Stichting Uitgeverij Rhemaprint

De brief aan de EfeziŽrs
Door J.E. van den Brink

 
vorige pagina volgende pagina

hoofdstuk 6


 

EfeziŽrs 6:1-3 


Kinderen, weest uw ouders gehoorzaam in de Here, want dat is recht. Eer uw vaderen uw moeder - dit is immers het eerste gebod, met een belofte - opdat het u welga en gij lang leeft op aarde.

Evenals in Colossenzen 3:20 volgen ook hier na de mannen en vrouwen, de kinderen met de ouders, en daarna de slaven met hun meesters. Opmerkelijk is dat de bepaling 'in alles' hier ontbreekt, terwijl wij in hoofdstuk 5:24 lezen, dat de vrouw 'in alles' haar man onderdanig moet zijn en in Colossenzen gezegd wordt: 'Kinderen, gehoorzaamt uw ouders in alles, want dit is welbehagelijk in de Here'. Het is ook opmerkelijk dat in onze tekst niet staat 'want dat is recht in de Here', overeenkomstig de paralleltekst in Colossenzen, maar 'weest uw ouders gehoorzaam in de Here'. Sommige vertalingen zoals die van Brouwer missen de bepaling 'in de Here', terwijl onze nieuwe vertaling haar tussen haakjes zet. Dit is dus wel een bewijs dat de diverse handschriften verschillen hebben. Wij zijn van mening dat de bepaling 'in de Here' er niet later is bijgevoegd, juist omdat ze een meer precieze aanduiding van de verschuldigde gehoorzaamheid der kinderen aangeeft dan in Colossenzen het geval is.

Bij het voorlezen van de brief zien wij als het ware het gehele gezin aanwezig. De christelijke man met zijn gelovige vrouw luistert aandachtig naar de vermaningen met betrekking tot hun huwelijk. Zij beloven elkaar meer lief te hebben dan ooit tevoren en zich ook meer aan elkaar te wijden. Zij verlangen één ziel te zijn in één lichaam, opdat zij het grote mysterie van het hemelse huwelijk tot uitdrukking zullen brengen. Er is liefde tussen ouders en kinderen, tussen broers en zusters, maar de huwelijksband en de huwelijksliefde gaat dit alles te boven. Een waarschuwing voor moeders die hun kinderen meer liefde bewijzen dan hun man!

Nu richt de voorlezer van de brief zich ook tot de kinderen, die dus geacht worden in de samenkomst aanwezig te zijn. Anders zou alleen gezegd moeten worden, dat de ouders hun kinderen het goddelijke gebod van de gehoorzaamheid zouden moeten doorgeven en voorhouden. Aparte kindersamenkomsten zijn iets uit onze tijd. Hierover zou natuurlijk het een en ander zijn op te merken, indien wij wisten in hoeverre de kinderen eertijds bij de diensten waren betrokken.

De kinderen horen dus in het midden van de gemeente dat zij hun moeders zowel als hun vaders moeten gehoorzamen. Paulus verbindt dit gebod niet met een bedreiging of met de straf van het helse vuur, maar slechts met de heenwijzing dat zij met hun ouders 'in de Here' zijn. Ook nu grijpt de apostel terug naar de oorspronkelijke bedoeling van God ten opzichte van de gezagsverhoudingen in het gezin. Hij spreekt over 'recht' of over de wet van God zoals deze vanaf het begin het natuurlijke leven regelde. Wij zagen dit al bij de relatie tussen man en vrouw. Dezen zullen allereerst 'in de Here' moeten zijn. Dan kan de vrouw gemakkelijk haar man dienen en wanneer beide ouders naar de regels van het Koninkrijk der hemelen leven, is het ook gemakkelijk voor hun kinderen hun vader en moeder te gehoorzamen. Zij kunnen er alleen maar wèl bij varen. Als de sfeer thuis goed is, wanneer er liefde en eendracht in het gezin heersen, zal een kind zonder tegenzin zijn ouders eerbied bewijzen. Dan gaat alles naar het recht of naar de scheppingswet. De ouders leren dan de kinderen in de wegen van de Heer te wandelen (Gen. 18:19). Zij zijn dan hunnerzijds hun hemelse Vader gehoorzaam. Wanneer vader en moeder evenwel niet 'in de Here' zijn, werkt de wet van God niet meer in zo'n gezin. Wanneer de ouders gebonden zijn, wanneer vader driftig is en moeder grillig of wispelturig, kan een kind moeilijk gehoorzamen. Dan reageert het op de gebondenheden van zijn ouders die de nodige liefde en zelfbeheersing missen. Wat een slecht voorbeeld geven bijvoorbeeld ook die ouders die zelf ergens aan verslaafd zijn en zelf regelmatig sterke drank gebruiken!

Vanaf het begin heeft God de kinderen aan de ouders toevertrouwd om hen op te voeden naar geest, ziel en lichaam. De ouders zijn verplicht hun kinderen goed te verzorgen en op de goede weg te brengen; daarom zullen zij evenals hun Heer dit deed, in alles het voorbeeld moeten geven.

Wanneer een kind ongehoorzaam is, valt het niet te leiden. Wanneer het niet naar de wet van God noch naar zijn ouders luistert, kan het soms nog wel eens zich richten op buitenstaanders die in dit opzicht de ouders kunnen helpen. De ouders mogen dan wel dankbaar zijn dat er nog vaak broeders en zusters zijn, die een charisma hebben om kinderen die het moeilijk hebben, op te vangen.

Ongehoorzame kinderen worden door boze geesten geleid. Daarom staat er niet: wie zijn ouders niet eert, wórdt vervloekt, maar is vervloekt, dat wil zeggen is een prooi van de demonen. Ongehoorzaamheid is zonde der toverij, omdat in beide gevallen de mens of het kind bewerkt wordt door kwade geesten. Ongehoorzaamheid aan ouders wordt steeds in de bijbel als een symptoom van slecht menselijk leven genoemd. Zij is een gevolg van een verwerpelijk denken (Rom. 1:30). Zij is een teken van de eindtijd wanneer de boze geesten actief worden, want we lezen in 2 Timotheüs 3:2 dat in de laatste dagen de kinderen aan hun ouders ongehoorzaam zullen zijn.

Het is dus recht of vanzelfsprekend dat een kind zijn ouders gehoorzaamt. Dit doet het van nature. Bovendien heeft God aan het gehoorzamen van vader en moeder nog een belofte verbonden, namelijk dat het de kinderen zou wèl gaan en dat zij een lang leven op aarde zouden hebben. Wanneer in het beloofde land het volk uit goede gezinnen bestond waar vrede en harmonie heersten, zou de Heer kunnen voorzien in voorspoed en in een gezond leven. In dit opzicht staat dan Israël als deel voor het geheel. Als gans Israël 'behouden' wordt, zijn we in de tijd dat ook de ganse aarde met alle volken wordt behouden. De wetten van God voor het gezinsleven zullen na de overwinning van de zonen Gods in Harmágedon door de gehele mensheid worden onderhouden. Natuurlijk zal bij een kind of ouder die goed leeft, dit ook merkbaar zijn in zijn levensduur. Wetteloosheid verkort immers het leven. Wij menen evenwel dat deze woorden aangaande een lang leven op aarde hoofdzakelijk een eschatologische betekenis hebben. De apostel erkent immers nergens dat het aardse welzijn een levensdoel van de christen moet zijn. Wel zullen eenmaal de zachtmoedigen en de gehoorzamen het aardrijk beërven.

Zachtmoedigheid en gehoorzaamheid aan het gezag zijn onmisbare eigenschappen voor de ware christen. Wij zijn blij dat onder ons nog vele gezinnen zijn, waar de kinderen 'dol' zijn op de ouders en hun dus ook gehoorzamen; gezinnen waar de kinderen temidden van hun eigen generatie ten koste van veel strijd op school en in hun werkkring, met blijdschap in de voetsporen van hun vader en moeder treden.

Waarschijnlijk bedoelt de apostel met het 'eerste gebod' de eerste regel van de tweede tafel der wet. Zo noemt hij in Romeinen 13:9 bij de vervulling der wet alleen de geboden uit de tweede tafel. Hetzelfde doet Jezus in Mattheüs 19:17. Paulus richt zich hier immers tot christenen die wel bijzonder goed waren onderwezen in het geloof aan God en in de leer van het Koninkrijk der hemelen. Zij hadden zich niet anders te gedragen jegens hun naaste dan God met hen had gehandeld in Christus Jezus!

 

EfeziŽrs 6:4 


En gij, vaders, verbittert uw kinderen niet maar voed hen op in de tucht en in de terechtwijzing des Heren.

De vaders in de gemeente ontvangen in negatieve en in positieve zin een vermaning ten opzichte van de opvoeding hunner kinderen. Zij zijn immers de verantwoordelijke leiders in het gezin, maar wij mogen ook de moeders niet vergeten met hun rechten en hun vaak grote invloed. Het woord 'patéres' wordt ook wel voor beide ouders gebruikt, zoals in Hebreeën 11:23. De ouders mogen hun kinderen niet provoceren of irriteren, zodat deze toornig worden of verbitterd. Hun geest gaat zich dan verzetten tegen het ouderlijke gezag. Dit werkwoord dat door 'verbitteren', 'prikkelen' of 'tot verwekken van' is vertaald, komt slechts driemaal voor in het Nieuwe Testament, en wel in Romeinen 10:19, in onze tekst en in Colossenzen 3:21, waar de parallelle vermaning staat: 'Vaders, prikkelt uw kinderen niet, opdat zij niet moedeloos worden'. Dit kan gebeuren door negatieve opmerkingen, door kritiek, door minachting, door gebrek aan respect, door onverschilligheid, waarbij men het kind negeert of het de rug toedraait als teken dat men niet wenst te luisteren, en bovenal door gebrek aan schenkende ouderliefde.

Men kan de kinderen prikkelen door hen steeds de daden voor te houden, die zij in het verleden bedreven hebben, of door eindeloze 'goed bedoelde' overbodige vermaningen, die onnodig zijn, omdat het kind wel terdege weet dat het verkeerd deed. Vaak spruiten deze negatieve opmerkingen voort uit bezorgdheid van de ouder, dus wit een negatieve levenshouding, of uit angst voor de toekomst van het kind, ofwel uit een behoefte dat het kind zijn ongelijk tegenover de ouder erkent.

