Stichting Uitgeverij Rhemaprint

Het Koninkrijk der Hemelen
Door J.E. van den Brink

 
vorige pagina volgende pagina

4- Het onkruid in de akker


 

Tarwe en onkruid 


"Nog een gelijkenis hield Hij hun voor en Hij zei: Het Koninkrijk der hemelen komt overeen met iemand, die goed zaad gezaaid had in zijn akker. Doch terwijl de mensen sliepen, kwam zijn vijand en zaaide er onkruid overheen, midden tussen het koren, en ging weg. Toen het graan opkwam en vrucht zette, toen kwam ook het onkruid te voorschijn" (Matth. 13 vers 24-26).

"Toen liet Hij de scharen gaan en ging naar zijn huis. En zijn discipelen kwamen bij Hem en zeiden: Maak ons de gelijkenis van het onkruid in de akker duidelijk. Hij antwoordde en zei: Die het goede zaad zaait, is de Zoon des mensen: de akker is de wereld; het goede zaad, dat zijn de kinderen van het Koninkrijk; het onkruid zijn de kinderen van de boze; de vijand, die het gezaaid heeft, is de duivel
" (Matth. 13 vers 36-39a).

Opnieuw staan wij in onze gedachten bij de luisteraars aan de zee. In een tweede gelijkenis schildert de Heer een welvarende landman, die een goede akker bezit. Hij bezaaide deze met zuiver zaaikoren van de beste tarwe die hij uit de vorige oogst geselecteerd had. Hij lette goed op of zich ook onkruid tussen het zaaisel bevond, maar het waren alle mooie en zuivere korrels.

Hij zaaide goed en kiemkrachtig zaad in zijn akker. De zon verwarmde de aarde en de vruchtbare, vroege regen deed het gewas snel ontspruiten. De akkerman was tevreden, want zijn veld vormde alras een groen tapijt. Ook de slaven die hem terzijde stonden, verheugden zich op een goede oogst. Zo groeide het koren op, en hier en daar schoot het in zijn aren. Een der knechts bemerkte evenwel iets dat hem niet beviel. Hij riep enkele mededienstknechten en dezen zagen met verbazing en schrik dat er volop onkruid tussen de tarwe groeide. Nu is onkruid alles dat groeit waar het niet groeien mag.

Hier wordt de dolik of de dolle tarwe bedoelt, een grassoort die nauw verwant is aan het "Engelse raaigras". Zij lijkt buitengewoon veel op de tarwe, wordt 60-90 cm hoog, heeft scherpe, grasachtige bladeren die iets smaller zijn dan die van de tarwe en blauwgroen van kleur. Zolang de bebladerde halmen te zien zijn, is de overeenkomst met de tarwe groot. Wanneer evenwel de aren te voorschijn komen, is verwisseling uitgesloten. "Te voorschijn komen" betekent: als onkruid kenbaar worden; de Statenvertaling luidt: "Toen openbaarde zich ook het onkruid". De aren van de tarwe blijven dicht aaneengesloten, maar die van de dolik schieten in sprieten op. Deze plant is een van de weinige grassoorten die vergiftig zijn. Wanneer het zaad ervan tussen het koren komt en men er brood van bakt veroorzaakt het hoofdpijn en duizelingen.

Wanneer de hoorders naar hun woonsteden zijn teruggekeerd en Jezus in zijn huis temidden van zijn vriendenkring vertoeft, vragen dezen om hun de gelijkenis van het onkruid in de akker uit te leggen. De parabel bevatte zo'n grote verscheidenheid van gegevens, dat zij niet in staat waren zich een juiste voorstelling ervan in het Koninkrijk der hemelen te vormen. Zij moesten erkennen dat zij hier een wereld werden binnengeleid, waarvan zij de samenhang en de onderlinge verhoudingen nog niet kenden. Alleen de Meester wist hoe het daar toegaat en wat met ieder onderdeel van de gelijkenis was bedoeld. Geïnteresseerd gaan ze om Hem heen zitten, ten einde zijn verklaring te vergelijken met hun primitieve en onduidelijke inzichten.

Opnieuw zet Jezus dan zijn volgelingen de mysteries van het Koninkrijk der hemelen uiteen: het zaad stelt iets geestelijks voor; het is de drager van gedachten die door de geest geproduceerd zijn en door middel van woorden en zinnen worden overgedragen van de ene geest naar de andere.

 

Het goede zaad 


De Zoon des mensen zaait "goed zaad" uit, want Hij is de verkondiger van de gedachten die uit Gods Geest geboren zijn. De woorden die Jezus uitspreekt, behoren tot het wezen van God. Zij waren als gedachten bij God en zij zijn God (Joh. 1:1). In Jezus waren die gedachten zo geïncorporeerd, dat gezegd kon worden: "Het Woord of het zaad Gods is vlees geworden" (Joh. 1:14 en 1 Joh. 3:9). Aan Jezus kon men zien en horen wie God was. De Hebreeënschrijver noemt Hem "de afstraling" of de weerkaatsing van de heerlijkheid Gods. Zoals de maan het licht van de zon reflecteert en de nacht op aarde verlicht, zo weerkaatst Jezus de heerlijkheid van God en doorbrak Hij door zijn prediking het duister op aarde: "Om hen te beschijnen die gezeten zijn in duisternis en schaduw des doods" (Luc. 1:79).

Wanneer mensen ruzie hebben, kunnen zij door de woorden van een leider weer tot elkaar gebracht worden. Zo bewerkt ook het goddelijke woord het herstel van de verstoorde schepping. De woorden van de Heer waren "goede" woorden, "goed zaad", want zij waren vol kracht en leven. Zij brengen het licht voor de mensen. Zij dragen de ganse schepping, zodat deze weer harmonieus bij elkaar gevoegd wordt, zoals er staat: "Die alle dingen draagt door het woord zijner kracht" (Hebr. 1.3).

In zijn denken, spreken en handelen openbaarde de Heer wie de Vader is. Hij toonde diens liefde, wijsheid, genade en diens reddingsplan, want aan het einde van zijn aardse loopbaan sprak Jezus: "Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien"(Joh. 14:9). In Christus sprak God de woorden: herstel en vernieuw, en Hij gaf aan zijn Zoon "macht over alle vlees" om zijn gedachten met de mens te volvoeren (Joh. 17:2).

Geen mens is te slecht, te gebonden, te ziek, of het evangelie van Jezus Christus heeft een oplossing. Zijn woorden waren immers: "Zalig zijn de armen van geest, want hunner is het Koninkrijk der hemelen" en "Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen, maar zondaars" (Matth. 5:3 en 9:13). Daarom ging Hij rond weldoende, genezende, herstellende en het eeuwige leven schenkende. En Hij is dezelfde, gisteren en heden! In de verklaring van de gelijkenis zegt de Heer: "Het goede zaad zijn de kinderen (letterlijk: zonen) van het rijk Gods". Het zaad brengt zonen voort, die beantwoorden aan het plan van God. Ook in hen wordt het woord vlees. Door deze zonen die zijn wil volbrengen, gaat God verder om de wereld te redden, "Want met reikhalzend verlangen wacht de schepping op het openbaar worden van de zonen Gods" (Rom. 8:19).

Zij realiseren de wil van God en brengen de schepping tot haar volheid. Paulus schreef: "Mijn kinderen, ter wille van wie ik opnieuw weeën doorsta, totdat Christus in u gestalte verkregen heeft" (Gal. 4:19). Is dus in eerste instantie het zaad het woord, later worden zij die het beeld van de Zoon gelijkvormig worden, zelf zaad genoemd. Het woord wordt vlees in allen die het aannemen en het in volharding vasthouden. Aangaande dit zaaien sprak de Heer tot de Vader: "Want de woorden die Gij Mij gegeven hebt, heb Ik hun gegeven" en Hij vermaande zijn discipelen dat zij in zijn woorden zouden blijven, want het gezaaide woord doet wat God behaagt en volbrengt datgene waartoe Hij het zendt (Jes. 55:11).

Wanneer gezegd wordt dat God de wasdom aan het gezaaide geeft, wijst dit niet op een geheimzinnig ingrijpen; het zaad is immers goed en het bezit geest en leven. In de kiemkracht ligt de wasdom besloten. Het gezaaide draagt niet onmiddellijk vrucht. Ook daarin is de natuur de leermeesteres. Eerst komt de halm, dan de aar en dan het volle koren in de aar. Er is dus door het woord een geleidelijke verandering in de mens, maar tenslotte wordt in hem het doel, de volle vrucht, bereikt.

Het woord van God veroorzaakt een verandering van denken, een wedergeboorte of innerlijke vernieuwing die naar buiten, in de zichtbare wereld, uittreedt door een geestelijke levenswandel: door de liefde Gods, door vriendelijkheid, door barmhartigheid en door vrede, gerechtigheid en blijdschap. Van dit goede woord zegt de apostel: "Het woord is betrouwbaar" (2 Tim 2:11). Jezus heeft het eerst verkondigd en daarna is het door hen die het gehoord hebben ons op betrouwbare wijze overgeleverd (Hebr. 2:3).

Opgemerkt wordt dat het zaad op de akker der wereld uitgestrooid wordt. Jezus kocht immers de gehele mensheid met zijn leven. Daarom is er sprake van "zijn akker", en zijn medearbeiders hebben de opdracht de woorden Gods aan alle mensensoorten en rassen te verkondigen. Wanneer het evangelie van het Koninkrijk over de gehele wereld verkondigd is, komt het einde, dit wil zeggen dat dan de volle vrucht geoogst kan worden (Matth. 24:14).

 

Het kwade zaad 


Zo gaat Christus in zijn knechten door de eeuwen heen onzichtbaar verder om met vaste hand het goede zaad uit te strooien. Zij zijn het die in zijn naam van de waarheid getuigen. Hij wordt echter op de voet gevolgd door vele tegenstanders, de antichristen (1 Joh. 2:18). Dezen worden geïnspireerd door de boze, de duivel, die met verbetenheid op de wereldakker het zaad van dwaling en leugen om zich werpt. Merk op dat de Heer hier geen heidense wereldgodsdiensten bedoelt, maar valse leringen die te midden van de kinderen Gods gepredikt worden: terwijl de mensen sliepen, kwam de vijand onkruid zaaien tussen de tarwe.

Duidelijk wordt hier verband gelegd tussen dwalingen in de christelijke kerk en de boze geesten. Hier is er geen sprake van dat de leugen geërfd zou worden, of dat hij wezenlijk tot de mens behoort, maar hij wordt door de vader der leugen erin gebracht. Johannes waarschuwde: "Geliefden, vertrouwt niet iedere geest, maar beproeft de geesten, of zij uit God zijn, want vele valse profeten zijn in de wereld uitgegaan" (1 Joh. 4:1). Wanneer zon "valse profeet" aan de deur staat, wordt hij in de onzienlijke wereld vergezeld door de geest der dwaling. Wanneer daarom eenmaal de geest van de antichrist, het beest uit de afgrond, "gegrepen" is, wordt ook de antichrist, waarin hij huist, gegrepen en beiden worden in de poel des vuurs geworpen.

