Zoon des mensen in een vorige gelijkenis de zaaier is, zo zien wij Hem hier in het beeld van een huisvrouw die het zuurdeeg in het meel verbergt.

De zuurdesem is beeld van het woord Gods, de leer van het Koninkrijk der hemelen. Ook hiervan kan gezegd worden: "Het zal doen wat Mij behaagt en dat volbrengen, waartoe Ik het zend" (Jes 55:11). Het waren zijn discipelen die in de aanvang doortrokken werden met de leer aangaande het rijk Gods. Aan hen werden de geheimenissen van het Koninkrijk der hemelen het eerst geopenbaard (vers 11). Toen zij deze in zich opgenomen hadden, vormden zij zelf weer een hoeveelheid zuurdesem, waarmee verder gewerkt kon worden, uitgaande van Jeruzalem en in geheel Samaria en tot het uiterste der aarde (Hand. 1:8).

Deze verschuiving van betekenis in het beeld vinden wij ook in de gelijkenis van het onkruid tussen de tarwe. Eerst wordt het goede graan als het evangelie van het Koninkrijk voorgesteld en later lezen wij dat het goede zaad de zonen van het Koninkrijk zijn.

Wanneer een christen geheel doortrokken is met de gedachten Gods en gedoopt is met de Heilige Geest, wordt hij als een zuurdesem gebruikt om ook anderen met deze nieuwe gedachtewereld te doordringen. Op die wijze wordt dan de gehele meelmassa gezuurd. De gehele geredde mensheid zal uiteindelijk het doel Gods, dat is de volkomenheid, bereiken.

 
vorige pagina terug volgende pagina