Vaders, zegt de apostel, werkt de boze niet in de hand, zodat deze zijn slag kan slaan. Wanneer ouders menen hun kinderen te moeten bestraffen, zullen zij er toch eerst zeker van behoren te zijn, dat zij zelf losstaan van de beïnvloeding der demonen. Wanneer een vader driftig wordt, te keer gaat of slaat, is hij niet gelijkvormig aan het beeld van zijn Heer, de Zoon des mensen. Dan heeft een macht hem te pakken en kan hij beter zelf eerst tot bezinning komen. Is hij in rust en staat hij onder leiding van de Heilige Geest, dan is hij ook in staat te vermanen en terecht te wijzen naar de wil des Heren. Het doel van alle vermaning is immers om bij het kind liefde tot God op te wekken, die voortkomt uit een rein hart, een goed geweten en een ongeveinsd geloof (1 Tim. 1:5).

Wie in zijn opvoeding geweld gebruikt, staat buiten het Koninkrijk Gods, want God haat alle geweld. Dit biedt slechts een schijnsucces, want men gebruikt een machtsmiddel dat de ongelovige ook hanteert. In het oude verbond waar men geen kennis van het Koninkrijk der hemelen had, leidde dit geweld soms tot steniging van de ongehoorzame zoon. Men had dan met de jongen ook de macht buiten spel gezet. Wie geweld gebruikt, staat niet onder leiding van de Heilige Geest. Ouders, gebruik je autoriteit niet op de verkeerde wijze, en tracht jezelf niet te handhaven, maar handel zo dat er geestelijk goede resultaten geboekt worden. Wie zich beroemt op het geweld, dat hij bij de opvoeding van zijn kinderen gebruikt, spreekt overeenkomstig de wijsheid van deze wereld: 'Dat is niet de wijsheid, die van boven komt, maar zij is aards, ongeestelijk, duivels' (Jac. 3:15). Van Jezus werd gezegd: 'Hij zal niet schreeuwen noch zijn stem verheffen, noch die op de straat - vanwege het bulderen binnenshuis - doen horen' (Jes. 42:2).

Maak eerst het kind los van de boze geesten, voordat je begint te vermanen en terecht te wijzen. Vaak is zwijgen, dat voortkomt uit een grote mate van zelfbeheersing 'goud'. Het woord 'tucht' komt van het werkwoord 'trekken', vergelijk 'tocht'. Het latijnse woord is 'ductio' dat leiding betekent. De tucht des Heren bestaat hierin, dat men tracht een kind weer op het goede pad te 'trekken' en het tot gehoorzaamheid aan zijn ouders en daarmee tot God te brengen. Een ongehoorzaam kind staat onder beïnvloeding van een verkeerde geest. Deze kun je er niet uitkrijgen door verwijten, door dreigen, door schreeuwen en door slaan. De tucht des Heren trekt een kind onder de macht weg en de terechtwijzingen brengen het weer op het rechte pad.

Het Griekse woord voor tucht is 'paideia', waarmee ons woord pedagoog in verband staat. De Statenvertaling heeft daarom: 'Voedt hen op in de lering en vermaning des Heren'. Als vaders zullen wij ons herinneren dat wij zelf eenmaal ook kinderen waren. Claim geen rechten voor jezelf, wanneer je niet tegelijkertijd duidelijk begrip en respect opbrengt voor de heilige rechten van je zoon of dochter op jouw liefde en barmhartigheid. Een kind is voor de ouder in zekere zin een deel van zichzelf, evenals dit het geval is bij de man ten opzichte van zijn vrouw. Daarom verzorgen vader en moeder hun kind met tederheid en liefde.

De autoriteit van de vader zoekt niet allereerst zijn eigen welbevinden, maar zij is hem een tijdsperiode geschonken om herderlijk toezicht te houden op een zich ontwikkelend mensenleven. Voed daarom uw kinderen op van goed naar beter! Doe dit in de discipline en vermaning van de Heer, dit wil zeggen met geestelijk inzicht en bezield met zijn liefde. Wie een goede God als Vader heeft, die alleen goed is en goed doet, moet zelf ook een goede vader zijn, 'die een iegelijk mildelijk geeft en niet verwijt' (Jac. 1:5 St. Vert.). Wanneer de bijbel ons leert dat God ons de zonde niet toerekent, zullen wij dit ook niet doen bij onze kinderen.

 

EfeziŽrs 6:5-7 


Slaven weest uw heren naar het vlees gehoorzaam met vreze en beven, in eenvoud uws harten, als aan Christus, niet met ogendienst, als mensenbehagers, maar door als slaven van Christus de wil Gods van harte te doen, en bereidwillig dienstbaar te zijn als aan de Here en niet aan mensen.

De derde categorie wordt door de slaven en hun meesters gevormd. Uit de vermaning kan men afleiden dat er heel wat slaven in Efeze moeten zijn geweest. In de grote steden in het bijzonder bestond soms meer dan de helft van de inwoners uit slaven. De slavernij was het grote maatschappelijke probleem in die tijd. Het valt ons dan wel op dat noch Jezus noch zijn apostelen veel woorden spraken of een daad verrichtten om de slaven vrij te krijgen. Het Koninkrijk van Jezus was nu eenmaal niet van deze aarde. In 1 Corinthiërs 7:21 merkt Paulus wel op: 'Zijt gij als slaaf geroepen, bekommer u daarover niet, maar als gij ook vrij kunt worden, maak er dan te meer gebruik van'. Het christendom zou als een zuurdesem moeten doorwerken, teneinde de mens naar geest, ziel en lichaam de vrijheid te verschaffen.

Het bestaan van de slavernij was in de antieke wereld heel gewoon. Men kon zich geen samenleving voorstellen zonder slaven. Ook de Joden kenden de slavernij. Bij hen werden krijgsgevangenen als slaven verkocht. Ook schuldenaren die niet aan hun verplichtingen voldaan hadden, geraakten soms met hun gezin in slavernij. Er waren natuurlijk verschillende soorten van slaven, vanaf de analfabeet die voor lichamelijke arbeid werd gebruikt tot de beschaafde en geleerde Griekse slaaf, die met zijn heren discussieerde en filosofeerde. Ook de pedagoog die de kinderen begeleidde, was een onvrije.

In het Nieuwe Testament is herhaaldelijk sprake van slaven. Denk alleen maar aan de gelijkenissen waarin zij voorkomen. Er wordt gesproken over het verkopen en folteren van slaven (Matth. 18:25,34). Er waren slaven als rentmeesters en als leiders van een huisbedrijf (Luc. 12:42 en 16:1). Zij droegen dan de naam van 'econoom'. Ook is er sprake van slaven die portier zijn of bewakingsdiensten verrichten (Matth. 24:45,46, Luc. 12:36,37 en Marc. 13:34). We kennen ook namen van slaven en slavinnen als Malchus, de slaaf van de hogepriester (Joh. 18:10) en van Rhóde, de slavin van Maria, de moeder van Johannes Marcus (Hand. 12:13) en van Onésimus, de slaaf van Philémon. We zien ook hoe in een christelijk gezin een meisje als Rhóde (Roosje) met het gezin meeleeft. Als Petrus aan de voordeur klopt, snelt ze heen om open te doen. Het meisje is al even blij met de bevrijding van de apostel als haar meesteres en haar vrienden. Een slaaf had geluk wanneer hij een christen tot meester had.

In een apologetisch geschrift dat in het klooster op de Sinaï gevonden werd, vindt men het leven van de christenen getekend. Over de slavernij wordt opgemerkt: 'Maar op grond van de liefde die zij hebben voor slaven en slavinnen en voor de kinderen van dezen die sommigen bezitten, onderwijzen zij dezen, opdat zij ook christenen worden. Wanneer ze dan christen zijn, worden ze broeder of zuster genoemd zonder enig verschil te maken'.

In de eerste christengemeenten waren vele slaven en slavinnen. Zo zijn in Romeinen 16 Amphátus, Tryféna en Tryfósa, Pérsis en Flégon hoogstwaarschijnlijk, aan hun namen te zien, slaven of slavinnen geweest. De heiden Celsus, een vijand van het christendom, merkt op dat de nieuwe godsdienst er een was van eenvoudigen, slaven, vrouwen en kinderen. Er waren ook wel aanzienlijken onder hen zoals de Handelingen vermelden: Lydia, Cornelius en de Aeropagiet Dionysius, maar uit de onbeholpen inscripties in de catacomben blijkt wel, dat het nieuwe geloof toch in het begin veel aanhangers vond onder de lagere volksklassen. Het christendom verklaarde de slaven gelijkgerechtigd met de vrijen. Ook zij waren koningen en priesters in de geestelijke wereld. Er was geen onderscheid meer: 'tussen Griek en Jood, besneden of onbesneden, barbaar en Scyth, slaaf en vrije, maar alles en in allen is Christus' (Col. 3:11). Dit hield evenwel niet in dat de slaven in de natuurlijke wereld uit hun ondergeschikte positie waren verlost. Zij bleven hun heren gehoorzaamheid verschuldigd, zoals zij in de geestelijke wereld 'met vreze en beven'- een in de septuaginta veel voorkomende uitdrukking - met eerbied en diep respect Christus gehoorzaamden (Fil. 2:12). In de oorspronkelijke tekst klinkt dat 'vreze en beven' beslist niet zo hard als het volgens de vertalingen wel kan lijken. Er wordt niets anders uitgedrukt dan innerlijke en uiterlijke achting, het erkennen van de hogere plaats van de heer en de daaraan beantwoordende eerbiedige houding. 'In eenvoud des harten 'betekent dat deze slaven naar de inwendige mens alleen geleid werden door de Geest Gods en niet door andere geesten, die hen deden gehoorzamen en zich aan hun heren deden onderwerpen met een bijoogmerk. Dit zou tekort doen aan de geestelijke status der christenen.

De slaven moesten dit alles doen om des Heren wil en niet om bij hun bazen in een goed blaadje te komen, of om er beter van te worden. Zij moesten hun heren gehoorzamen, omdat zij als christenen in de onzienlijke wereld God gehoorzaam waren en Hij het zo wilde. Zoals zij in de geestelijke wereld de wil van God deden en bereidwillig dienstbaar waren aan hun Heer, niet om door mensen te worden gezien, zo moesten ze ook in het natuurlijke leven de wil van hun patroon van harte en met goedwilligheid uitvoeren. Paulus keurt hiermee de slavernij niet goed en stelt ze ook niet voor als van God gewild, maar gaat van het principe uit dat hij in Romeinen 13:1 noemt, dat alle ziel zich vrijwillig zal onderwerpen aan de wereldgeesten, dus aan de ordenende menselijke geesten. God heeft deze structuur in zijn schepping gelegd, waarmee natuurlijk niet gezegd is, dat overheden, wereldgeesten en meesters de wil van God, het goede, welgevallige en volkomene ook beogen of najagen. Waar het christendom verscheen, drong niet alleen de emancipatie van de vrouw door, maar ook die van de slaven en arbeiders, want onderdrukking en vrijheidsberoving zijn zaken die niet door God zijn gewild.