In deze gelijkenis gaat het niet over een kwade grond, maar over kwaad zaad. Terwijl de kinderen Gods niet waakzaam zijn en hun geestelijke oren en ogen gesloten, komen de verkeerde gedachten binnen. Zij hebben er evenwel geen erg in dat deze door boze geesten geïnspireerd worden. Zij controleren in hun hart het gezaaide niet en vergelijken het niet met hetgeen de Heer gezegd en geleerd heeft. Zij hebben hun zinnen niet geoefend in het onderscheiden van goed en kwaad.

In het oude verbond was het in de natuurlijke wereld reeds verboden tweeërlei zaad op de akker te strooien (Lev 19:19). Dit is een duidelijk beeld: er mogen geen afwijkende meningen toegelaten worden. Ieder zaad heeft immers zijn eigen geaardheid, zijn eigen principe of grondbeginsel. Het zaad van het ware evangelie bezit de kracht en het leven om de mens zover te brengen dat hij rijke vrucht draagt. Dit is de volmaaktheid waarnaar God als landman uitziet.

Iedere leer die van dit doel afwijkt, is geïnspireerd door de boze, want deze brengt alleen het principe van de wetteloosheid en geeft misvormde mensen. De gezonde leer is een prediking die de mens herstelt, vervult met de Heilige Geest en tot de volkomenheid voert.

Ook de dwaling kent een ontwikkelingsproces. Zij doet de mens die niet in de waarheid staande blijft, opwassen tot de wetteloosheid en het verderf. Jezus spreekt over "de kinderen (zonen) van de boze". In 1 Timotheüs 5:24 staat: "Van sommige mensen zijn de zonden zo duidelijk dat zij voor hen uitgaan naar het gericht, bij anderen komen zij achteraan". Er is kwaad dat gemakkelijk aanwijsbaar is, zoals moord, dronkenschap, onreinheid, maar de dwalingen worden meestal gepredikt door keurige, nette mensen, die evenwel door vrome, religieuze geesten geleid worden. Deze personen zijn dikwijls serieus en ernstig, maar zij zijn verleugend, want zij brengen geen evangelie van het Koninkrijk der hemelen, of zij loochenen de realisatie van het doel van God met de mens. Zij kunnen deze niet onberispelijk, zonder vlek of rimpel, indenken.

De waarheid en de valse leer komen bij hun ontwikkeling overeen met de benen van de letter V: in de aanvang liggen zij dikwijls dicht bij elkaar; men merkt ternauwernood dat een broeder een afwijkende en onschriftuurlijke leer aanhangt of predikt. Men kan in het begin met hem optrekken, maar op den duur groeit men uiteen, zoals de benen van de letter V zich van elkaar verwijderen en elkaar nimmermeer ontmoeten. Zo wordt vervuld: "Ik zal vijandschap zetten tussen uw zaad en haar zaad", tussen het zaad van de boze (de leugen) en het zaad van de vrouw, Jezus Christus (de waarheid).

Sommige christenen leren dat een kind van God niet door een boze geest gebonden kan zijn. Zij zeggen: "Waar de Heilige Geest zit, kan de boze zich niet ophouden". Maar de inwoning van de Heilige Geest kunnen wij niet vergelijken met een vaste stof en dan redeneren: waar een stoel staat, kan zich geen tafel bevinden. Het beeld van een gas zou meer aanvaardbaar zijn, want in een vertrek met zuivere lucht, kan toch wel een giftig gas binnenkomen. Paulus constateerde dat de Corinthiërs een andere geest bezaten, die zij niet bij hun doop in de Geest verkregen hadden (2 Cor. 11:4).

Het ware christendom schept scherpe tegenstellingen. Wanneer men daarom de dwaling radicaal van de hand wijst, zal men ongetwijfeld van hoogmoed beticht worden. De tegenpartij duldt eenvoudig geen zekerheid van het geloof. Zij zal zeggen: "Hoe kun je nu weten dat je een kind van God bent?", of: "Je denkt zeker dat je het alleen weet!"

De waarheid is evenwel eenvoudig en niet zus of zo. Zij is de weg die door de hemelse gewesten naar het doel van de volkomenheid voert. Daarbij wijst de Heilige Geest de weg tot de volle waarheid (Joh. 16:13). Ook vindt de boze het kind van God hoogmoedig, wanneer dit zegt: "Ik ben een rechtvaardige en ik strek mij uit naar de volmaaktheid", of "God gedenkt mijn zonden niet meer". Hij kan zich hiervan eenvoudig geen voorstelling maken, doordat zijn zonden nimmer vergeven worden en voor hem de weg naar de troon gesloten blijft.

Ook zal hij degene die zich van de dwaling distantieert, beschuldigen van liefdeloosheid, want hij wil dat deze ook hem gehoor geeft en ook hem laat meespreken.

Wie zegt: "Niet de leer, maar de Heer", begrijpt niets van het werk van de grote zaaier, die het evangelie der waarheid of dat van het Koninkrijk der hemelen, verkondigde. Wat Jezus en zijn apostelen leerden, was waar. Daarom vermaant Paulus zijn leerling: "Blijf gij echter bij wat u geleerd en toevertrouwd is, wel bewust van wie gij het geleerd hebt" (2 Tim 3:14).

 

De vijandige zaaier 


"Daarna kwamen de slaven van de eigenaar en zeiden tot hem: Heer, hebt gij niet goed zaad in uw akker gezaaid? Hoe komt hij dan aan onkruid? Hij zei tot hen: Dat heeft een vijandig mens gedaan. De slaven zeiden tot hem: Wilt gij dan, dat wij het bijeenhalen? Hij zei: Neen, want bij het bijeenhalen van het onkruid zoudt gij tevens het koren kunnen uittrekken. Laat beide samen opgroeien tot de oogst" (vers 27-30a).

Men kan begrijpen hoe de slaven schrikken, wanneer zij dit gevaarlijke onkruid overal de toppen zien opsteken: over het gehele veld groeide het tussen de tarwe. De gedachte van de knechts is, dat dit nooit vanzelf kon komen. Daarvoor was de akker te zuiver en de meester te consciëntieus. Zij gaan naar de eigenaar en vragen: "Heer, hebt gij niet goed zaad op uw akker gezaaid, waar komt dan dit onkruid vandaan?" Zij tonen hem daarbij de stengels die ze hier en daar geplukt hebben.

Het antwoord luidt: "Het zaad was goed en van de beste tarwesoort, maar dit heeft een vijandig mens gedaan". De landman had een felle tegenstander en hij wist dit. Een boos man was afgunstig op zijn bezit en op zijn voorspoed. Toen de arbeiders sliepen, was hij bij helder maanlicht ook over de akker gegaan en had met volle hand zijn zaad, de dolik, eroverheen gestrooid. Toen hij dit gedaan had, sloop hij weg, met leedvermaak en helse vreugde in het hart. Zover kan de haat de mens voeren, dat deze met opzet het bezit van zijn medemens beschadigt of vernielt, of de akker van zijn rivaal met een lastig uit te roeien onkruid bezaait.

 

Een blik in de kerkgeschiedenis 


Wanneer onze Heer zijn evangelie over deze wereld prediken laat, is Hij als een mens die goed zaad in de aarde werpt, waaruit een goede plant te voorschijn komt. De eerste christenen waren navolgers van Jezus. Zij spraken zoals Hij, handelden zoals Hij en droegen de smaadheid van het evangelie zoals Hij. Heel het leven en de leer van Jezus Christus beogen toch de nieuwe mens, die naar het beeld Gods geschapen is tot ware gerechtigheid en heiligheid en geschikt tot alle goed werk. Daarom verkondigden zij het evangelie van redding en verlossing, genazen de zieken en dreven duivelen uit. Zo maakten zij het Koninkrijk Gods tot een heerlijke realiteit op aarde.

Een Grieks geleerde in het midden van de tweede eeuw moest dit ook erkennen. Deze schildert het leven der eerste christenen aldus: "Zij begaan geen echtbreuk en leggen geen vals getuigenis af; zij eigenen zich geen hun toevertrouwde goederen toe en zoeken niets te verkrijgen, wat hun niet toebehoort. Zij eren hun ouders en doen goed aan hen die hun nastaan, en ze oordelen rechtvaardig. Zij nemen hun onderdrukkers voor zich in en maken hen tot vrienden, en hun vijanden doen ze goed. Hun vrouwen zijn rein, o keizer, als jonkvrouwen, en hun dochters zijn zacht en hun mannen onthouden zich van alle onreinheid op grond van de hoop op de komende vergelding die in de andere wereld geschieden zal.

Op grond van de liefde die zij hebben voor de slaven en de slavinnen en de kinderen van dezen, die sommigen bezitten, onderwijzen zij dezen, opdat zij ook christenen worden. Wanneer dezen christenen geworden zijn, noemen zij hen broeders, zonder enig verschil te maken. Zij aanbidden de vreemde goden niet, maar wandelen in alle ootmoed en goedheid, en leugen wordt bij hen niet gevonden.

Zij hebben elkaar lief; de weduwen vergeten zij niet en zij bevrijden de wezen van degenen die hun kwaad doen. Wanneer zij horen dat een van hen gevangen is, of onderdrukt wordt ter wille van de naam van hun Messias, maken zij allen zijn zaak tot de hunne en indien het mogelijk is hem te bevrijden, dan bevrijden zij hem. Als er een onder hen is, die gebrek lijdt en arm is en zij zijn niet welgesteld, dan vasten zij twee of drie dagen, opdat zij de armen iets te eten kunnen geven.Iedere morgen en op alle ogenblikken denken zij aan Gods weldaden hun bewezen, loven en prijzen zij Hem en danken Hem voor eten en drinken".

Het zaad dat Jezus Christus in de wereld gestrooid had, was goed zaad. Het was hemels zaad, doordat de kracht van het Koninkrijk Gods zich erin bevond. De heidenen wisten dat het christendom het hele bestaande staatkundige en burgerlijke leven grondig ging veranderen.

De volgelingen van Jezus vormden in die dagen een bewuste en onbuigzame oppositie tegen de macht van satan in zonde, ziekte en gebondenheid. Daarom waren zij onder de heidense godsdiensten een aparte groep. Een religie meer of minder deed er niet toe in het grote Romeinse rijk, maar deze kinderen des Koninkrijks vormden de goede akker van de hemelse Landman in het grote imperium. Zij waren de planting van de Zoon des mensen.

Bovenstaande beschrijving van de eerste christenen is wel aanlokkelijk, indien wij haar bezien tegen de achtergrond van onze afvallige tijd, maar toch is zij voor ons geen doel waarnaar wij ons uitstrekken. Wij hebben evenwel het oog gericht op de volkomenheid in de zienlijke en in de onzienlijke wereld, op een toekomst waarin de zonen Gods, die het beeld van Jezus Christus gelijkvormig zullen zijn, geopenbaard worden. De gemeente in de eindtijd zal niet alleen in het natuurlijke leven tot voorbeeld strekken, waar zij zal bovenal geschikt zijn om de laatste fase van de strijd in de hemelse gewesten te winnen, namelijk de slag van Harmagedon.

Het groenende veld, waarop de pas ontsproten halmen begonnen te groeien, bood een kostelijke aanblik, maar "de landman wacht op de kostelijke vrucht van de akker" (Jac. 5:7 Canisiusvert.).

Maar bij het opkomen van het koren heeft de vijand evenwel zijn slag al geslagen. Het beginsel van het geheim der wetteloosheid was in de dagen van Paulus reeds in werking (2 Thess. 2:7) en Johannes deelt mede, dat in zijn tijd vele antichristen waren opgestaan (1 Joh. 2:18).