In onze tijd betekenen de vermaningen van de apostel even zovele richtlijnen voor de werknemers ten opzichte van de werkgevers. Het is daarom betreurenswaardig dat ook christenen door geweld hun maatschappelijke positie willen verbeteren. Van de revolutiegeest kan gezegd worden: 'Zij, telg en moeder van onzaalge tirannij, ontvangen en gekweekt bij 't leugenlied van vrij'. In de voorspelde wetteloosheid in het laatste der dagen hebben arrogantie, onwellevendheid en gezagsondermijning de eerbied en het respect tegenover ouders, ouderen en meerderen verdrongen.

Wij zien overal dat het gezag wordt aangetast, ook in de gemeenten: 'De knaap zal op de oude, en de verachte op de geëerde losstormen' (Jes. 3:5). In deze gezagscrisis voeren gebrek aan beschaving en onwellevendheid met wetteloosheid de boventoon. Voor de ware christen geldt, dat hij bezadigd zal zijn, beschaafd, niet opvliegend maar vriendelijk (1 Tim. 3:2,3). Dan zal hij zich ook zonder enige stoornis kunnen onderwerpen aan het gezag dat God boven hem gesteld heeft.

 

EfeziŽrs 6:8 


Gij weet immers, dat een ieder, hetzij slaaf, hetzij vrije, al het goede, dat bijgedaan heeft, van de Here zal terugontvangen.

De christen, hetzij slaaf of heer, verzamelt zich schatten in de hemel en hij ontvangt daar voor zijn doen en laten op aarde, loon, namelijk het kleed der gerechtigheid dat beslissend is voor zijn eeuwige statuur als geestelijk wezen. Dit laatste wordt dan niet voor de slaaf als goedkope of banale compensatie voorgehouden vanwege zijn moeilijk leven op aarde, maar de beloning is reëel. Deze visie verandert hem immers innerlijk en geeft vrede, rust en blijdschap. De apostel stond er in dit opzicht niet beter voor als de slaaf. Hij kon schrijven: 'Indien wij alleen voor dit leven onze hoop op Christus gebouwd hebben, zijn wij de beklagenswaardigste van alle mensen' (1 Cor. 15:19). Ook schreef hij dat het lijden van de tegenwoordige tijd niet opweegt tegen de heerlijkheid die over ons zal worden geopenbaard (Rom. 8:18).

Een christen heeft geen minderwaardigheidsgevoel omdat hij minder verdient of een lagere positie bekleedt. Paulus werd dag aan dag door een engel van satan gekweld. Hij werd op zijn reizen zo vaak vernederd en geslagen, dat hij in vele dingen niet meer was dan een niets bezittende slaaf. Wát de christen, hetzij slaaf of heer, ook op aarde moet doen, hij doet dit alles ter ere Gods en hij toont in alles dat hij een dienstknecht van zijn Heer is. Indien wij ons even de tijd indenken toen onze brief werd geschreven, zien wij dat de laag geplaatste en geringe voor het eerst in de geschiedenis vernam, dat zijn beloning in de dag van het oordeel niet minder zou zij n dan die van zijn heer of van een voorname vorst of regeringspersoon. Bij een juiste plichtsgetrouwheid zou zijn loon zeer groot zijn in de hemelen!

 

EfeziŽrs 6:9 


En gij, heren, handelt evenzo jegens hen; laat het dreigen na. Gij weet immers, dat hun en uw Heer in de hemelen is, en bij Hem is geen aanzien des persoons.

Ook de meesters hebben dezelfde Heer als hun slaven. Aan de uitspraak: 'Want wie onrecht doet, zal zijn onrecht terug ontvangen, en er is geen aanzien des persoons' in Colossenzen 3:25 wordt nu toegevoegd: 'bij Hem'. Hiermee wordt Christus als grote rechter door de apostel aangewezen. Van de heren verlangt hij dat zij in hun gedragingen jegens hun slaven zich laten leiden door een christelijke gezindheid en waardigheid. Paulus wijst wellicht op een manier van leven die in bepaalde gezinnen in zwang is. De vriendelijke sfeer wordt telkens verstoord door de manier van spreken van de heer des huizes. Hij dreigt en wil dus zijn positie met geweld handhaven. Hij dwingt gehoorzaamheid of dienstbaarheid af door angst voor straf. Paulus wijst erop dat de christen in de voetsporen van zijn Meester moet wandelen. Deze dreigt niet en verwijt niet. Hij vraagt gehoorzaamheid op basis van vrijwilligheid en schenkt altijd mildelijk en verwijt niet. De gedachte dat wij een dreigende God zouden hebben en dat wij daarom de mens moeten oproepen tot bekering vanwege de angst voor een naderend oordeel, is niet overeenkomstig het evangelie van Jezus Christus. Deze boodschap berust alleen op het principe van de liefde. De dienstknecht en de patroon die christen zijn, hebben beiden dezelfde Heer en bij Hem is geen onderscheid in de geestelijke wereld. Sociale verschillen op aarde hebben voor Hem geen geldigheid. Alleen de innerlijke waarde van de mens geeft de verschillen aan.

Het christendom brengt een evangelie in de maatschappij dat berust op wederzijdse vriendelijkheid, liefde, zachtmoedigheid, welwillendheid, beleefdheid en zelfbeheersing. Indien wij acht geven op de goddelijke waarschuwingen, zullen wij zeer zorgvuldig zijn in de wijze waarop wij met elkaar omgaan. Daar is geen plaats voor grote monden, hardheid, lompheid, opstandige gedachten en voor bruut geweld, maar wel voor geestelijke 'vrijheid, gelijkheid en broederschap'.

 

EfeziŽrs 6:10 


Voorts, weest krachtig in de Here en in de sterkte zijner macht.

Na de uitweidingen over de gedragingen der christenen in het natuurlijke leven gaat nu de apostel over op hun positie en toerusting in de onzienlijke wereld. Zijn aanmoediging in deze tekst heeft vele eeuwen later menig christelijk gezin als wandtekst gestimuleerd om zijn sterkte bij de Heer te zoeken. Wie zijn lezers op aarde ook mochten zijn: mannen of vrouwen, ouders of kinderen, heren of knechten, allen zullen zij sterk behoren te zijn vanwege hun gemeenschap met de Heer. Daarom moet de christen zich niet gering of klein achten, niet overweldigd zijn door paniekgeesten, niet onderworpen zijn aan de inspiraties van demonen, maar onversaagd en dapper zijn, omdat hij zich veilig mag weten bij zijn 'Kurios'. Deze is immers niet de Heer van slappelingen, maar Hij is de Heer van de heren en de Koning van de koningen. Hij is de aanvoerder van de 'militia Christi', het leger van God. Zijn sterkte of zijn kracht ontleent de christen aan het woord van God dat hij in geloof bewaart, en aan de verbinding met de Heilige Geest die in hem woont.

Hij is 'in de Here', dat wil zeggen in diens mystiek lichaam, de gemeente. Hij is daarmee ook in de sterkte zijner macht, zodat hij vol vertrouwen is, dat Christus zijn beloften aan hem nakomt en Hij ook aan zijn volk kan realiseren al wat Hij Zich heeft voorgenomen te doen. De Heer is altijd de Sterkere en wie in Hem is, overwint de sterke tegenstanders.

Het is alsof de apostel hier een tekening van Gods volk wil geven, zowel in de zienlijke als in de onzienlijke wereld. Ze zijn in alle geledingen van het natuurlijke leven goede mannen en vrouwen, kinderen, heren en knechten. Ze zijn ook allen krachtige figuren, want naar de inwendige mens zijn ze zeker van hun zaak. Ze wankelen niet vanwege twijfelzieke vragen, zoals: zal God het wel doen? Ze zijn krachtig, want ze slepen geen bestaan voort, maar leven intensief Ze zijn in staat de duivel te weerstaan en hun medemensen te helpen. Ze zijn als bomen geplant aan waterstromen, die hun vruchten op tijd geven, en waarvan het loof niet verwelkt. Ze bidden niet of de Heer hen wil (af)breken, want ze blijven ongebroken takken in de Boom des Levens. In de strijd staan ze niet radeloos en machteloos de handen te wringen, schreeuwen niet vanwege hun driften, huilen niet sentimenteel vanuit de onzekerheid wat de duivel 'nu weer teweeg zal brengen', maar geloven vast dat God doet wat Hij belooft en dat het dan ook zichtbaar wordt. Ze weten zeker dat de Heer hen zal bewaren, zodat hun voet niet zal wankelen. Daarom heeft de boze geen vat op hen en kan de Heer zijn woord aan hen bevestigen.

Het vermanend gedeelte wordt dus door de apostel afgesloten met een oproep tot een harde strijd. De christen moet zich opstellen in de hemelse gewesten. Daar is de Here zijn banier en de Heilige Geest zijn kracht tot overwinning. Op deze wijze begint Paulus een perikoop, waarin hij zijn lezers duidelijk maakt, dat er georganiseerde aanvallen op hen worden gedaan door onzienlijke tegenstanders. Deze zullen het stille en geruste leven van de christen, dat hij zojuist in familieverband geschilderd heeft, aantasten. Het gave huwelijk van man en vrouw, de prettige omgang met gehoorzame kinderen en de vriendelijke verhouding tussen meester en slaaf zullen de onzichtbare vijanden trachten te verstoren. Het is daarom nodig dat een christen weet wie hij is 'in Christus': sterk, machtig en onoverwinnelijk, want de heerschappij over de tegenstander rust ook op zijn schouder.

 

EfeziŽrs 6:11 


Doet de wapenrusting Gods aan, om te kunnen standhouden tegen de verleidingen des duivels;

Om zich in de onzienlijke wereld te kunnen handhaven, moet men sterk zijn, niet in eigen kracht, maar 'in de sterkte zijner macht', dus door de kracht van de Heilige Geest. In de wereld der geesten moeten wij beschermd worden maar ook zelf zijn gewapend, want behalve onze Verlosser, Helper en Redder en de heilige engelen, hebben wij daar ook vele vijanden, die het erom te doen is ons te doen struikelen, te laten vallen, te beschadigen en uit te schakelen. De tegenstanders van God zijn daar ook onze vijanden, en wij zullen niet alleen zijn medearbeiders maar ook zijn medestrijders moeten zijn.

De middelen die de vijand in eerste instantie aanwendt, zijn verleiding, list en bedrog. 'Verleiding' richt zich op de geest van de mens door middel van leugen, en op zijn ziel door verkeerde begeerten op te wekken. Wij zouden met de vertaling Brouwer in verband met het woord 'wapenrusting' kunnen spreken van 'krijgslisten' in plaats van 'verleidingen'. Krijgslisten, die de tegenstander vanaf het begin heeft gebruikt om de mens in zijn macht te krijgen. Zo kan de duivel verschillende gestalten aannemen. Hij gaat rond als een brullende leeuw om te intimideren, maar nadert ook als een schuifelende, giftige slang om te verleiden, en komt ook tot de christen als een wolf in schapevacht om hem te bedriegen, ofwel als een engel des lichts om zich door enkele vriendelijke trekken acceptabel te maken.

Er is een strijd in de hemelse gewesten. Wij mogen en kunnen dus niet zeggen: Jezus heeft de overwinning behaald en nu behoeven wij niet meer te vechten. De Heer zelf sprak immers tot de gelovigen dat zij duivelen zouden uitdrijven en Hij gaf hun daartoe ook macht, gezag en kracht. In onze tekst roept de apostel ons op 'de wapenrusting Gods' aan te doen. Hij immers bekleedt Zichzelf met gerechtigheid als een pantser en heeft de helm des heils op het hoofd. Hij bekleedt Zich met wraak als met een gewaad om zijn duistere tegenstanders te verdoen, en Hij hult Zich in ijver als in een mantel (Jes. 59:17). Maar God heeft de mens nodig om medestrijder te zijn en de vijand te verslaan. Niet omdat Hijzelf niet bij machte zou zijn om zijn tegenstanders in één moment op te ruimen, maar om aan te tonen dat zijn schepping zo goed is, dat zij in zich de kracht tot overwinning en herstel heeft. De mens die eenmaal viel, is door Hem bestemd het oordeel tussen goed en kwaad, licht en duisternis, tot overwinning te brengen.

'De gehele wapenrusting' zoals de Statenvertaling luidt en vroeger ook de Nieuwe Vertaling had, was bij de Grieken de 'volle uitrusting' (panoplia) van de zwaar gewapende: schild, helm, borstharnas, scheenplaten, zwaard of lans. Dit zijn nu de beelden die Paulus transponeert naar de hemelse gewesten. De tegenstander daar wordt duidelijk aangewezen. Hij is de duivel, de 'diabolos', de lasteraar of de aanklager van de volgelingen van zijn grote Tegenstander, Christus. Wij wijzen erop dat het woord 'diabolos' eveneens voorkomt in 1 Timótheüs 3:11, waar de vrouwen worden gewaarschuwd, geen 'kwaadspreeksters' te zijn (zie verder ook in 2 Tim. 3:3 en Titus 2:3). Kwaad spreken is dus iets diabolisch of duivels.

De duivel is de grootste van alle gevallen engelen, want hij getuigt onder meer, als verzoeker van Jezus, dat alle koninkrijken der wereld hem toebehoren en dat hij deze kan wegschenken aan wie hij wil. Hij wordt ook 'de overste dezer wereld' genoemd (Luc. 4:5-8, joh. 14:30 en 16:11). Ook staat in Openbaring 12:9 dat de grote draak op aarde werd geworpen. Zijn wisselende benamingen zijn daar: de oude slang, die genaamd wordt duivel en de satan, die de gehele wereld verleidt. Het is uit onze tekst en uit de volgende verzen wel duidelijk dat Christus na zijn verhoging de strijd aan ons overlaat. Hij wacht af, totdat zijn vijanden door ons gemaakt worden tot een voetbank voor zijn voeten (Hebr. 10:13). De uiteindelijke zegepraal staat voor de soldaat van de hemelse armee vast, want 'de God nu des vredes zal weldra de satan onder uw voeten vertreden' (Rom. 16:20).

 

EfeziŽrs 6:12 


want wij hebben niet te worstelen tegen bloed en vlees, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers dezer duisternis, tegen de boze geesten in de hemelse gewesten.

'Wij strijden in het leger Gods, niet tegen vlees en bloed!' Een ontzaglijke Paulinische uitspraak, waardoor het leven van de waarlijk geestelijke mens getypeerd wordt. Hier begint de geweldige vernieuwing van denken bij de christen. Zij is een voortzetting van de opdracht van onze Heer aan al zijn volgelingen om onreine geesten uit te drijven en alle ziekte en alle kwaal te genezen (Matth. 10:1). Ook vandaag aan de dag is de opmerking die aan dit bevel voorafgaat, waar: 'De oogst is wel groot, maar arbeiders zijn er weinig. Bidt daarom de Heer van de oogst, dat Hij arbeiders uitzende in zijn oogst'.

Bij de val van de mens drongen de onzichtbare invasielegers binnen: eerst de leugenmachten die de woorden van God verdraaien door te zeggen: is het ook dat God iets anders heeft gezegd? Wie niet voldoende verweer bezit, wordt vroeg of laat door deze leugenaars misleid, en zijn geest, de drager van de wet van God, wordt aangetast. Daarna volgt de afdeling van zondemachten, van wie de bijbel zegt dat zij scheiding veroorzaken tussen God en de mens en deze geestelijk doden. Vervolgens zien we de cohorten ziektemachten, die hun slachtoffers naar de natuurlijke dood voeren.

Bij het werkwoord 'worstelen' denken wij niet aan de rechtstreekse betekenis ervan, want dat past niet bij het begrip van een wapenrusting. We gebruiken het evenwel in overdrachtelijke zin voor een ingespannen, persoonlijke strijd. De gelovige is een soldaat van Jezus Christus en hij strijdt als een kampvechter tegen de machten der duisternis (2 Tim. 2:3-5). Van zichzelf zei de apostel aan het einde van zijn leven: 'Ik heb de goede strijd gestreden' (2 Tim. 4:7). Ook wij hebben de opdracht om onze leden te stellen als 'wapenen' der gerechtigheid in dienst van God (Rom. 6:13). De nacht is immers ver gevorderd en de dag is nabij. In dit nieuwe tijdperk doen wij dan 'de wapenen des lichts' aan (Rom. 13:12). Wij gaan in deze strijd weer de wijze van oorlogvoering tussen heiligen in het licht en de onzienlijke rebellen die zich tegen God gekeerd hebben, verstaan. Wij hebben geen strijd tegen 'bloed en vlees', een uitdrukking die wij meestal omkeren. In onze tekst en in Hebreeën 2:14 lijkt ons 'bloed en vlees' de aanduiding van de levende mens naar zijn onzichtbaar en zichtbaar bestaan, terwijl de uitdrukking 'vlees en bloed' in Mattheüs 16:17, 1 Corinthiërs 15:50 en Galaten 1:16 meer ziet op de onderlinge relaties tussen de natuurlijke mensen. De apostel zegt hier, dat wij niet met de natuurlijke mensen een conflict hebben, maar in een permanente strijd met de boze geesten zijn gewikkeld, omdat zij degenen zijn die verleiden, verleugenen, pressen en verzieken.

Zijn er dan geen ménsen die ons willen verleiden of door leugens ons tot dwaling willen brengen, of die het ons moeilijk maken? Die zijn er, maar ze zijn slechts instrumenten door wie de duivel werkt. Dat het instrument een slecht geluid voortbrengt, is te wijten aan hem die erop speelt. De boze doet zijn werk rechtstreeks door inspiraties en onderdrukking, of hij gebruikt mensen als zijn medearbeiders. Ook bedient hij zich van levenloze dingen zoals boeken, platen of films. Deze kunnen alle media zijn van boze geesten, evenals sterke drank, nicotine en andere verslavende genotsmiddelen. Onze Heer kan evenwel ook gebruik maken van boeken, platen of cassettes teneinde van Hem te getuigen en zijn evangelie in de wereld te brengen. De efficiënte bestrijding van alle kwaad vindt echter alleen in de geestelijke wereld plaats bij zijn oorsprong. Daar staat het leger van Jezus Christus gevormd door zijn ware volgelingen met de heilige engelen, tegenover de legermacht van de satan.

Diep moet de overtuiging in het hart van de gelovige leven, dat hij nooit te kampen heeft met moeilijke mensen, moeilijke buren, een moeilijke werkgever of moeilijke werknemer, een moeilijke man of moeilijke vrouw of een moeilijk kind, maar altijd met machten der duisternis die zulke mensen misbruiken om het hem moeilijk te maken. Er zijn voor ons geen menselijke tegenstanders en wij kampen niet tegen bloed en vlees, ook niet tegen ons eigen bloed en vlees, niet tegen ons eigen ik, maar tegen de duivel en daarom bidden wij: 'Verlos ons van de boze', en niet van ons zelf!

In de bijbelverklaring van Dächsel lazen wij bij onze tekst: 'Als Paulus schrijft: wij hebben de strijd niet tegen vlees en bloed, bedoelt hij niet eigen vlees en bloed. In dat geval zou een geheel andere en wel ómgekeerde tegenstelling volgen, dat onze werkelijke vijand buiten ons is'. Wel een spitsvondige redenering en een verdraaiing van de woorden van de apostel.

Alle eeuwen na Augustinus heeft men geleerd dat de zonde haar bron zou hebben in eigen vlees, en dat men de strijd moet aanbinden tegen zichzelf. Het 'ik' moest gedood en het vlees gekruisigd worden. De 'vrome' mens werd agressief tegen zichzelf, iets zo tegennatuurlijks dat men dit zelfs in de dierenwereld niet terugvindt. De Schrift gaat er evenwel zeer zeker vanuit dat de vijand buiten de mens is of in hem huist, als hij met geweld binnengedrongen is. Daarom moeten wij gered worden van onze vijanden en uit de hand van allen die ons haten, teneinde zonder vreze, uit de hand der vijanden verlost, Hem te dienen in heiligheid en gerechtigheid voor zijn aangezicht, al onze dagen (Luc. 1:71-75).

Wij gebruiken ook geen wapenen van natuurlijk geweld, maar de wapenen van het licht of de wapenen der gerechtigheid (Rom. 13:12, 2 Cor. 6:7).

Het leger van de vijand is georganiseerd in allerlei rangen en standen. Er zijn 'archas', overheden of grootvorsten van het koninkrijk van satan. Wij mogen evenwel zeker weten dat onze Heer sterker is, want Hij is het hoofd van alle overheid en macht en zijn volheid woont in ons (Col. 2:10). Wij zouden deze vijandelijke overheden in hun rang kunnen vergelijken met de heilige aartsengelen of 'arch' angels.

De tweede groep wordt gevormd door de 'machten of autoriteiten, die hun gezag ontlenen aan de eerstgenoemde aanvoerders en hun bevelen uitvoeren. Zij manifesteren zich in alle ellende, noden, verdrukkingen en dood die over de mensen kunnen komen. Zie verder de aantekeningen bij hoofdstuk 3:21.