Dezen begonnen toen ook te "groeien". De kerkgeschiedenis toont aan dat reeds vanaf het begin de visie op de onzienlijke wereld verdween. Zo wordt de gemeente van Efeze reeds gewaarschuwd: "Gedenk dan van welke hoogte gij gevallen zijt" (Openb. 2:5).

Jezus Zelf had voorspeld dat er een tijd zou komen dat allen zouden insluimeren, zowel wijze als dwaze maagden. Doordat de mensen "sliepen", dat wil zeggen dat zij geen inzicht hadden in de geestelijke wereld en dus ook geen onderscheid bezaten in het wezen van goed en kwaad, kon de boze zijn slag slaan.

Wanneer de apostel Johannes op Patmos in visioenen de doorwerking van de valse leringen ziet in het grote Babylon, de moeder der geestelijke hoererijen en van de gruwelen der aarde, is hij evenzeer verwonderd als de slaven van de landman in onze gelijkenis. In Openbaring 17:6 wordt opgemerkt dat de apostel zich verbaasde met grote verbazing. Hoe was het mogelijk dat zo'n verborgenheid nimmer aan het licht kwam? In welk een Egyptische duisternis verkeerden de kinderen Gods, dat zij dit mysterie van de ongerechtigheid niet konden ontraadselen? De oorzaak lag in het feit dat zij geen kennis hadden van de geestelijke wereld, noch van het Koninkrijk der hemelen. Aan de gemeente in de eindtijd is het evenwel vergund door de werking van de Heilige Geest de sleutels van het Koninkrijk der hemelen weer ter hand te nemen. Zij ziet klaar en helder welk een geraffineerd spel de boze al de eeuwen door gespeeld heeft. Ten gevolge van de door de duivel geïnspireerde gedachtewerelden begonnen in de tijd van Constantijn de Grote en van Augustinus in de kerk ook "de gruwelen der aarde" te komen, de vervolgingen van de kinderen Gods.

Wel had de grote Landman gezegd: "Laat ze tezamen opwassen tot de oogst", maar de ongehoorzame leiders achtten het beter deze waarschuwing in de wind te slaan en maar met het uittrekken van het onkruid te beginnen. De grote "kerkvader" Augustinus zocht naar argumenten waaraan de christenen het recht zouden kunnen ontlenen, hun medebroeders, de andersdenkenden, te vervolgen. De vraag: "Wilt gij dan dat wij heengaan en al die valse tarwe eruit trekken?" heeft hij voor zichzelf met een "ja" beantwoord. Het verschrikkelijkste ogenblik in de hele kerkgeschiedenis was, toen Augustinus het beginsel opstelde: cogite intrare, dit is dwingt ze om in te gaan, ontleend aan Lucas 14:23.

Zelden kwam er een verderfelijker leuze over de lippen van een christen, want hij wilde dit niet verwerkelijkt zien zoals Christus dit deed, toen Hij bij Maria van Magdala zeven duivelen uitwierp en haar zo tot zijn volgelinge maakte, of zoals Hij de bezetene van Gadara verloste van het demonenlegioen en hem zo dwong aan zijn voeten te komen, maar Augustinus wilde dwingen door menselijk geweld en met het zwaard der vervolging in de vuist. Bovendien nog zonder onderscheiding van goed en kwaad!

De zon van het evangelie hield op te schijnen en het werd in de kerk duistere nacht. Vanaf Augustinus trok de kerk het zwaard uit de schede en al de van bloed druipende beulen, die in de Middeleeuwen hun woede op de ketters koelden, konden zich op de autoriteit van Augustinus beroepen en ze deden dit dan ook.

Ook de reformatoren, waaronder Calvijn, hadden geen inzicht in de hemelse gewesten. In plaats van de boze geesten uit te werpen om zo vrij baan te maken voor het Koninkrijk Gods, streden zij tegen vlees en bloed. Wij denken aan de raadsprotocollen van 1545 in Genève en de houding van Calvijn in de heksenprocessen. De vierendertig zogenaamde pestzaaiers zouden met zalf, bereid uit de uitwerpselen van de duivel, de klinkers voor de woningdeuren hebben besmeerd en op deze wijze de pest in de stad hebben gebracht. Voordat zij verbrand werden, hakte men de vrouwen de rechterhand af en de mannen werden met gloeiende tangen gemarteld, waarbij hun lichaam opengescheurd werd (Zie: "Misère en grootheid van Calvijn" door dr. N. J. Hommes).

Zo werd de geschiedenis van de kerk er een van bloed en tranen, van onrecht en geweld en van het ombrengen van miljoenen levens die dierbaar waren in Gods oog. In plaats van het onkruid uit te trekken, heeft men het koren met handenvol eruit gerukt. Naar welke periode in de kerkgeschiedenis kunnen wij teruggrijpen en zeggen: "Zo'n tijd verlangen wij ook?" Er zijn in de kerk geen schatten van het verleden overgeleverd, maar als wij terugzien, worden wij geconfronteerd met haar degeneratieproces.

De apostel schreef: "Waartoe zou mijn vrijheid beoordeeld worden door eens anders geweten?" (1 Cor. 10:29). Dat andere geweten, dat "vreemde geweten" zoals de vertaling Brouwer luidt, heette de inquisitie en de vele geestelijke rechtbanken die het onkruid wel wilden uittrekken en zich daarbij schromelijk vergisten. Schreef de grote ketterjager Conrad van Marburg niet: "Wij willen honderd onschuldigen verbranden, als er maar één ketter onder is"?

Men zegt wel eens dat deze mensen handelden naar de geest van hun tijd. Zo was het ook. Daarom waren zij in hun tijd ook acceptabel, maar de geest van de tijd is steeds die van de overste dezer wereld en niet die van Christus. Hoeveel leiders konden het toen met de apostel zeggen: "Zijt mijne navolgers, gelijk ik van Christus" en "wat gij van mij gehoord en gezien hebt, brengt dat in toepassing"? Daarom kan de kerkgeschiedenis nooit onze maatstaf zijn.

Zij is in hoofdzaak de historie van Babylon, "de grote hoer, die zit aan vele wateren (van valse leringen), met wie de koningen der aarde gehoereerd hebben" (Openb. 17:1,2). Een beroep op de vaderen is teruggrijpen naar de tijd dat het gezaaide graan te zamen opgroeide met het uitgestrooide onkruid, naar de tijd van de slapende en sluimerende maagden, naar de tijd van afval en van verbastering op Gods akker.

 

Wanneer is de zuivering? 


Op de vraag waardoor men niet in staat was het onkruid te herkennen en uit te wieden, is het antwoord: men wist niet hoe de tarwe er eigenlijk uitzag. Men kende de halm, misschien de aar, maar het volle koren in de aar, het duidelijkste herkenningsteken, was nog niet geopenbaard. Wanneer men zich oefent in het onderscheiden van goed en kwaad, moet men allereerst het goede kennen.

Jezus maakte er ons opmerkzaam op, dat dit in de eindtijd pas mogelijk is, in de dagen van de oogst. Men kan de dwalingen slechts onderscheiden in het licht dat de "volheid" des tijds erop werpt. De wereld, de christenheid en de afvallige kerk maken zich nu gereed voor de eindfase. Onze tijd is geheel verschillend van vorige eeuwen. Overal wordt radicaal met het verleden afgerekend. Onze methoden, onze gebruiken, onze inzichten staan veelal los van de voorbijgegane eeuwen. Onze jeugd is niet meer geïnteresseerd bij de tijd van de trekschuit, de vetkaars, de ganzenveder en het buskruit. Wij leven in de atoombedeling. Wanneer de moderne valse profeten langs de deuren gaan, zijn wij niet gebaat bij de kennis van "De vijf artikelen tegen de remonstranten". Tegen hen vinden wij geen verweer in de oude geschriften.

Onze gedachten gaan evenwel reeds uit naar de oogst, naar het rijpe graan en naar de volheid. Jezus leert ons rekening te houden met de toekomst en niet achterwaarts te blikken. Het tijdperk van de aar, waarin wij nu leven, vestigt alle aandacht op wat komen gaat: het volle koren in de aar. Onze belangstelling blijft niet staan bij de halm, maar richt zich op de vrucht die aan het groeien is. Overal zien wij de groene knopjes verschijnen. Het is aanvankelijk nog zacht en nietig, maar het groeiproces gaat snel.

In de laatste jaren zijn bij verschillende christenen de ogen open gegaan. Zij werden wakker uit hun sluimering. De late regen begon te vallen: zij werden gedoopt met de Heilige Geest en kregen toen ook inzicht in de structuur van het Koninkrijk der hemelen. Zij weten dat de geestelijke gaven onmisbaar zijn om het voorgestelde doel te bereiken. Het geheim van het volle evangelie is, dat het niet teruggrijpt naar de gavenloze eeuwen van de halm, maar vooruitziet naar de tijd van het einde, wanneer het doel bereikt is en de oogst binnengehaald wordt. De vraag rijst, of men met het bijbelse gegeven dat men het onkruid nu nog niet moet bijeenhalen, dan de dwaling in de gemeente maar tolereren moet? Het antwoord luidt: neen. Van de openlijke zondaars wordt gezegd: "Doet, wie niet deugt, uit uw midden weg" (1 Cor. 5:13).

Bij valse leringen ligt dit anders. Velen worden misleid en zien dit (nog) niet in. Reeds de psalmist geeft op dit probleem antwoord, wanneer hij zegt: "God zal door onderwijzing hen die dwalen, brengen in het rechte spoor". De voorganger met de oudsten zijn in de gemeente van Jezus Christus verantwoordelijk voor de gezonde leer. In de naam des Heren zullen zij als trouwe dienstknechten goed zaad op de akker uitstrooien. Zij zijn verantwoordelijk aan hun hemelse opdrachtgever op welke wijze zij de kudde weiden en voedsel geven. Wanneer de volle waarheid gebracht wordt, zullen de ogen der misleiden geopend worden. Dan zal de geest der dwaling niet staande kunnen blijven tegenover die van de waarheid. Wanneer men, om een beeld te gebruiken, in een donkere schuur het licht ontsteekt vlucht het ongedierte immers naar alle hoeken en gaten om zich te verbergen.

De apostel Johannes schreef over de antichristen in zijn dagen: "Zij zijn van ons uitgegaan, maar zij waren uit ons niet" (1 Joh. 2:19). Deze mensen die leringen van boze geesten vasthielden, waren er dus niet uitgeworpen, maar zij maakten zichzelf van de gemeente los. Wanneer evenwel de leidslieden van een kerk zelf dwalingen verkondigen, worden de kinderen Gods die zich aan de waarheid houden, vermaand: "Gaat uit van haar mijn volk, opdat gij geen gemeenschap hebt aan haar zonden en niet ontvangt van haar plagen" (Openb. 18:4).

Gods woord werkt altijd als een tweesnijdend zwaard dat leugen en waarheid vaneen scheidt. Waar in de eindtijd het heldere licht van Gods woord weer gezien wordt, door het evangelie van het Koninkrijk der hemelen dat verkondigd wordt, zullen de dwalingen ook radicaler en sneller ontmaskerd worden. Dit herkennen van de dwaalleraars en hun uitgaan uit de ware gemeente, zal voor het lichaam des Heren tot een volkomen zuivering leiden, "en daaraan onderkennen wij dat het de laatste ure is". De volle waarheid, waarin ook de Heilige Geest leidt, werkt oordelend, dat is scheiding makende.

De bijbel waarschuwt ons ervoor dat de valse geesten vaak in "schapenvachten" en "als engelen des lichts" tot ons komen. Zij lijken zo tolerant, lief en vriendelijk, maar men heeft in de geestelijke wereld met wolven te doen, die eropuit zijn de kudde te verscheuren. Soms zijn ze zelfs vermomd in het kleed van het volle evangelie en zeggen: "Zo zegt Jezus", terwijl de Heer hen niet gezonden heeft. Voor de gemeente is het van het grootste belang, in de waarheid staande te blijven, zodat ook deze geesten gemakkelijk tentoongesteld kunnen worden.

 

Het onkruid wel herkenbaar 


Nogmaals wijzen wij op de kenmerken waarmee de boze leergeesten zich openbaren. Wij schreven reeds dat zij steeds de sleutels van het Koninkrijk der hemelen wegnemen, zodat de christen geen inzicht meer heeft in de onzienlijke wereld, waar hij toch zijn burgerschap heeft en wandelen en strijden moet.

Jezus sprak tot zijn discipelen: "Ik zal u de sleutels geven van het Koninkrijk der hemelen" (Matth. 16:19). Wanneer wij de dwaling willen herkennen, zullen wij een objectieve maatstaf moeten bezitten. Indien dit niet zo is, vervalt iedere zekerheid en zijn wij overgeleverd aan het sentiment, aan bepaalde geaardheden en aan natuurlijke denkwijzen. Dan zouden wij de volle waarheid nimmer kunnen bezitten, omdat het "ja" van de een even krachtig klinkt als het "neen" van de ander.

Wij wijzen er nog ten overvloede op, dat het onkruid dat door de boze tussen de goede tarwe gezaaid wordt en eerst haast niet te herkennen is, niet doelt op zonde of ziekte die onder de kinderen Gods voorkomen. Deze zijn immers gemakkelijk herkenbaar, doordat zij wetteloze werken in de zienlijke wereld zijn. De dwaling evenwel wast op in de onzienlijke wereld en wij zullen dus de sleutels van het Koninkrijk der hemelen moeten bezitten en hanteren om haar te kunnen ontmaskeren.

Een christelijke religie die zich niet met de geestelijke wereld van het Koninkrijk Gods bezighoudt, is een dwaling. De apostel der liefde sprak: "Geliefden, vertrouwt niet iedere geest, maar beproeft de geesten, of zij uit God zijn; want vele valse profeten zijn in de wereld uitgegaan" (1 Joh. 4:1).

In de vele valse profeten zijn de leugengeesten werkzaam. Wij kunnen ze alleen beproeven met de kennis die wij hebben van de onzienlijke wereld, dus met de schatten die wij door het gebruik van de sleutels van het Koninkrijk der hemelen verworven hebben. Wanneer een volk geen kennis heeft van de geestelijke wereld, van de wetten die daar gelden, en van de plannen die God heeft, gaat het te gronde. (Hosea 4:6).

Jezus beschuldigde de wetgeleerden in zijn dagen dat zij de sleutels van het Koninkrijk der hemelen, die der kennis, weggenomen hadden (Luc. 11:52). Schriftgeleerden en Farizeeën sloten het Koninkrijk Gods voor de scharen toe. Zij onderwezen wel, maar hielden het volk geestelijk onwetend. Zelf gingen zij dit Koninkrijk niet binnen en die wel trachtten binnen te gaan, verhinderden zij dit (Matth 23:13). Hun godsdienst was op de zienlijke wereld gericht; op het onderscheiden van reine en onreine spijzen, op het houden van de sabbat, op ceremoniën, op de plechtigheden in de tempel, op het dragen van bijzondere gewaden met gebedsriemen en kwasten, op het uitspreken van lange gebeden. De Heer veroordeelde deze uitwendige religie en vergeleek de geestelijke leidslieden van zijn tijd met gewitte graven, die van buiten wel schoon schijnen, maar die van binnen (beeld van de onzienlijke mens des harten) vol doodsbeenderen en allerlei onreinheid zijn (Matth. 23:27,28).

Zo zijn de valse leringen in onze tijd ook veelal aards gericht. De Jehova's getuigen prediken een spoedige ondergang der mensheid in een aards Armageddon, dus geen strijd in de hemelse gewesten, maar tegen vlees en bloed. Zij loochenen ook iedere hemelse bestemming voor de grote massa van hun leden. Zij hebben deze geestelijke wereld voor hun aanhangers toegesloten en ontkennen tegelijkertijd de eeuwige straf in de poel des vuurs, dus de eeuwige scheiding der bozen van God en van al het goede dat Hem toebehoort. Ook verwerpen zij het gebruik der geestelijke gaven. "De trouwe en verstandige slaaf van Jehova" vindt wonderen en tekenen die de prediking moeten volgen, niet meer nodig. Let ook op hun strakke aardse organisatievorm waarbuiten geen heil is.

De Zevende-Dagsadventisten leggen het accent op het vieren van een oudtestamentische sabbat uit de bedeling der schaduwen. Zij willen geen verandering der wankele dingen die slechts gecreëerd zijn om de hemelse dingen uit te beelden (Hebr. 12:27).

De Mormonen hebben een godheid van vlees en bloed: "De Vader is een persoonlijk wezen met een vaste vorm en met lichaamsdelen"! Zelfs de Heilige Geest heeft Zich volgens hen in lichamelijke gedaante geopenbaard. Opmerkelijk is dat de zogenaamde zieleslaaptheorie in onze tijd steeds meer aanhangers vindt. Men bedoelt dan met het slapen der ziel, dat deze na het sterven er niet meer is; zij zou dan volkomen dood zijn. Jehova's getuigen, Zevende-Dagsadventisten, maar ook vrijgemaakte gereformeerden en zelfs pinkstergelovigen hangen deze onbijbelse leer aan.

"Sterven is: ophouden met leven in elke vorm", is de dwaling die zij leren. Wanneer iemand slaapt, houdt hij echter niet op met leven: zijn uitwendige mens blijft slechts werkeloos, maar ziel en geest leven door. Dit is een beeld van het ontslapen of beginnen met slapen. Bij het sterven wordt het lichaam afgelegd en de inwendige mens leeft voort. De bijbel leert dat reeds nu de inwendige mens overgeplaatst is naar het Koninkrijk Gods en daar een plaats gekregen heeft in de hemelse gewesten in Christus Jezus (Ef. 2:6).

De inwendige mens van de gelovige is reeds opgewekt tot een nieuw leven. Hij is "in Christus" die Zich "het leven" noemt. De zieleslaaptheorie leert dat zo'n mens dus bij zijn sterven dit leven verliest, dood is en buiten Christus geraakt. Ook hier ontmoeten wij een valse leer, die de ware christen uit de onzienlijke wereld van het Koninkrijk Gods wegtrekt en hem van het waarachtige leven scheidt.

Waar men de sleutels van het Koninkrijk der hemelen niet meer gebruikt, werd de religie van de massa, zoals in de rooms-katholieke kerk, gericht op het bouwen van machtige kathedralen, op gewijde altaren, op allerlei kunstuitingen en op beelden, op een priesterdom, op riten en wijdingen, op zang, muziek en wierook die de zinnen strelen en de aardsgezinde mens imponeren.

Wij denken ook aan de ambtsgewaden, aan de liturgieën en aan de horizontale prediking in de protestantse kerken. De algemeen aanvaarde kinderdoop berust op een natuurlijke afstamming uit kerkelijke ouders, in plaats van op het verkregen kindschap van God in de hemelse gewesten. De apostel Johannes moest schrijven: "Ik heb tegen u, dat gij uw eerste liefde (voor het evangelie van het Koninkrijk der hemelen) verzaakt hebt. Gedenkt dan, van welke hoogte gij gevallen zijt en bekeer u en doe uw eerste werken", die in verband stonden met uw wandel in de hemel en met de kracht van de Heilige Geest (Openb. 2:5).

Dit vallen uit de hoge, dit aards gerichte principe vinden wij ook in de Israëlleer, waarbij men aan de natuurlijke kinderen van Abraham bijzondere beloften en een bijzondere positie toekent. Het Nieuwe Testament waarschuwt evenwel: "Zoekt de dingen die boven zijn, waar Christus is, gezeten aan de rechterhand Gods. Bedenkt de dingen die boven zijn, niet die op de aarde zijn" (Col. 3:1,2).

De maranathabeweging zoekt met het huidige volk der Joden ook de dingen die op de aarde zijn. Zij houdt zich bezig met een aards Jeruzalem, dus met een stad waar men Christus niet vindt en daarmee niet met het hemelse Jeruzalem. Daarom is de Israëlleer "aards, ongeestelijk, duivels", omdat het zoeken uitgaat naar hetgeen van beneden is en niet naar de dingen die boven zijn (Jac. 3:15).

De ouden zoals Abel, Henoch en Abraham hadden nog enige kennis van de onzienlijke wereld. Aan hen werd een getuigenis gegeven, want zij hielden zich bezig met de dingen die boven zijn. Deze allen zochten een hemels vaderland en verwachtten de stad met fundamenten, waarvan God de ontwerper en bouwmeester is. De Heilige Geest geeft ons ook getuigenis, want Hij leidt ons binnen in de onzienlijke wereld en verschaft ons kennis aangaande de wetten van God, waarnaar wij ijveren moeten, maar ook van de volle waarheid in de hemelse gewesten (zie Hebr. 10:15 en 11:1,2).

Zelfs bij hun voorstelling van de hemel werken vele christenen met aardse begrippen. De beeldspraak uit de Openbaring nemen zij voor de werkelijkheid. Zij spreken over gouden straten met gouden huizen, waarin zij eenmaal met hun aardse (gelovige) familieleden zullen wonen. Zij spelen daar met overgave op een gouden harp of blazen op een gouden fluit, al missen zij hier iedere muzikaliteit. Zij begrijpen niet dat het woordje "goud" slechts de uitdrukking is van geestelijke zuiverheid en reinheid. Indien wij de inrichting van de hemelstad op deze wijze letterlijk moeten nemen, zouden wij als liefhebber van de natuur de voorkeur geven aan de eeuwige jachtvelden, waarvan de Indianen droomden. Het wonen in een concrete gouden stad zou voor ons een verschrikking zijn. Als geestelijke mensen zoeken wij echter evenals Abraham een geestelijke stad, waarin de geestelijke tempel Gods zich bevindt.

Er zijn evenwel ook valse leringen die de mens in de onzienlijke wereld brengen. Wij denken aan het spiritisme, aan de beoefenaars van yoga, aan astrologen, aan waarzeggers, aan magnetiseurs, die allen wel in de hemelse gewesten komen, maar aan de verkeerde zijde van de kloof, waar Christus niet is. Zij werken daarom ook met de krachten uit het rijk der duisternis, hoe mooi en beschaafd zij zich ook mogen voordoen.