De derde groep draagt de naam 'kosmo-kratoo', de wereldbeheersers van deze duisternis, die dus over volken en landen heerschappij uitoefenen. Wij denken bijvoorbeeld aan 'de vorst der Perzen' en 'de vorst van Griekenland' in Daniël 10:20. Deze engelen der volken staan in het bijzonder vijandig tegenover de wereldgeesten, de samenbundeling van menselijke geesten die gezag, orde en wetmatigheid op aarde willen bewaren. In het visioen van Daniël over de toekomst van het Israël Gods zien wij, hoe de aartsengel Michaël te hulp moet snellen om het wetteloze oorlogsgeweld der wereldbeheersers te keren. Vandaar ook het vermaan in 1 Timótheüs 2:12 om voorbeden te doen voor koningen en alle hooggeplaatste personen, opdat wij een stil en rustig leven mogen leiden. De titel 'wereldbeheersers' was in de antieke wereld een predikaat van de goden en daarom voegt Paulus er veelbetekenend aan toe van de duisternis'. Ze zijn weer ondergeschikt aan 'de overste dezer wereld' of 'de god van deze eeuw' of van de wereld-tijd (2 Cor. 4:4). Zie verder de aantekeningen bij hoofdstuk 2:2. De Statenvertaling spreekt over 'de geweldhebbers der wereld der duisternis dezer eeuw. Ze zijn dus sterk en talrijk en regeren met harde hand, dus met anti-goddelijke kracht. Wij zouden op nieuwtestamentische wijze van de wereld van de voortijd kunnen zeggen: 'Door hun toedoen was de aarde vol geweldenarij' (Gen. 6:13).

Het is wel naïef wanneer de bekende bijbelverklaring van Matthew Henry bij onze tekst opmerkt: 'Ze regeren nu in de heidense volken, die nog in duisternis zijn'. Juist van de antichristen die van óns uitgegaan zijn, wordt gezegd, dat zij werken met 'allerlei krachten, tekenen en bedrieglijke wonderen'.

Tenslotte eindigt Paulus zijn opsomming met de 'pneumatika ponerias', de geestelijke goddeloosheid, terecht weergegeven door de boze geesten in de hemelse gewesten. Zij zijn de ontelbare legerscharen van het rijk der duisternis, de lagere engelen die het mindere werk uitvoeren. Jezus zelf heeft tegen deze geesten van het kwaad gestreden en heeft ze voor het eerst in de geschiedenis der mensheid openbaar gemaakt als de aanstichters van alle ziekte, zonde en ellende. Hij heeft ze ten toon gesteld, dus aangetoond wie ze werkelijk zijn en wat ze bedoelen en hoe ze werken. Hij gaf ook de methode aan om ze te weerstaan, te overwinnen en zelfs uit te drijven door het woord en de kracht van de Heilige Geest.

In Colossenzen 2:15 staat dat de overheden en machten ontwapend werden. Hun wapenen zijn hun beschuldigingen en verwijten. Door de vergiffenis van onze zonden zijn deze wapenen hun ontnomen. De geestenwereld vindt haar plaats in de niet zintuiglijk waarneembare schepping. Voor de betekenis van 'hemelse gewesten' verwijzen we naar de aantekeningen bij hoofdstuk 1:3.

 

EfeziŽrs 6:13 


Neemt daarom de wapenrusting Gods, om weerstand te kunnen bieden in de boze dagen om, uw taak geheel vervuld hebbende, stand te houden.

Als christen moet men de gehele of de volledige wapenrusting Gods aandoen. Met slechts een deel ervan kan men in de hemelse gewesten niet toe. Men is dan niet in staat om in de boze dag tegenstand te kunnen bieden. Deze kwade tijdsperiode is er, wanneer de boze geesten de christen willen verleugenen, verleiden, pressen of ziek willen maken. Onder deze machten zijn ook de geweldgeesten, die de grote verscheidenheid der demonen tot steeds grotere krachtsinspanningen aanzetten. Zij kunnen ook angstaanjagende tijdsomstandigheden veroorzaken. De christen zal weerstand moeten bieden aan deze duistere, onzichtbare vijanden.

In het leven van iedere gelovige komen menigmaal bijzonder zware tijden voor. Jezus sprak bij de ingang van zijn lijden tot de schare overpriesters, hoofdlieden van de tempel en oudsten, 'die op Hem waren afgekomen' en die werden geïnspireerd en geleid door de overheden van het koninkrijk van satan: 'Maar dit is uw ure en de macht der duisternis' (Luc. 22:52,53).

Zo spreekt ook Openbaring 3:10 overeen 'ure der verzoeking, die over de gehele wereld komen zal'. Wij merken op dat er in ons denken geen sprake mag zijn van lijdelijkheid, van een 'laissez faire, laissez passer', dat is een laten begaan, een maar berusten in zijn lot, omdat verzet toch niet zou helpen. Het ware christendom kent geen fatalisme, geen houding van maar afwachten; het is niet op genade of ongenade aan de boze geesten overgeleverd, maar het is actief om zich te verdedigen tegen 'de loop dezer wereld' en tegen 'de macht der lucht' (2:2). Vanwege het feit dat wij zoveel tegenstanders in de geestelijke wereld hebben, 'daarom' moeten wij toegerust of bekleed zijn met Gods wapenrusting, die wij in zijn hemels arsenaal kunnen verkrijgen, teneinde ons onoverwinnelijk te maken.

'Standhouden' is het kern-antwoord in deze passage: volharden in de strijd tegen de verleidingen des duivels (vers 11) en opnieuw standhouden, nadat wij onze taak hebben verricht, dus nadat wij het evangelie hebben verkondigd, de gemeente hebben helpen opbouwen, en in de wereld hebben getuigd van Jezus Christus door ons woord en onze daad. Het volgende vers herhaalt dan nog eens: 'Stelt u dan op', wat ook weergegeven kan worden door 'houdt stand' (vert. Brouwer). Standhouden is een militaire uitdrukking, waarmee men bedoelt dat een leger na de zegepraal op de vijand, gereed is om opnieuw te strijden.

In het vorige vers constateerden wij dat alle boze geesten in de hemelse gewesten van hoog tot laag ons bedreigen. Wij moeten dus 'weerstand bieden' aan alle aanvallen en bekwaam zijn om alle brandende pijlen' te kunnen doven. Weerstand bieden betekent: weigeren voor de vijand te bukken. 'Biedt weerstand aan de duivel, en hij zal van u vlieden' staat in Jacobus 4:7. Wie achterwaarts wijkt, geeft de boze gelegenheid om terrein te winnen en wij behoren juist hem terug te drijven. Aan allen die staande bleven, schreef de apostel: 'Gij hebt hen overwonnen; want Hij, die in u is, is meerder dan die in de wereld is' (1 Joh. 4:4).

Voor vele christenen is het jammer genoeg een onwezenlijke gedachte, dat zij tegenover krijgslieden staan en tegenover gecoördineerde duivelse divisies uit een onzienlijk rijk. Deze vijandelijke troepen zien hen wel, maar hun natuurlijke ogen zijn blind en hun oren zijn doof. Zij merken alleen de dingen uit de zichtbare wereld op. Het is daarom opvallend dat in het Oude Testament in schaduwen gesproken wordt over 'de oorlogen des Heren'. Wij behoeven deze krijgsgeschiedenissen slechts te transponeren naar de hemelse gewesten, teneinde inzicht te verkrijgen in de realiteiten van een heilige oorlog en om te kunnen zingen: 'Voorwaarts, christenstrijders, drukt uws Konings spoor'.

 

EfeziŽrs 6:14 


Stelt u dan op, uw lendenen omgord met de waarheid, bekleed met het pantser der gerechtigheid,

Nu beschrijft de apostel de onderdelen van de geestelijke wapenrusting die wij moeten aandoen. Deze is niet van onszelf, maar God schenkt ze ons; en in de tijd van nood en van de verzoeking zal blijken, dat ze tegen iedere aanval van de vijand bestand is. We kunnen bij de onderdelen van de wapenrusting opmerken dat zij hoofdzakelijk defensief zijn. Alleen het zwaard des Geestes kan zowel in de verdediging als in de aanval worden gebruikt.

De helm kon verschillende vormen hebben en hij was in reliëf met vele figuren versierd. De lederen gordel om de heupen diende om de wapenrusting dicht tegen het lichaam te drukken en dolk, zwaard of bijl eraan te bevestigen. Het pantser bedekte de borst en de rug en beschermde de vitale organen. Deze bedekking reikte tot aan de benen. De laarzen waren bedoeld om de voeten en de voorzijde der benen te beschermen. Ook beveiligden ze de krijgsman tegen rotspunten en doornen.

Van Goliath staat in 1 Samuël 17:5,6 dat hij een koperen helm op het hoofd had, dat hij bekleed was met een geschubd pantser en koperen scheenplaten aan zijn benen had. Het schild beveiligde het lichaam tegen de toegebrachte zwaardslagen en tegen de afgeschoten pijlen. Het zwaard diende om de vijand te verwonden, te doden of tot overgave te dwingen.

Allereerst gaat het in deze beeldspraak over de gordel der waarheid en het borstwapen der gerechtigheid. Dit ziet op een strijd tegen de leugen- en de zondemachten. Wanneer onze lendenen met de waarheid omgord zijn, wil dit zeggen dat wij de waarheid Gods tegen ons aandrukken, er één mee zijn en haar goed vasthouden, zodat wij niet op dwaalwegen terecht komen. De ware en getrouwe woorden Gods die wij in de kamp tegen de onzienlijke vijand op onze lippen nemen, maken onze posities vast in de hemelse gewesten. Met de waarheid die wij belijden 'stellen wij ons op' of 'gaan wij staan' (St. Vert.) teneinde ons actief te kunnen verdedigen.

Door vele christenen wordt dikwijls meer waarde gehecht aan hun gerechtigheid en hun zuiverheid van levenswandel, dan aan de waarheid van de woorden Gods. Het is trouwens gemakkelijker te onderscheiden of iemand wel of niet in de gerechtigheid leeft, dan te onderkennen of hij in de waarheid staat of dat hij dwalingen aanhangt. In de oorlog tegen de machten der duisternis zijn waarheid en gerechtigheid beide onmisbare verdedigingsmiddelen. Ze zijn 'wapenen des lichts' en 'wapenen der gerechtigheid' (Rom. 13:12 en 2 Cor. 6:7).

Daarom zien wij nauwlettend toe dat wij niet in valse leringen verstrikt raken en dat wij deze niet tolereren, maar ook dat wij een zuiver en onbevlekt leven leiden. In Jesaja 11:5 staat van Christus, dat de gerechtigheid de gordel zijner lendenen is en de trouw de gordel zijner heupen. Deze gordel moeten wij ook bezitten. De Heer sprak: 'Laat uw lendenen omgord zijn', zoals dit bij Hem het geval was (Luc. 12:3 5).