Wanneer de apostel Johannes zegt: "Wij zijn uit God; wie God kent, hoort naar ons: wie uit God niet is, hoort naar ons niet", is dit geen hoogmoed, maar deze uitspraak berust op het principe van kennis aangaande het Koninkrijk der hemelen en het hanteren van zijn sleutels. Daarom kan hij vervolgen "Hieraan onderkennen wij de Geest der waarheid en de geest der dwaling" (1 Joh. 4:6).

Een andere vorm van dwaling is het loochenen van het plan Gods met de mens, dat zijn volkomen herstel en volledige wasdom beoogt. Deze valse leer voert de christen van de grondwaarheid af dat het evangelie gegeven is om hem te maken tot een koning en priester en mederegeerder in de hemelse gewesten. De geest van de dwaling is die van de antichrist, die de geest van de mens verleugent (1 Joh. 4:3,6). Deze geest loochent de Vader en de Zoon (1 Joh. 2:22). Dit betekent niet dat hij het bestaan van de Vader of van de Zoon zou ontkennen, want Jacobus zegt dat ook de boze geesten geloven dat er een God is (Jac. 2:19). Zij loochenen evenwel het plan van God dat Hij tot stand brengt door de Zoon, namelijk dat de mens eenmaal op de troon van God zal zitten en met Hem zal regeren over al de werken van diens handen.

De vijand haat het beeld van God, de mens, en inspireert de christen dat deze "het eigen ik doden moet". Wanneer dit gebeurt, heeft immers het rijk der duisternis vrij spel, doordat alle verzet geweken is. Dan misleiden de machten de zoekende ziel verder, door te zeggen dat de wil gebroken moet worden. Maar zij die de Heer zoeken (alleen voor hen is het evangelie), willen het goede, evenals God Zelf.

Wanneer de wil van de mens verbroken is, wordt hij een speelbal van de boze machten en gaat hun wil uitvoeren. Het laatste van zo'n mens zonder wil is erger dan het begin. Hij moet immers belijden: "Wat ik niet wil, dat doe ik". De gelovige behoort evenwel zijn wil te koppelen aan de wil van God en zich dus met zijn hele hart te richten op het goede; de Heilige Geest wil in harmonie met de menselijke geest samenwerken.

Let in dit verband op de vernederingen in vele groepen waar de vrome dwaalgeesten door kleding en levenswijze het beeld van God tot een karikatuur maken. Dan komt het discriminerende voorschrift van "hoed en knoet" bij de vrouwen, terwijl de apostel zegt dat er in Christus noch man noch vrouw is. Ook de engelenwereld kent geen verschil in sekse. Zo verplicht men de devote zielen in een pij te lopen of op blote voeten, zodat zij een bezienswaardigheid worden of een museumstuk. Er is dan niets meer te vinden dat aan ongedwongenheid of vorstelijkheid herinnert, of dat erop wijst dat de gelovige op weg is naar het doel van God.

Ook achten sommige christenen het noodzakelijk zich los te maken van het natuurlijke leven dat God de mens gegeven heeft en zij menen dat het kloosterleven geestelijk voordeel biedt ten einde welbehaaglijk voor God te leven. Maar noch in het Oude noch in het Nieuwe Testament vinden wij voorbeelden van het "godvruchtige" monnikenleven. Men spreekt ook over het verblijven in communes en weigert daarmee zijn plaats in het normale leven in te nemen.

Deze dingen hebben wel een schijn van godsvrucht, maar ze zijn zonder enige waarde en dienen slechts tot bevrediging van het "vrome" vlees (Col. 2:23). Door deze onthechting van het natuurlijke leven wordt de mens niet in het Koninkrijk der hemelen gebracht; zijn strijd blijft op aarde tegen eigen vlees en bloed! De gewilde nederigheid van sommigen gaat zover, dat zij in de hemel wel een "deurmatje" willen zijn, maar al deze vernederingen gaan rechtstreeks in tegen de hoge bedoeling van God met de mens. Hij heeft ons immers bestemd tot koningen en priesters, tot een uitverkoren en verheven geslacht. Hij baant voor de mens de weg vanuit de duisternis naar het licht, vanuit de macht van satan tot de troon van God. Hij heeft ons denken zo vernieuwd dat wij weten eerstgeborenen te zijn van de ganse creatuur. Deze voorrechten brengen verplichtingen mee. Wij mogen ons koningschap niet verwerpen door te zeggen: "Als ik maar een laag plaatsje in de hemel bereiken mag". Zij die zich hiermee tevreden stellen, zijn als Eau, die zijn eerstgeboorterecht verachtte. Het streven naar het koningschap houdt in, dat men door de kracht Gods overwinnaar wordt over zijn vijanden, de boze geesten in de hemelse gewesten.

Wat dunkt u van de uitspraak dat de christen zondaar blijft tot zijn dood? Moet hierbij gezegd worden: "U geschiede naar uw geloof?" Komt God daardoor aan zijn eer? Of is het een leugen om de mens aan de ongerechtigheid gebonden te houden? De leer dat de mens geheel verdorven zou zijn, speelt de duivel in de kaart, doordat zij de mens op zijn niveau plaatst. De mens is dan niet meer bezet gebied dat uit de macht van satan ontrukt moet worden, maar hij zou dan zelf dentiek zijn met het rijk der duisternis. De vraag zou gesteld kunnen worden: "Moet de mens dan niet klein zijn en nederig? Moet hij zichzelf dan niet volkomen achterstellen?" Jezus sprak immers: "Indien iemand achter Mij wil komen, die verloochene zichzelf"? (Matth. 16:24). Wat bedoelde de Heer hier dan mee?

Hij sprak over hen die achter Hem willen komen, die dus verlangen hebben Hem te volgen. Dit betreft dus de eerste stap op de hoge weg. Welnu, wie een hemelse roeping deelachtig wil worden, zal in de zienlijke wereld eerst de geringste willen zijn. Hij zal de gezindheid moeten hebben om anderen te helpen en te dienen. Wie de moeilijke kinderen van een zieke buur in huis opneemt, verloochent zichzelf. Wie babysit is bij een jong echtpaar dat graag naar een samenkomst wil, verloochent zichzelf. Wie staat op eigen gerief, eigen gemak, eigen eer, eigen belang, is niet geschikt om Jezus te gaan volgen, die ook Zichzelf niet zocht. Wie hiertoe wel in staat is in het natuurlijke leven, wordt in de geestelijke wereld niet gehandicapt door aardsgezindheid of door de bezorgdheid van het leven. Maar in de strijd tegen de boze op diens eigen terrein zal de gelovige de koningsmantel aandoen en zijn autoriteit laten gelden. De ware christen is in de zienlijke wereld toegevend en gemakkelijk, maar in de onzienlijke wereld sluit hij geen enkel compromis, maar neemt zijn plaats als machthebber in.

Dwalingen voeren de christen van het ware fundament in de hemelse gewesten af en brengen hem in het grote Babylon, de stad der verwarring, de grote hoer die zit aan "vele wateren" of religieuze stromingen. De zuivere en gezonde leer der waarheid brengt hem evenwel over de hoge weg naar het doel, de gelijkvormigheid aan het beeld van Jezus Christus.

 

Tweeërlei ontwikkeling 


"En in de oogsttijd zal ik tot de maaiers zeggen: Haalt eerst het onkruid bijeen en bindt het in bossen om het te verbranden, maar brengt het koren bijeen in mijn schuur" (vers 30).

De oogst is de voleinding der wereld
(vers 39).

Het opvallende van het leven op aarde is, dat het een ontwikkelingsproces doorloopt. Dit in tegenstelling met het leven in de geestenwereld, dat niet verbonden is met de stof. Engelen liggen niet in de wieg! Voor hen geldt: "Toen gij geschapen werdt, waren zij (de talenten en de geestelijke begaafdheden) gereed" (Ez. 28:13).

In Marcus 4:26-29 spreekt Jezus over een landman die zaad in de aarde werpt. Na deze arbeid gaat hij naar zijn woning, begeeft zich ter ruste, staat de volgende morgen op en doet dit zo vele dagen. Intussen komt het zaad op en groeit, zonder dat de mens iets van dit mysterie begrijpt. "De grond brengt vanzelf vrucht voort; eerst een halm, daarna een aar, daarna het volle koren in de aar. Wanneer dan de vrucht rijp is, laat hij er terstond de sikkel inslaan, omdat de oogsttijd aangebroken is".

Heel duidelijk past de Heer dit rijpingsproces toe op de ontwikkeling van de mens in de geestelijke wereld, want Hij merkte op: "Alzo is het Koninkrijk Gods".

In Johannes 3:8 spreekt de Heer ook van de onbegrijpelijke weg die God met de "uit de geest geboren" mens gaat. Hij vergelijkt hem met de wind: deze "blaast, waarheen hij wil, en gij hoort zijn geluid, maar gij weet niet, vanwaar hij komt of waar hij heengaat: zo is een ieder, die uit de geest geboren is". Deze levensweg, deze groei, deze voortgang en deze ontwikkeling, blijven een mysterie, maar zijn en worden wel werkelijkheid.

Nadat God in zes scheppingstijdperken de aarde formeerde, rustte Hij op de zevende dag. Wat wordt hiermee bedoeld? God heeft een plan met zijn werken en in de schepping heeft Hij alles gelegd wat nodig is om zijn gedachten te realiseren. Wat God erin gelegd heeft, komt eruit. De mens heeft Hij gecreëerd met een doel: dat zich een menselijke geest zou ontwikkelen met wie Hij gemeenschap kan hebben en die met Hem de heerschappij zal delen in de onzienlijke en in de zienlijke wereld. Dit plan laat God nooit los en Hij realiseert het door een groeiproces. Zoals de landman ervan overtuigd is dat het goede, geselecteerde zaad, rijke vrucht zal opleveren, zo gelooft ook God in het werk dat Hij geschapen heeft. Dit is zijn "rust" en als wij onvoorwaardelijk geloven in het bereiken van het doel, gaan wij in tot de geloofsrust, zoals God ook tot rust gekomen is van zijn werken (Hebr. 4:10).

De woorden die bij de schepping uit Gods mond gegaan zijn en die zijn gedachten vertolkten, zullen niet ledig tot Hem wederkeren, maar zullen doen wat Hem behaagt en dat volbrengen, waartoe Hij ze gezonden heeft (Jes. 55:11).

In zijn eeuwig voornemen was zelfs het Lam aanwezig, dat de schuld van de mens zou verzoenen en dat "geslacht is sedert de grondlegging der wereld" (Openb. 13:8).

Bij de woorden "oogsttijd" en "voleinding der wereld" of letterlijk: volheid der aenonen of eeuwen, is ook sprake van een ontwikkelingsproces. Zoals het graan zijn groeifasen heeft van halm, van aar en van het volle koren in de aar, zo doorloopt de schepping tijdperken die naar een volheid gaan. Zo werd in de volheid des tijds, dus aan het einde van het oude verbond, de Zoon van God geboren (Gal. 4:4). Die gebeurtenis was tegelijkertijd de inleiding tot een nieuw tijdperk, dat van de gemeente van Jezus Christus. Ook in deze nieuwe aeon zit een ontwikkeling. Zij eindigt bij de openbaring van de zonen Gods en met de wederkomst des Heren. Dit laatste is weer het begin van een nieuw tijdperk, waarin de schepping door middel van de zonen Gods tot herstel gebracht wordt, terwijl satan gebonden is (Rom. 8:19). Na dit tijdperk komen de nieuwe hemel en de nieuwe aarde. Daarin worden ook alle rechtvaardigen van het oude en velen van het nieuwe verbond, vervuld met de Geest van God, opdat tenslotte "God zij alles in allen" (1 Cor. 15:28).

Het ganse verlossings- en heilsplan heeft tot resultaat de volmaakte geestelijke mens, die aan het beeld van de verhoogde Meester gelijkvormig is. Deze groei naar het volmaakte wordt tegengestaan door de duivel, de oude slang. Op de weg des levens tracht hij immers de mens het voortgaan te belemmeren door diens hiel te vermorzelen, maar wij weten dat in deze strijd de zonen Gods hem ten langen leste de kop zullen vermorzelen. De uitslag staat voor ons dus vast.

In zijn ontwikkelingsplan experimenteert de Schepper met de geesten van leugen, zonde, ziekte en dood, die van boosheid en van wetteloosheid. Hij heeft immers de leviathan geschapen om ermee te spelen en zijn schepping te louteren, zodat zij tot het schoonste en hoogste resultaat gevoerd wordt (Ps. 104:26).

In de gelijkenis van het onkruid tussen de tarwe worden wij met dit ontwikkelingsproces geconfronteerd. Er is een oogsttijd, dit wil zeggen dat het kwade en het goede ten volle in deze tijdsbedeling geopenbaard worden. Het zal dan blijken dat hetgeen uit God geboren is, de overwinning zal behalen op wat door de boze erin gebracht werd. Wij zijn in de rust van God, indien wij vasthouden aan de waarheid dat ondanks alle krachtsinspanningen van de vijand, onze Heer toch zijn werk in ons, door zijn Geest, voltooien zal.

Wij verwachten dus een tijdsbestek waarin zowel het kwade als het goede tot volle rijpheid komen. De bijbel spreekt in dit verband over "de dag des Heren" of gebruikt de woorden "te dien dage". Dan zal de geestelijke duisternis op de wereld te snijden zijn, maar tegelijkertijd zal het licht van Gods genade in zijn volk helderder schijnen dan ook tevoren in de heilsgeschiedenis.

De profeet sprak aangaande deze slotfase van onze bedeling: "Sta op, word verlicht, want uw licht komt en de heerlijkheid des Heren gaat over u op. Want zie, duisternis zal de aarde bedekken en donkerheid de natiën, maar over u zal de Here opgaan en zijn heerlijkheid zal over u gezien worden" (Jes. 60:1,2).

Wij merken op dat de profeten van het oude verbond spraken over het einddoel van ons geloof. Zij profeteerden over de voor ons bestemde genade maar ook over de ondergang der valse kerk (1 Petr. 1:9-12).

Ook Joel zag deze tijdsbedeling en profeteerde: "Daarna zal het geschieden, dat Ik mijn Geest zal uitstorten op al wat leeft, en uw zonen en uw dochters zullen profeteren; uw ouden zullen dromen dromen; uw jongelingen zullen gezichten zien", maar ook: "Ik zal wonderen geven in de hemel en op de aarde, bloed en vuur en rookzuilen. De zon zal veranderd worden in duisternis en de maan in bloed, voordat de grote en geduchte dag des Heren komt" (Joël 2:28-32).

Hier dus een vermelding dat de gemeente van Jezus Christus haar hemelse bestemming vervult en tegelijkertijd een verwijzing naar de demonisering van allen die in de waarheid niet staande gebleven zijn, want duisternis, bloed en vuur zijn beelden van de vernietigende werking der boze geesten. De apostel Jacobus noemt dit groeiproces van de ware gemeente, als hij schrijft: "Zie, de landman wacht op de kostelijke vrucht des lands en heeft geduld, totdat de vroege en late regen erop gevallen is" (Jac. 5:7).

De vroege regen ziet op de uitstorting van Gods Geest in de eerste christengemeenten en de late regen is uitbeelding van de bijzondere werking van deze Geest in "het laatste der dagen". Voor ons heeft de Joëlsprofetie de heerlijke belofte: "En gij, kinderen van Sion, juicht en verheugt u in de Here, uw God, want Hij geeft u de leraar ter gerechtigheid (de Heilige Geest die in alle waarheid leidt); ja, regenstromen laat Hij voor u nederdalen, vroege regen en late regen, zoals voorheen. De dorsvloeren zullen vol koren zijn en de perskuipen van most en olie overstromen" (Joël 2:23,24). Jezus sprak in gelijkenissen, maar wij zien dat ook de profeten door dezelfde Geest gedreven, in beelden spraken.

 

Een gevaarlijke dwaling 


In dit verband moeten wij op een gevaarlijke dwaling wijzen. Er zijn, onder invloed van de maranathabeweging velen die leren dat niets de komst van de Heer meer in de weg staat. "De Heer kan vannacht komen!" zeggen zij met nadruk. Hun dwaling houdt dus geen rekening met het bovengenoemde ontwikkelingsproces, waarin de gemeente van Jezus Christus daadwerkelijk betrokken is, maar zij gaan uit van een schokeffect, dat buiten de gelovigen tot stand komt.

Zij menen dus, om in het beeld van onze gelijkenis te blijven, dat de hemelse landman plotseling en onverwacht de sikkel zet in planten die ternauwernood uit de grond gekomen zijn. Wie deze dwaling aanhangt, acht het vanzelfsprekend ook niet nodig dat de christen met Gods Geest gedoopt moet worden, ten einde door het gebruik van de begaafdheden van deze Geest tot het doel te komen. Daarom is de maranathabeweging de grote vijand geworden van het plan en het doel Gods.

Is het wonder dat zij het troostboek van de gemeente in de eindtijd, de Openbaring, ons ontneemt? Zij gaat immers van de gedachte uit dat na hoofdstuk 4, de visioenen van Johannes niet meer van belang zijn voor de gemeente, die dan immers al opgenomen zou zijn. Daarmee wordt ook het rijpingsproces geloochend: "Wie onrecht doet, hij doe nog meer onrecht; wie vuil is, hij worde nog vuiler; wie rechtvaardig is, hij bewijze nog meer rechtvaardigheid; wie heilig is, hij worde nog meer geheiligd" (Openb. 22:11).

De Heer sprak aangaande de verwachting dat Hij ieder ogenblik zou kunnen terugkeren en niets zijn komst in de weg zou staan: "Ziet toe, dat gij u niet laat verleiden. Want velen zullen komen onder mijn naam en zeggen: Ik ben het, en: De tijd is nabij. Gaat hen niet achterna" (Luc 21:8).

Paulus weerlegde deze dwaling, die ook in zijn tijd door prediking, brief en zelfs door geestesuiting tot de gelovigen kwam, met de woorden: "Laat u niet misleiden, op welke (vrome) wijze ook (misschien door profetieën als: de Heer komt spoedig), want eerst moet de afval komen en de mens der wetteloosheid zich openbaren" (2 Thess. 2:2,3). Er is hier sprake van de apocalypsis van de mens der wetteloosheid. Dit stemt overeen met onze gelijkenis. Het onkruid gaat zich openbaren en het wordt rijp, evenals de tarwe.

Wij merken nog op dat de historische kerken weinig aandacht aan deze ontwikkeling geschonken hebben, maar de maranathaleer heeft met haar dwaling dat niets de wederkomst des Heren meer in de weg staat, de deur naar het Koninkrijk der hemelen hermetisch gesloten. Trouwens, zij richt haar aandacht liever op het nationaal herstel van een natuurlijk nageslacht van Abraham dan op de geestelijke ontwikkeling van de gemeente van Jezus Christus.

 

Het doel bereikt 


"De oogst is de voleinding der aeonen", sprak de Heer. In Openbaring 19:7 staat: "De bruiloft des Lams is gekomen en zijn vrouw heeft zich gereed gemaakt".

De gemeente heeft dan haar volkomenheid bereikt. In verband met de dag des Heren schreef Paulus in 2 Thessalonicenzen 1:10: "Wanneer Hij komt om op die dag verheerlijkt te worden in zijn heiligen en met verbazing aanschouwd te worden in allen, die tot geloof gekomen zijn". Heel duidelijk wordt hier meegedeeld dat de komst, de parousie of tegenwoordigheid des Heren, allereerst het reinigend werk van de Heilige Geest in de gelovigen betreft, waarna zij gaan opwassen in de genade. Men zal immers met verwondering de ontplooiing van deze geestelijke mensen zien: hun kennis, hun wijsheid, hun kracht, hun liefde tot de waarheid en de gerechtigheid, en ook hun onderlinge liefde tot dienstbetoon en opbouw.

Jezus had beloofd dat Hij terug zou komen door zijn Geest en dat Hij met de Vader op deze wijze woning in zijn volk zou maken. In het huis des Vaders zijn vele woningen, want dit evangelie van het Koninkrijk der hemelen zal over de gehele aarde verkondigd worden en velen zullen gedoopt worden met Gods Geest, dat is met de levensgeest van het lichaam van Christus. Dan komt het einde, namelijk de volle en rijke vrucht. Christus "in ons" is de hoop der heerlijkheid. Wanneer zijn werk in de gemeente voltooid is, kan Hij ook in de zichtbare wereld met al de zijnen wederkomen.

Wij wijzen in verband met de rijpe oogst in het laatste der dagen op 1 Thessalonicenzen 5:23, 24, waar Paulus zegt: "En Hij, de God des vredes, heilige u geheel en al, en geheel uw geest, ziel en lichaam moge bij de komst (parousie of tegenwoordigheid) van onze Here Jezus Christus blijken in allen dele onberispelijk bewaard te zijn. Die u roept, is getrouw; Hij zal het ook doen". Duidelijk en stellig leert de Schrift dat de Heer door middel van zijn woord en zijn Geest het voorgestelde doel bereiken zal.

Andermaal schrijft de apostel: "Hiertoe bidden wij ook te allen tijde voor u, dat onze God u de roeping (dat God in u verheerlijkt wordt, omdat het beeld van zijn Zoon in u te aanschouwen is) waardig achtte en met kracht (van de Heilige Geest in u) alle welgevallen in het goede en het werk des geloofs volmake (of voltooie), opdat de naam van onze Here Jezus in u verheerlijkt worde". (2 Thess. 1:11,12).

Zelf sprak de Heer dat zijn komst of tegenwoordigheid in de harten van zijn volk zou zijn als de bliksem, die van het oosten komt en licht tot het westen (Matth. 24:27). In de geestelijke duisternis van de eindtijd zal de ware gemeente het licht doen uitstralen en dit zal over de gehele aarde merkbaar zijn. Het licht der wereld wordt in de zonen Gods geopenbaard. Om met een andere gelijkenis te spreken: de lampen der wijze maagden zullen een helder licht verspreiden in de donkere nacht. Wanneer de duisternis toeneemt, wanneer de grote verdrukking over de ganse aarde gaat, zal de spanning dit bliksemlicht voortbrengen.

Tenslotte nog een beeld dat de Heer ons schonk. Hij sprak: "Leert dan van de vijgenboom deze les: Wanneer zijn hout reeds week wordt en de bladeren doet uitspruiten, weet gij daaraan, dat de zomer nabij is. Zo moet ook gij, wanneer gij dit alles ziet, weten, dat het nabij is, voor de deur" (Matth. 24:32,33).