De gerechtigheid ontvangen wij als een pantser door het geloof in de zoenverdienste van Jezus Christus, en wij kunnen haar alleen behouden door ons onder leiding van de Heilige Geest te stellen. De gerechtigheid wordt vergeleken met een harnas, omdat zij ons beschermt tegen de beschuldigingen en aanklachten van de boze. Wanneer deze zegt: 'je bent een zondaar', antwoorden wij: 'Ik ben een rechtvaardige, want mijn Heer heeft op het kruis mijn zonden weggenomen'. Dit belijden kan de vijand nooit aantasten, omdat hem geen genade wordt bewezen en hij deze dus ook niet begrijpt. Van de overwinnaars in de geestelijke strijd wordt gezegd: 'En zij hebben hem overwonnen door het bloed van het Lam en door het woord van hun getuigenis' of belijdenis (Openb. 12:11).

Het gevoel van onwaardigheid, het bewust zijn van zonde, de voortdurende confrontatie met een kwaad geweten, maken de christen volstrekt onbekwaam tot de strijd tegen de boze geesten. Ons borstharnas is de gerechtigheid des geloofs en wij willen hieruit ook eeuwig leven in gemeenschap met God door de Heilige Geest. De zekerheid van onze gerechtigheid maakt ons sterk om de ongerechtigheid van de boze geesten te weerstaan. Wij willen daarom geen enkel contact met de demonen onderhouden, opdat de boze in ons niets zal vinden.

 

EfeziŽrs 6:15 


de voeten geschoeid met de bereidvaardigheid van het evangelie des vredes,

Wanneer iemand zware 'soldaten-kistjes' aandoet, betekent dit dat hij erop uittrekt voor een grote tocht. Om in de heilsarmee te kunnen marcheren, zijn de schoenen symbool van de bereidheid het evangelie overal te verkondigen. De prediker komt ook in kringen waar men de boodschap van het volle evangelie niet kent. Wanneer hij dan met buitenstaanders kennis maakt, zal hij de vredegroet uitspreken, en indien zij het waard zijn, komt de goddelijke vrede over hen (Matth. 10:12,13). Ook komt hij in kringen waar men een ander evangelie aanhangt, dat geen volle evangelie is en geen vrede brengt. Zo bewerkt de woordverkondiging van de oudtestamentische wet en het vasthouden aan de tegenstellingen tussen Jood en niet-Jood geen vrede, maar spanningen en onvrede.

De ware christen is altijd geschoeid met bereidwilligheid, want hij trekt dapper en moedig en zingend verder met het lied: 'Voorwaarts, voorwaarts, in 't geloof aan God', teneinde over te gaan tot de aanval op de linies van de vijand. Hij wil immers te allen tijde getuigen van zijn Heer, en het evangelie des vredes doorgeven en verder brengen. Zijn wapenen dienen alleen tot vrede voor de mensen. Onder zijn zware laarzen wordt evenwel de oude slang vertreden, en deze heeft geen kracht om zo'n dienstknecht verder het voortgaan te verhinderen door hem in de hiel te bijten.

leder christen behoort in zijn hart een zendeling of evangelist te zijn. Daarom vloeien ook in de gemeente zending en evangelisatie voort uit prediking van het woord. De leden zijn geworteld in de liefde tot het evangelie des vredes, omdat ieder die deze boodschap aanvaard heeft, ervaren zal dat zijn levensstoornissen verdwijnen om plaats te maken voor een diepe vreugde en innerlijke harmonie. Dit evangelie des vredes verkondigt de menigerlei genade Gods, die 'uw krankheen kent en liefderijk geneest; die van 't verderf uw leven wil verschonen, met goedheid en barmhartigheen u kronen, die in de nood uw redder is geweest' (Ps. 103:2 berijmd). Dit evangelie neemt de scheiding weg tussen God en de mens en ook de vijandschap tussen de mensen onderling.

Wanneer de Heer zijn discipelen uitzendt, behoeven ze geen brood mee te nemen, geen reiszak, geen geld in de gordel, maar ze hebben wel een reisstaf bij zich en dragen wel sandalen aan de voeten (Marc. 6:8,9). Ziende op dit 'evangelie der heerlijkheid van Christus' sprak de profeet: 'Hoe liefelijk zijn op de bergen de voeten van de vreugdebode, die vrede aankondigt, die goede boodschap brengt, die heil verkondigt' (Jes. 52:7). Het gebod is: 'Gaat heen in de gehele wereld, verkondigt het evangelie aan de ganse schepping' (Marc. 16:15). Het resultaat wordt zichtbaar in bevrijde en genezen mensen, die door het evangelie des vredes aangeraakt werden tot herstel.

Bij de uitrusting tot de heilige oorlog is er niets méér noodzakelijk en niets méér effectief dan deze vrede die het verstand te boven gaat. De wetteloze, twistzieke, roofzuchtige, wrede demonen deinzen terug voor 'de voeten die gericht zijn op de weg des vredes' (Luc. 1:79). Daarom is een brenger van het evangelie des vredes niet twistziek, niet spoedig geïrriteerd, niet door enige tegenstander gekwetst of gegriefd, maar hij betoont vriendelijkheid, lankmoedigheid, verdraagzaamheid, opgeruimdheid, innerlijke beschaving en rust aan alle mensen.

 

EfeziŽrs 6:16 


neemt bij dit alles het schild des geloofs ter hand, waarmede ,gij al de brandende pijlen van de boze zult kunnen doven;

Onmisbaar voor elke soldaat was het grote schild, dat ongeveer het gehele lichaam beschermde. In de geestelijke strijd hanteren wij het schild des geloofs, want zonder geloof kan niemand God behagen en kan Hij ons dus niet gebruiken voor het oorlogsfront in de hemelse gewesten. Zonder geloof is er trouwens ook geen gerechtigheid, geen kennis van de volle waarheid, dat is de waarheid zowel in de zienlijke als in de onzienlijke wereld, en geen vertrouwen dat de verkondiging van het evangelie enig effect zal hebben. De prediker verwacht dan zelf niet meer dat er nog iets zal gaan gebeuren door zijn woordverkondiging.

Wanneer de boze zijn beschuldigingen, zijn aanklachten, zijn leugens op ons afvuurt om ons te verwonden, te kleineren, te kwetsen, te deprimeren en zo mogelijk te elimineren of weg te drukken, verbergen wij ons achter het schild des geloofs. Wij vertrouwen op de woorden Gods, die beloften van verzoening, vergeving van zonden, opbouw en groei, kracht en heerlijkheid bevatten. Het geloof in Gods woord is dus zo een verdedigingswapen waarachter de gehele mens schuiling vindt.

Brandende pijlen waren met teer bestreken of met licht ontbrandbare stoffen zoals hennep, omwonden. De pijlen werden vóór het afschieten in brand gestoken. zodat ze dubbel verderf zouden aanrichten en paniek verwekken. De schilden van de tegenpartij werden met natte huiden of met licht metaal bekleed om de vurige pijlen te kunnen doven. Zo beschermt het geloof niet alleen tegen deze pijlen, maar dooft ze ook, ontneemt hun de kracht.

Het geloof is de zekerheid van de dingen die we hopen op grond van de beloften en toezeggingen van God. Het is een bewijs van de dingen die wij niet zien, dus van het bestaan van de wereld der geesten met haar strijd, haar krachtsopenbaringen, haar licht maar ook haar duisternis. De apostel schreef. 'Dit is de overwinning, die de wereld overwonnen heeft: ons geloof' (1 Joh. 5:4).

Bij de wapenrusting Gods horen geen natuurlijke strijdmiddelen. Wij missen er de dreigende taal, de grimmige instelling, de harde stem, de scheldpartij, de slaande hand en de zinneloze driftbuien. Het heerleger van God trekt immers op in witte gewaden en op witte paarden, beeld van de gerechtigheid van een christen en van de kracht van de Heilige Geest door wie hij de overwinning behaalt.

 

EfeziŽrs 6:17 


en neemt de helm des heils aan en het zwaard des Geestes, dat is het woord van God.

Er is een helm des heils welke God aanbiedt en die de gelovige aanvaardt en op het hoofd drukt. Hij omsluit het centrum van het gedachtenleven, dat in de onzienlijke wereld zo menigmaal wordt aangevallen. De hemel is verre van een oord van vrede en rust zoals de ouden meenden, maar er wordt eerst een strijd op leven en dood gevoerd met de machten der duisternis. Het vernieuwde denken verwacht alleen redding, bevrijding en heil na een scheiding van de wetteloze geesten. Op dit van hen afgezonderd en bevrijd zijn, volgt heil dat is heling of herstel. Vanuit een volkomen nieuwe denkwereld worden bij de christen de infiltraties der demonen geweerd en hierdoor verwerft hij zijn behoud of zaligheid. Wie de aangereikte helm grijpt, krijgt positieve gedachten die hem met een blijde hoop vervullen. Zo'n christen houdt zich niet bezig met een 'doemdenken', dat is met onheilsgedachten aangaande de toekomst, want hij heeft 'de helm van de hóóp der zaligheid', dit wil zeggen dat hij nimmer de moed opgeeft, maar dat hij vertrouwt op de overwinning (1 Thess. 5:8). Hij verdiept zich daarom in alles wat het Koninkrijk Gods betreft, dat hem vrede, gerechtigheid en blijdschap waarborgt. Wie grote verwachtingen van een heerlijke toekomst, van uitredding en herstel in zich heeft, verliest niet spoedig zijn bezinning of tegenwoordigheid van geest of helderheid van oordeel.

Ongetwijfeld heeft de apostel het beeld van de helm ontleend aan Jesaja 59:17, waar staat dat de Here zelf Zich bekleedde met gerechtigheid als met een pantser en dat de helm des heils op zijn hoofd was. Jesaja gaat dan verder met erop te wijzen dat God op deze wijze wraak en vergelding op zijn tegenstanders, de boze geesten, neemt.

Een zuiver gedachtenleven houdt het zieleleven vrij van slechte infiltraties en van verleidingen, maar ook van het denken over de zorgvuldigheden van het natuurlijke leven, dat de christen uit de heilige sfeer van het rijk Gods wegtrekt. Wie opgaat in beuzelachtige gesprekken van vleselijk gezinde christenen, wordt niet vervuld met de Geest van God. Hij wordt dan gevangen gehouden in het spinneweb van ijdele gedachten, die de conversatie van ongeestelijke mensen kenmerken.