Ook deze uitspraak van de Heer wijst op een groeiproces. Na de barre en dorre wintertijd van eeuwen en eeuwen kerkhistorie, waarin het geestelijke leven ternauwernood merkbaar was, begint zich in de eindtijd nieuw leven te openbaren. Zoals de levensgeest in de boom de stimulans geeft tot het ontwikkelen van nieuwe spruiten, zo gaat de Heilige Geest, de levensgeest of "Geest des levens" van het lichaam van Christus, de leden der gemeente tot nieuw leven brengen.

Ook deze heerlijke belofte voor de eindtijd schuiven velen van zich af en passen haar toe op een natuurlijk, ongelovig nageslacht van Abraham, dat de voet gezet heeft in het aardse Kanaän. Wij zoeken evenwel met alle aartsvaders een beter vaderland, namelijk dat boven is (Hebr. 11:14-16). Het druist toch tegen alle nieuwtestamentische inzichten in, dat onze Heer met nieuw leven bedoeld zou hebben het nationale ontwaken van een van God en zijn Zoon vervreemd volk.

 

Toename van licht en duisternis 


Niet alleen de tarwe komt tot volle rijpheid, maar ook het onkruid. Tegenover de waarheid staat de dwaling. Ook deze ontwikkelt zich in allen die haar geloven naar een eindstadium. Tegenwoordig spreken velen over "de tekenen der tijden". Zij zoeken deze meestal in de zichtbare wereld. Zij wijzen op natuurrampen als aardbevingen, overstromingen en orkanen. Zij spreken over toekomende verschijnselen aan de zon, de maan en de sterren en zij letten op het bulderen van de zee en branding (Luc. 21:25).

Zij houden zich op oudtestamentische wijze bezig met de zichtbare, hoorbare en tastbare dingen en verwachten daarin steeds meer superlatieven te beleven. Daar men evenwel nooit weet, wat de grootste aardbeving, de ergste ramp en de zwaarste orkaan is, heeft men toch weinig zekerheid dat "het nabij, voor de deur is". Het Nieuwe Testament houdt zich evenwel bezig met de onzienlijke wereld, het Koninkrijk der hemelen.

Jezus sprak dat dit overeenkwam met iemand die goed zaad op zijn akker zaaide, terwijl de boze er onkruid tussen wierp. De tekenen van de eindtijd vinden dus hun oorsprong in de geestelijke wereld. Het wankelen van de machten der hemelen, het bulderen van zee en branding, zijn daarom tekenen in de onzienlijke wereld (zie: "De tweede bergrede" bij Matth. 24.29).

Openbaring 12 noemt als teken in de onzienlijke wereld "de vrouw", dat is dus de gemeente. Daarnaast zag Johannes in diezelfde geestelijke wereld het teken van de draak, de duivel. De laatste brengt door middel van de geest van de antichrist het onkruid tot volle rijpheid.

In zijn brieven aan de Thessalonicenzen behandelt de apostel dit dubbele rijpingsproces. Wij citeerden al enige teksten die aantoonden, dat de gemeente tot volmaaktheid komt, of zoals hij in Efeziërs 5:27 schrijft, dat de Heer bij zijn wederkomst een gemeente voor Zich plaatst, stralend, zonder vlek en rimpel. Op die dag wordt Hij gezien in al zijn heiligen (2 Thess. 1:10), maar deze dag des Heren staat ook ten nauwste in verband met de toenemende afval, dit wil zeggen met het loslaten van het woord der waarheid.

Paulus spreekt in 2 Thessalonicenzen 2:9 over de parousie, tegenwoordigheid of komst van de zoon des verderfs, de mens der wetteloosheid. De eredienst van de afvallige kerk, die haar eindstadium vindt in de gemeente van de antichrist, berust op de "dwaling, die bewerkt dat zij de leugen geloven, opdat allen geoordeeld worden, die de waarheid niet geloofd hebben, doch een welgevallen hebben gehad in de ongerechtigheid". Zij missen "de liefde tot de waarheid" (2 Thess. 2:10-12). Dit onkruid der dwaling "zijn de zonen van de boze", zegt Jezus in de gelijkenis (vers 38).

Let erop dat de apostel in 2 Thessalonicenzen 2 niet spreekt over tekenen in de natuurlijke wereld. Hij brengt "de komst des Heren en onze (zichtbare) vereniging met Hem" niet in verband met het natuurlijke Israël, met Rusland of met China, of met natuurrampen die aan de dag des Heren vooraf zouden moeten gaan.

De Heer zelf sprak dat de eindtijd overeenkomt met de dagen waarin Noach leefde. Men zal eten, drinken, huwen en ten huwelijk geven. Dit gaat dan gewoon door. Ook oorlogen, hongersnoden en rampen zijn er altijd geweest en zullen er tot het einde blijven. Daarom zullen de spotters die blind zijn voor de geestelijke ontwikkelingen, terecht opmerken, dat er in de natuurlijke wereld geen veranderingen te bespeuren zijn, "want sedert de vaderen ontslapen zijn, blijft alles zo, als het van het begin der schepping af geweest is" (2 Petr. 3:4).

De eindtijd is evenwel de climax van de geestelijke ontwikkelingen, waarin goed en kwaad als wit en zwart duidelijk tegenover elkaar komen te staan en die zijn afsluiting vindt in een gigantische geestelijke worsteling, waaruit de zonen Gods zegevierend te voorschijn komen, namelijk uit de slag van Harmagedon in de hemelse gewesten.

In de oogsttijd regeren in de afgevallen kerk de dwaling en de leugen. Langs deze weg nestelen de wetteloze machten zich "in de tempel Gods", in de mens, die God Zich als woning uitverkoren heeft. Er is dan sprake van: een nieuwe moraal, occultisme, pornografie en pornofonie (in de muziek). Het groene gras, de jeugd, verbrandt: wordt dus een prooi van de machten der duisternis, zoals de verslavende middelen dit in onze dagen reeds bewerken.

Uit het voorafgaande concluderen wij, dat de oogsttijd, de dag des Heren en de toekomst des Heren (parousie) alle hetzelfde tijdperk aanduiden, waarin zowel graan als onkruid rijp worden. Deze dag des Heren is de tijd van de polarisatie in de kerk. De ware kinderen Gods trekken uit Babylon en zij die bezet zijn met de geest der dwaling, die van de antichrist, "gaan van ons uit", dus verlaten de gemeente van Christus, omdat "het de laatste ure is".

Wanneer de scheidingen volkomen zijn en de tegenstellingen aanwijsbaar, zal de hemelse landman het sein geven de sikkel in het onkruid en in de tarwe te slaan, omdat dan de oogst der aarde rijp geworden is.

 

In bossen 


"En in de oogsttijd zal ik tot de maaiers zeggen: Haalt eerst het onkruid bijeen en bindt het in bossen om het te verbranden, maar brengt het koren bijeen in mijn schuur" (vers 30).

In de oogsttijd komen het koren en het onkruid niet alleen tot rijpheid, maar zij worden ook duidelijk herkenbaar en kunnen volledig van elkaar gescheiden worden. Alle eeuwen door leefden goeden (kinderen van het Koninkrijk) en kwaden (kinderen van de boze) naast elkaar in de kerkformaties. Er is zelfs een tijd geweest dat er slechts een kerk bestond die alle christenen omvatte. Dit duurde tien eeuwen.

In de gelijkenis is sprake van samenbundeling van het onkruid in bossen. Dit samenvoegen is in de kerkgeschiedenis geen onbekend verschijnsel. In de religieuze wereld werd een dwaling aanvaard en men ging zich daaromheen groeperen. We noemen hier: het organiseren rondom dwalingen als de kinderdoop, de uitverkiezingsleer, de eucharistie, de sabbatsrust op de zevende dag, het boek van Mormon, de geschriften van de Jehova"s getuigen en dergelijke. Dikwijls stelde men een bijbelse waarheid centraal, maar daarnaast hield men vele dwalingen vast. Dit zien wij onder andere bij de baptisten met de volwassendoop door onderdompeling en bij de pinksterbeweging met de doop in de Heilige Geest.

Niet altijd scheidt men zich af van de historische kerken of van bestaande kringen, terwijl men toch met elkaar verbonden is door een valse leer. Men ziet dit bijvoorbeeld bij de maranathabeweging met haar veelal onjuiste toekomstverwachtingen en haar aards gerichte Israëlleer.

Het kan ook de Brits-Israël-leer of de alverzoening zijn. Nu zouden wij niet gaarne beweren dat al deze samenbundelingen alleen onkruid omvatten, maar zij verschaffen ons wel inzicht hoe de bossen eenmaal gevormd zullen worden. Zelfs zien wij in onze tijd hoe deze bossen weer samengebracht worden in de grotere schelven van de oecumenische beweging. Dit bijeenvergaderen kan dan een meer modernistisch aspect, maar ook wel een orthodoxe of "bijbelgetrouwe" aanblik hebben.

Er is evenwel één samenbinding die de ware gelovigen uiteindelijk bijeen zal voegen. Dit is de aanvaarding en de beleving van de leer van het Koninkrijk der hemelen, die de christen terugbrengt in eigen land en op eigen bodem, namelijk in de hemelse gewesten. Dit is het evangelie van Jezus Christus dat ook de apostelen verkondigden en waarmee Paulus onder de heidenen rondreisde. Voor het eerst na de apostolische tijd wordt nu de volle waarheid weer gebracht en dat niet alleen, men beleeft ook de kracht ervan! Dit evangelie van het Koninkrijk der hemelen zal nog over de gehele wereld gepredikt moeten worden, voordat het einde komt, en dus de volle vrucht ervan gezien wordt (Matth. 24.14). En de landman wacht tot de kostelijke vrucht van de akker rijp is, voordat hij het startsein geeft om te oogsten.

De bijbel is een geestelijk boek en de ontdekking van deze waarheid zal de christen in de wereld der geesten brengen, hem daar doen wandelen, doen strijden en doen overwinnen. Hij leeft dus in twee werelden, maar zoekt eerst de onzienlijke wereld van het Koninkrijk Gods. De ware gelovigen zullen zich losmaken van de dwalingen die hen aan de aarde binden en zij zullen de hoge weg kiezen door de hemelse gewesten, die hen voert naar de troon van God.

Alle eenheidspogingen in onze tijd die niet uitgaan van het principe dat wij als geestelijke mensen ons in de onzienlijke wereld behoren te bewegen, hebben tot resultaat de vervulling van de woorden van Jezus: "Haalt eerst het onkruid bijeen en bindt het in bossen".

Wij wijzen er nogmaals op, dat eerst het onkruid bijeen vergaderd wordt. De gedachte dat de komst des Heren en de opname van de gemeente de eerstkomende gebeurtenissen zijn die wij moeten verwachten, is daarom onbijbels. Deze dwaling leidt de aandacht af van wat werkelijk gebeuren gaat, namelijk dat "eerst" de afval moet komen en de mens der wetteloosheid zich zal openbaren, dus dat "eerst" het onkruid zichtbaar bij elkaar gebracht wordt (2 Thess. 2:3).

Tegenover de samenbundeling van het onkruid in de gemeente van de antichrist, staat het bijeenbrengen van de goede tarwe in de ware gemeente van Jezus Christus die in de eindtijd zonder vlek of rimpel zal zijn. De "schuur" is hier dan het beeld van deze gemeente, die duidelijk onderscheiden zal zijn van alle andere religieuze samenvoegingen en wier leden door de Heer bewaard worden om bij zijn wederkomst in een punt des tijds veranderd te worden en onsterfelijkheid aan te doen.

Men spreekt dikwijls over een "hemelse" schuur. Men bedoelt daar dan meestal mee dat de gemeente verplaatst zou worden naar een ver verwijderd oord, dat de naam "hemel" draagt. De ware gelovigen zijn evenwel op aarde reeds overgezet in de hemelse gewesten en vormen hier reeds het hemelse of geestelijke Lichaam van Christus. In de eindtijd wordt dit Lichaam dan ook op aarde in al zijn zuiverheid geopenbaard. Men zou dus duidelijker kunnen spreken over een geestelijke schuur, waar geestelijke mensen bijeengevoegd zijn.

 

De taak der engelen 


"De maaiers zijn de engelen. Zoals nu het onkruid verzameld wordt en met vuur verbrand, zo zal het gaan bij de voleinding der wereld. De Zoon des mensen zal zijn engelen uitzenden en zij zullen uit zijn Koninkrijk verzamelen al wat tot zonde verleidt en hen die de ongerechtigheid bedrijven, en zij zullen hen in de vurige oven werpen; daar zal het geween zijn en het tandengeknars. Dan zullen de rechtvaardigen stralen als de zon in het Koninkrijk huns Vaders. Wie oren heeft, die hore!" (vers 39b-43).

In deze gelijkenis over het Koninkrijk der hemelen openbaart Jezus nog een merkwaardige bijzonderheid, namelijk dat Hij zijn engelen uit zal zenden om het onkruid bijeen te vergaderen. De vraag rijst ogenblikkelijk, op welke wijze de engelen zich van deze opdracht kwijten.

In Openbaring 12 lezen wij van de geboorte van de mannelijke, geestelijk sterke zoon, de rijpe vrucht van de gemeente, die weggevoerd wordt naar God en zijn troon. De eindtijdgemeente bereikt met deze openbaring van de zonen Gods "de eenheid des geloofs en der volle kennis van de Zoon Gods, de mannelijke rijpheid, de maat van de wasdom der volheid van Christus" (Ef. 4:13). Deze volle-evangelie christenen worden weggerukt en naar Gods troon gevoerd. Dit betekent niet dat zij als gemeente van de aarde weggenomen worden, maar dat zij ten volle hun plaats gaan innemen als strijders in de hemelse gewesten. Zij vormen dan een koning- en een priesterschap, die niet van deze wereld zijn.

Na deze gebeurtenis volgt de opmerkelijke mededeling: "En er kwam oorlog in de hemel: Michaël en zijn engelen hadden oorlog te voeren tegen de draak; ook de draak en zijn engelen voerden oorlog, maar hij kon geen stand houden, en hun plaats werd in de hemel niet meer gevonden. En de grote draak werd op de aarde geworpen, de oude slang, die genaamd wordt duivel en de satan, die de gehele wereld verleidt; hij werd op de aarde geworpen en zijn engelen met hem" (Openb. 12:7-9).

Wij zien dus dat allereerst het geheimenis van de gemeente voleindigd wordt. (Openb. 10:7). Zij blijft staande en overwint door haar krachtig belijden, dat zij uit rechtvaardigen bestaat door het bloed van het Lam en door haar positief getuigenis in deze wereld dat zij door de kracht van de Heilige Geest haar positie als overwinnaar inneemt in de hemelse gewesten.

Eerst komt de kern van de gemeente tot (de mannelijke) rijpheid en dan breekt er een oorlog uit in de hemel, die door de heilige engelen Gods gestreden wordt tegen de machten der duisternis. Jezus heeft immers alle macht in de hemelse gewesten. De tijd is aangebroken dat Hij zijn heilige engelen uitzendt om uit zijn Koninkrijk te verzamelen al wat tot zonde verleidt, dus de boze machten die buiten de mens zijn en deze ten val willen brengen, en hen die ongerechtigheid bedrijven in de zichtbare wereld, dus de wetteloze mensen die het kwade liefhebben en doen.

De heilige engelen drijven de machten bijeen, die de mensen verleiden en tot zonde brengen. Zij kunnen evenwel de boze geesten die in de mens zijn, niet uitwerpen. Daartoe hebben alleen de volgelingen van Jezus Christus bevoegdheid. Dezen doen dit in zijn Naam. De oorlog in de hemel duurt tot het ogenblik dat de duivel zelf door een engel afgevoerd, geketend en in de afgrond geworpen wordt. Hetzelfde gebeurde in de worsteling vanzelfsprekend ook met de andere boze geesten. Voor hen is de afgrond de plaats der pijniging, de gevangenis; vandaar dat de onreine geesten Jezus eenmaal smeekten hen daar niet heen te zenden (Marc. 5:7 en Luc. 8:31).

De enige uitwijkmogelijkheid voor de demonen die vluchten voor Michaël en zijn engelen is, om een schuilplaats in de mens te zoeken. Wanneer de onzienlijke wereld gezuiverd wordt, vallen de boze engelen dus op de aarde, dit wil zeggen dat zij in de mens varen. "In grote grimmigheid" en in paniek dalen zij neer. Wanneer gezegd wordt dat in die dagen de sterren van de hemel vallen, ziet dit op een invasie van de demonische legermacht in de mensen.

Aan de ene zijde strijden dus de zonen Gods hun geestelijke strijd. Zij werpen duivelen uit en weerstaan de vijand. Daarna zetten Michaël en zijn engelen de strijd tegen deze boze machten voort. In Daniël 12:1 staat in dit verband: "Te dien tijde zal Michaël opstaan, de grote vorst, die de zonen van uw volk terzijde staat; en er zal een tijd van grote benauwdheid zijn, zoals er niet geweest is sinds er volken bestaan, tot op die tijd toe".
Wij kunnen deze tekst als volgt parafraseren: op de dag des Heren zal Michaël de zonen Gods terzijde staan. Hij wordt opgeroepen als maaier van het onkruid in de tijd van de grote verdrukking. Slechts degenen die met de Heilige Geest verzegeld zijn en gewend waren in de hemelse gewesten te strijden, kunnen dan stand houden.
Het is dan ook duidelijk dat de Heer wacht om het signaal te geven, tot op het ogenblik dat de zonen Gods hun mannelijke rijpheid bereikt hebben, want anders zou de ganse kerk bezwijken. Zij die "de hemel bewonen" mogen vreugde bedrijven, want zij zullen overwinnen.

 

De scheiding 


Omdat zij weten weinig tijd te hebben, komen de machten, inzonderheid de vrome, religieuze geesten, die in de leden van de afgevallen kerk huizen, tot grote activiteit. Het gaat immers in onze gelijkenis en in de Openbaring over de ware en over de valse kerk. Op deze wijze worden niet alleen de zonen Gods geopenbaard, maar ook de kinderen van de boze. Deze laatsten zullen het in de gemeenschap van Gods volk niet meer kunnen uithouden en zij verbreken daarom ieder contact, zoals Johannes schreef: "Zij zijn van ons uitgegaan".

De geïrriteerde, onrustig makende geesten drijven hen weg uit het midden van Gods volk. Als tegenstelling van deze uittocht uit het midden der rechtvaardigen, zullen de ware kinderen Gods die zich nog in Babylon bevinden, de roep horen: "Gaat uit van haar, mijn volk, opdat gij geen gemeenschap hebt aan haar zonden en niet ontvangt van haar plagen" (Openb. 18:4).

Zij die de boodschap van het Koninkrijk der hemelen welke over de gehele aarde gepredikt wordt, niet geloven, haar verwerpen, zullen als de dwaze maagden een prooi worden van de duisternis. De geesten door wie de mensen gebonden zijn, zullen hen zo opjagen en pressen, dat hun slachtoffers wel moeten gehoorzamen en geestelijk volkomen ondergaan en gedemoniseerd worden. De afgevallen kerk neemt dan de machten in zich op, zoals de spons het water in zich zuigt.

Het onkruid is dan verzameld en in de vurige oven geworpen. Van Gods zijde gezien is deze scheiding een zuivering van de gemeente en vanuit het standpunt van de vijand is deze bundeling een middel om zich te verzamelen voor de laatste strijd tegen het Godsrijk in de hemelse gewesten.

In Openbaring 16:14 en 16 wordt gesproken over een verzameling tot de oorlog bij Harmagedon. In Openbaring 19:19 wordt opnieuw gewezen op deze concentratie met de woorden: "En ik zag het beest en de koningen der aarde en hun legerscharen verzameld om de oorlog te voeren tegen Hem, die op het paard zat, en tegen zijn leger".

Degene die op het paard zit, is Jezus Christus als het Woord Gods en Hij wordt gevolgd door de heerscharen die in de hemel zijn. Zij volgen Hem op witte paarden, gehuld in wit en smetteloos fijn linnen. Hier is geen sprake van een krijg tussen twee aardse legers, maar van de laatste slag in de hemelse gewesten bij de "voleinding van deze eeuw". Het aardse Harmagedon wordt slechts als beeld gebruikt om een geestelijke realiteit aan te duiden.

 

Onze toekomstverwachting 


Laten wij de waarschuwing ter harte nemen, waarmee de gelijkenis eindigt: "Wie ore heeft, die hore!" Wij willen niet misleid worden door toekomstverwachtingen die geheel aardsgericht zijn, maar willen ons verplaatsen naar de hemelse gewesten om daar te horen, wat Jezus tot ons te zeggen had. Hij sprak in het beeld van tarwe en onkruid, dus over de ware en de valse kerk.

Allereerst valt de spade regen op het land en het koren en het onkruid worden rijp. Dan wordt door de heilige engelen het Koninkrijk der hemelen gezuiverd van de boze geesten en "de nieuwe hemel" gevormd. De demonen zoeken in het bijzonder een schuilplaats in de afgevallen christenheid, zoals de Geest Gods een woning heeft in de gemeente van de eindtijd. Het onkruid wordt bijeen gebracht om prijs gegeven te worden aan het vuur. Tussen het verzamelen van het onkruid en de beslissende slag van Harmagedon ligt de opname der gemeente, de schuur waarin het koren verzameld was.

Zoals de zondige geesten een scheiding vormen tussen God en de mensen, zo vormen in deze strijd de heilige engelen een cordon om het volk van God.

In het beeld van de vurige oven is sprake van wenen en tandengeknars. Dit zijn typische openbaringen van "vrome" geesten, dus van boze machten die zich uiterlijk christelijk en godsdienstig voordoen als engelen des lichts, maar die in wezen de mensen maken tot schijnheiligen en bedrieglijke arbeiders. "Vrome" geesten huilen of maken zich kwaad, slaan zich op de borst, scheuren de kleren, of ballen de vuist, als zij geprikkeld of ontmaskerd worden. Wij denken aan de Farizeeën die Jezus zochten te doden, en aan het Sanhedrin dat Hem veroordeelde.

Dan zullen de kinderen des Koninkrijks het licht, de vrede en de blijdschap Gods weerkaatsen in zijn Koninkrijk, of zoals Daniël het zegt: "De verstandigen zullen stralen als de glans van het uitspansel, en die velen tot gerechtigheid hebben gebracht als de sterren, voor eeuwig en altoos" (Dan. 12:3).

 
vorige pagina terug volgende pagina