Tegenover het zwaard van de misleider staat het zwaard des Geestes, dat is het woord van God dat uitgesproken werd door mannen, die door de Heilige Geest werden gedreven. Met dit zwaard wordt een scheiding teweeg gebracht tussen goed en kwaad, tussen waarheid en leugen. Dit tweesnijdende zwaard dringt zo diep door, dat het in de christen het zieleleven vaneen scheidt en reinigt van de beïnvloedingen der boze geesten (Hebr. 4:12). De leugen wordt door het woord van God veroordeeld en overwonnen, terwijl de waarheid er door aan het licht wordt gebracht. Het vasthouden aan de waarheid maakt immers de mens vrij van de overheersing der boze geesten. De leugen en de ongerechtigheid trachten evenwel de waarheid ten onder te houden (Rom. 1:18). Zijn zij verwijderd, dan komt het Koninkrijk Gods in de mens te voorschijn.

De bepaling 'dat is het woord van God' behoort niet alleen bij het zwaard des Geestes maar ook bij de helm des heils, want de gedachten van heling berusten op het woord van God en worden geïnspireerd door de Heilige Geest. ' Onze Heer hanteert zelf ook het zwaard des Geestes. In de Openbaring wijst Johannes hier meerdere malen op: 'Uit zijn mond kwam een tweesnijdend scherp zwaard'; 'dit zegt Hij, die het tweesnijdende scherpe zwaard heeft'; 'en uit zijn mond komt een scherp zwaard, om daarmee de heidenen te slaan'; 'en de overigen werden gedood met het zwaard, dat kwam uit de mond van Hem, die op het paard zat' (Openb. 1:16; 2:12; 19:15,21). Ook weerstond onze Heer met het zwaard des Geestes de verzoeker, toen Hij sprak: 'Er staat geschreven' en 'er staat wederom geschreven'. Op deze wijze is ook de soldaat in de heilsarmee van Jezus in staat om evenals zijn Leider zich te weren tegen de boze geesten in de hemelse gewesten.

 

EfeziŽrs 6:18 


En bidt daarbij met aanhoudend bidden en smeken bij elke gelegenheid in de Geest, daartoe wakende met alle volharding en smeking voor alle heiligen;

Wanneer men werkelijk als strijder in de geestelijke wereld opgesteld is, moet men bidden, dat wil zeggen bezig zijn in de hemelse gewesten. Men moet zich daarom niet laten verleiden om op het natuurlijke vlak de strijd voort te zetten, hetzij door lichaamskracht, hetzij door redeneringen of discussies, hetzij door gevoelsargumenten. Wanneer men werkelijk de strijd des geloofs voert, moet men het natuurlijke leven buiten dit gevecht houden en zijn vrede, zijn blijdschap en zijn gerechtigheid onder geen beding laten roven.

Het gebed is een wapen in de onzienlijke wereld. Men gebruikt het om de vijand te weerstaan, terug te dringen en te overwinnen en wel door lof- en dankzeggingen, die gericht zijn op de verheerlijking van God. Ook de 'bediening' of het verdrijven van demonen kunnen wij een vorm van gebed noemen om een zege te behalen. Het belijden van bepaalde zonden voor het aangezicht des Heren is ook een bezig zijn in de hemelse gewesten. Tijdens het gebed kan men ook op de bres voor anderen gaan staan en bijvoorbeeld bewust de leden van zijn gezin heiligen. Men moet als geestelijk mens zo op zijn qui-vive zijn, dat men bij elke gelegenheid of zoals de meeste vertalingen hebben 'te allen tijde' in de geestelijke wereld werkzaam is. Er zijn christenen die daarom menen dat zij langdurig moeten bidden. Zij stellen het verplicht dit zelfs uren of gehele nachten te doen. Op de vraag wat zij werkelijk verrichten, moeten zij het antwoord schuldig blijven.

Jezus waarschuwde ervoor om niet tijdens het bidden in herhalingen te vervallen en sprak: 'Gebruik bij uw bidden geen omhaal van woorden, zoals de heidenen; want zij menen door hun veelheid van woorden verhoord te zullen worden' (Matth. 6:7). 'Te allen tijde' bidden, is zich bij elke gelegenheid met zijn geest verheffen en vanuit de gedachten Gods leven en bezig zijn. Wij menen dat het woordje 'geest' beter zonder hoofdletter kan worden geschreven, zoals de Leidse vertaling en die van Brouwer hebben. Er staat letterlijk 'in geest' bidden, wat ons inziens betekent bezig zijn in de geestelijke wereld, dus een zich verheffen zoals Paulus dit deed (2 Cor. 12:7).

Wij kunnen bij een voortdurend bidden ook denken aan het spreken in nieuwe tongen, waardoor wij kunnen loven en danken en tot God spreken, maar ook de boze geesten kunnen weerstaan en verdrijven. De apostel schreef immers: 'Ik zal bidden met mijn geest, maar ook bidden met mijn verstand' (1 Cor. 14:15). Bidden kan men in het verborgen maar ook in het openbaar, individueel maar ook als gemeente.

Paulus noemt dan verder ook het 'smeken' in de geest. Het Griekse werkwoord 'deesis' betekent een sterke en onophoudelijke bede in verband met een behoefte of nood. 'Smeken' heeft bij ons de gevoelswaarde nederig en ootmoedig iets verzoeken met de bijgedachte dat men een persoon moet vermurwen en dus tot andere en betere gedachten brengen. Men behoeft voor Gods aangezicht evenwel niet te kermen, want Hij wil altijd het goede. Het enigszins verouderde woord zouden we kunnen vervangen door: een rekest of een petitie bij God indienen, zoals men dit wel bij de hoge overheid doet. Men legt de Heer voor wat men in een bepaalde situatie nodig heeft aan wijsheid, inzicht, kracht, onderscheiding der geesten en uitkomst. Zo sprak de weduwe telkens tot de onrechtvaardige rechter: 'Verschaf mij recht tegenover mijn tegenpartij' (Luc. 18:3). Wij zouden zeggen: Here, toon mij, wie Gij zijt en dat uw Woord de waarheid is, waarvoor de vijand moet wijken. Men moet zich dus in de geestelijke wereld niet tot mensen om hulp wenden maar tot God. In 1 Timótheüs 5:5 wordt op deze wijze gesproken over 'volharding in smekingen en gebeden dag en nacht'. Voortdurend en onafgebroken moet men dus zijn verwachtingen op God richten en op zijn Woord. De mogelijkheid bestaat immers dat men de geestelijke strijd staakt en in het vlees verder gaat met het zoeken van een oplossing, of ook ophoudt op God te hopen en zijn verwachtingen op mensen gaat stellen, en op verandering van omstandigheden.

Wij merken nog op dat de strijd in de geest niet vermoeit, omdat de ziel in rust en vrede blijft. Een gelovige kampt vanuit zijn zekerheid en vanuit zijn gezag in de onzienlijke wereld. Om deze strijd te kunnen voeren moet men wakker zijn of wakende met de ogen en oren open in de hemelse gewesten. Wij waken en strijden, en leggen dan niet alleen de problemen van onszelf aan de Heer voor, maar ook die van 'alle heiligen', van het hele huisgezin Gods, want wij zijn elkanders leden. In het natuurlijke leven vinden wij hiervan een voorbeeld. In Nehemia 4:14 waar staat: 'Ik zag toe, en stond op en zeide tot de edelen, de leiders en het overige volk: Vreest toch niet voor hen; denkt aan de grote en geduchte Here en strijdt voor uw broeders, uw zonen en uw dochters, uw vrouwen en uw huizen'. Wie denkt aan de almachtige en ontzaglijke God, ziet niet op de omstandigheden, maar verplaatst zich naar de hemelse gewesten vanwaar zijn hulp en sterkte komt.

 

EfeziŽrs 6:19,20 


ook voor mij, dat mij bij het openen van mijn mond het woord geschonken worde, om vrijmoedig het geheimenis van het evangelie bekend te maken, waarvoor ik een gezant ben in ketenen. Dan zal ik daartoe vrijmoedig kunnen optreden, zoals ik behoor te spreken.

Paulus weet dat de verkondiging van het volle evangelie een strijd in de hemelse gewesten ontketent. De overheden, de machten en vaak de wereldbeheersers dezer duisternis zullen rechtstreeks, of door middel van mensen, of door moeilijke situaties te scheppen, trachten te beletten, dat het evangelie van behoud op de goede wijze en onder de juiste bewoordingen wordt gebracht.

De prediking van het Koninkrijk der hemelen stuit op een enorm verzet in de geestelijke wereld en niemand weet dit beter dan zij, die zijn geroepen deze boodschap te verkondigen. De demonen worden immers door de prediking ontmaskerd, weerstaan, uitgedreven en overwonnen. Wij denken hierbij ook aan die speciale engel van satan, die de apostel als met vuisten sloeg. Vanaf zijn roeping als gezant van Jezus Christus, vanaf het ogenblik dat hij op weg naar Damascus de opdracht ontving, dat hij tot de heidenen zou worden gezonden om hun ogen te openen ter bekering uit de duisternis tot het licht en van de macht van de satan tot God, volgde deze duivelse begeleider hem op de voet.

In Openbaring 6 wordt vermeld dat de ruiter op het witte paard als Woord Gods uittrekt, overwinnende en om te overwinnen. Maar ook Hem zitten de legerscharen van de vijand op de hielen. Zo was het ook met Paulus. Om het Woord van God en zijn getuigenis hechtte die engel van satan zich aan hem. In samenwerking met de 'geweldhebbers der wereld' wierp deze demon hem in de gevangenis. Ook oefende hij grote druk uit op de apostel, opdat deze 'zijn vrijmoedigheid zou prijsgeven' en zich niet meer zou 'verheffen' in de hemelse gewesten om daar boven de omstandigheden uit te komen en alles van 'boven' te bezien (Hebr. 10:35 en 2 Cor. 12:7).

Paulus vraagt nu voor zichzelf om voorbede. Hij wil dat de broeders door middel van het gebed, dus door bezig te zijn in de onzienlijke wereld, de strijd tegen de boze geesten zullen opnemen. De overwinning wordt dan geïllustreerd als 'de gezant in boeien' tot Agrippa zegt: 'Want de koning weet van deze dingen en tot hem spreek ik vrijmoedig' (Hand. 26:26). Letterlijk staat er: een gezant in de boei, waarbij het dan wel te ver gaat om alleen aan de voetboei te denken, waarmee de apostel aan de lijfwacht was gekluisterd.

Verdrukking, vervolging, mishandeling, smaad en laster maken een persoon timide, klein en gering, en ontroven hem zijn waardigheid als mens. Dit was dan ook de bedoeling van de engel van satan, wanneer deze weer toesloeg. Ook de andere apostelen onderkenden dit gevaar, want zij baden: 'Here, let op hun dreigingen en geef uw dienstknechten met alle vrijmoedigheid uw woord te spreken' (Hand. 4:29). Het was moeilijk voor de apostel het geheimenis van het Koninkrijk Gods te belijden en te zeggen: ik ben een koning, een priester, een overwinnaar en een uitverkorene, want in de maatschappij leek hij meer te behoren tot 'aller afschrapsel' of tot 'het uitvaagsel der wereld' (1 Cor. 4:13). De christen heeft vrijmoedigheid nodig om 'in verdrukking en verachting' zich bewust te blijven wie hij in Christus is, want hij hoort de hoon: waar is uw God op wie gij uw vertrouwen hebt gesteld?

Gevangenschap en boeien beletten de apostel het evangelie vrijuit te brengen, maar hij kon toch schrijven: 'Mijn evangelie, waarvoor ik kwaad lijd en zelfs boeien draag als een misdadiger. Maar het woord van God is niet geboeid' (2 Tim. 2:9). Daarom vraagt hij voorbede om meer vrijmoedigheid, dat is om meer onbevangenheid en meer innerlijke zekerheid. Naar het natuurlijke leven is de apostel immers vleugellam en daarom moet hij het wel voor de volle honderd procent van de overwinning in geestelijk opzicht hebben.

Het is voor een prediker bijzonder belangrijk het evangelie zonder remmingen te kunnen brengen. Men kan immers wel de juiste gedachten en voorstellingen hebben, maar als deze niet op de goede wijze doorgegeven worden, wekken ze misvattingen op. Zo schreef Petrus over de brieven van Paulus, dat daarin een en ander moeilijk te begrijpen was. Dit gaf onontwikkelde en onvaste lezers de gelegenheid om zijn woorden tot hun eigen verderf te gaan verdraaien (2 Petr. 3:16). De woorden van de apostel vielen dus verdraaid in hun hart. Het woord kan evenwel ook verdraaid te voorschijn komen, zoals iemand bij het typen goede zinnen kan bedenken maar de lettertekens verkeerd aanslaat. Dit geeft dan bij het lezen problemen. Paulus vraagt daarom voorbede, opdat zijn kostelijke gedachten ook begrijpelijk zouden overkomen en dat de geesten van verwarring hun slag niet zouden kunnen slaan. De inhoud van de prediking moet de mensen kunnen bereiken, doordat er een goede woordkeus en een goede samenhang van zinnen aanwezig zijn.

De geadresseerden moesten bidden dat de apostel 'bij' of beter 'met' het openen van zijn mond het rechte woord zou spreken en schrijven. Deze wel zeer uitvoerige omkleding van dit verzoek om voorbede wijst erop, dat dit voor de apostel van groot belang was. Hij was zeker geen welbespraakte Apóllos, want men zei zelfs: 'Zijn brieven zijn wel gewichtig en krachtig, maar zijn persoonlijke verschijning is zwak en zijn spreken betekent niets!' (2 Cor. 10:10).

Ook wist de apostel dat het van de wet bevrijde evangelie van Christus de oorzaak was geweest van zijn gevangenschap. Het geheimenis hield immers in, dat in het Koninkrijk Gods de middelmuur der afscheiding tussen Jood en Griek was neergehaald. Daarom had het de haat van zijn joodse volksgenoten opgewekt en dit doet het nog bij hen die door vrome geesten worden geleid. Daarom was de gezant van God geketend en had men hem monddood willen maken. Vanuit deze overwegingen bleef Paulus om voorbede vragen, opdat hij het 'Christus-geheimenis' met vrijmoedigheid zou mogen blijven verkondigen. Of dit meerder lijden over hem zou brengen vanwege die engel van satan, was daarbij voor hem niet in het geding.

 

EfeziŽrs 6:21,22 


Opdat ook gij van mij moogt weten, hoe het mij gaat, zal Tychicus, mijn geliefde broeder en getrouwe dienaar in de Here, u alles bekend maken. Met dit doel heb ik hem tot u gezonden, dat gij onze omstandigheden zoudt weten en bij uw harten zou vertroosten.

De apostel gaf zijn brief mee aan Tychicus, die ook de brief aan de Colossenzen bij zich had (Col. 4:7). Ook het epistel aan Philémon die te Colosse woonde, werd door hem meegenomen. Tychicus zou de broeders te Efeze en die in de andere plaatsen waarvoor deze brief was bestemd, van de particuliere omstandigheden van Paulus, naar lichaam, ziel en geest, op de hoogte brengen. Niettegenstaande alle zorgen waren deze zo. dat de broeders zowel in Efeze als in Colosse, niet over de apostel bedroefd behoefden te zijn. Tychicus kon hen opbeuren, ook ten aanzien van de situatie van de medewerkers van de apostel. Wel een getuigenis van de fijne band tussen de broeders en de apostel.

Wat de persoon van Tychicus betreft, staat in Handelingen 20:4 dat hij en Trófimus uit Asia kwamen. In Handelingen 21:29 wordt meegedeeld dat Trófimus afkomstig was uit Efeze, de hoofdstad van Asia. Het ligt dus voor de hand te denken dat Tychicus ook uit deze stad kwam. Ook in 2 Timotheüs 4:12 staat dat Tychicus door Paulus naar Efeze werd gezonden. Deze broederheeft dus via Colosse een hele rondreis moeten maken om Efeze te bereiken. Ongetwijfeld heeft hij enkele afschriften van deze belangrijke brief bij zich gehad om die in andere gemeenten af te geven, of hij heeft de eigenlijke brief zelf ter plaatse voorgelezen. In de 'inleiding' merkten we op, dat in enkele handschriften de naam 'Efeze' ontbreekt. Waarschijnlijk heeft Paulus evenals hij dit met het zestiende hoofdstuk van de Romeinenbrief heeft gedaan, een afzonderlijk begeleidend schrijven voor de broeders in Efeze meegegeven. Dit bijvoegsel kennen wij evenwel niet. Dit zou verklaren waarom de persoonlijke mededelingen aan een gemeente, waar hij drie jaar lang had gewerkt, en waar hij zoveel had beleefd, zich slechts tot deze twee verzen beperken.

Vergelijk daarmee eens het slot van de Colossebrief en ook dat van de kleine brief aan Philémon, dat in beide gevallen veel uitgebreider privé-aanwijzingen bevat. ln deze brief waar Paulus tot zulke ongekende hoogten in zijn denken geklommen was, missen we eigenlijk het verheven einde, zoals we dit in de begeleidende brief aan de Romeinen in het laatste hoofdstuk vinden. Ook ontbreekt het eigenhandige slot, waarmee Paulus zijn brieven gewoon was te 'ondertekenen' (2 Thess. 3:17). Alles wijst er dus op, dat de broeders in Efeze nog een begeleidende brief hebben ontvangen, die voor andere gemeenten van geen belang was, en die voor ons onbekend is gebleven.

De metgezellen van Paulus moeten wel zeer toegewijde christenen zijn geweest, daar zij geen eer van mensen ontvingen, maar wel veel tegenstand en verachting moesten incasseren. Tychicus was een man op wie Paulus aan kon. Hij was de geliefde broeder en getrouwe dienaar in de Heer. Hij was dus de apostel zeer dierbaar en voor deze was het een offer hem weg te laten gaan. Deze trouwe 'dienstknecht in de Heer' stelde het welzijn van de gemeente boven zijn persoonlijke belangen. Hij was 'een heilige, toegerust tot dienstbetoon'. Van deze broeder schreef Paulus waarschijnlijk, dat hij diens toewijding in vele zaken had Ieren kennen en dat zijn lof om zijn evangeliewerk door al de gemeenten verbreid was (2 Cor. 8:18,22). De vijf malen dat zijn naam in de bijbel vermeld wordt, staan alle in verband met zijn 'dienstreizen'. Hij is een voorbeeld van een christen, die zijn schatten niet op aarde verzamelt, maar in de hemel. Voor deze dienstknecht zou ongetwijfeld gelden: over weinig zijt gij getrouw geweest, over veel zal Ik u zetten!

 

EfeziŽrs 6:23,24 


Vrede zij de broeders en liefde met geloof, van God, de Vader, en van de Here Jezus Christus. De genade zij met allen, die onze Here Jezus Christus onvergankelijk liefhebben.

De apostel eindigt met een korte zegenbede, die bestemd is voor alle leden der gemeenten waar zijn brief zou worden gelezen of zou worden bestudeerd zoals ook in onze tijd. Hij wenst de broeders innerlijke vrede toe, dus ongestoorde levensontplooiing te midden van hun geestelijke strijd. Ook voor hen geldt evenals voor de apostel des Heren, de oude Romeinse zinspreuk: 'Verlangt gij naar vrede, zo bereidt u tot de oorlog'. Wie de slag in de onzienlijke wereld, waarover Paulus in dit hoofdstuk schreef, wint, behoudt zijn vrede met God, de rust in zijn geweten en kan ijveren naar vrede met alle broeders en alle mensen.

De liefde die de apostel toebidt, is de 'agape', de zuiver geestelijke toegenegenheid die niet vraagt, maar schenkt. Zij berust niet op emotionele of verstandelijke overwegingen, maar is gegrond in een geloof, dat in de onzienlijke regionen functioneert en daar gemeenschap met God, de Vader, schenkt, die liefde is; en met de Here Jezus Christus die deze liefde heeft geopenbaard. Indien wij God van harte liefhebben en zijn woord geloven, zullen wij ons ook positief opstellen tegenover onze broeders en onze naasten.

Het geloof door liefde werkende, rust de heiligen toe tot dienstbetoon. Geloof en liefde zijn de twee dragende krachten van het ware christelijke leven. Zij voeren tot de eenheid des geloofs en tot de volle kennis van de Zoon van God. Deze liefde is onvergankelijk, omdat zij evenals het geloof en de hoop blijvend is. Wie in Christus ontslaapt, blijft met Hem voor eeuwig door de band der liefde verbonden.

Paulus eindigt zijn brief zoals hij hem begon, namelijk met het toewensen van genade, dus met de ganse samenvatting van alle 'geestelijke zegen in de hemelse gewesten'. Hij bidt deze genade toe aan allen - ook in onze tijd - die onafgebroken en onwankelbaar met de Heer zijn verbonden, en die Hem liefhebben 'in onverderfelijkheid' (St. Vert.). Voor een korte tijd waren zij beneden de boze engelen gesteld, maar zij zullen als overwinnaars in onvergankelijke heerlijkheid met hun verhoogde Heer zitten op zijn troon, gelijk Hij heeft overwonnen en gezeten is met zijn Vader in diens hemelse troon.

De lezer die deze niet eenvoudige brief na tweeduizend jaar gelezen en bestudeerd heeft, vraagt zich nu af: heeft hij mij dichter bij het doel gebracht, waartoe Paulus hem schreef, namelijk: vrede, liefde, geloof en genade!

 
vorige pagina terug volgende pagina